De jacht

Opeens een dag met zon. De polder strekt zich heerlijk uit, de ochtend ritselt van de vogeltrek. De wind staat nog niet goed, maar al te kritisch kun je deze herfst niet zijn. Het golft van piepers, leeuweriken, zwaluwen, al dat kleine spul dat nodig naar het zuiden moet.

Mijn komst jaagt van de kade een tapuitje op. Onmiddellijk schiet daarbij de boomvalk toe, die in de verte op een hek gezeten heeft. De valk valt aan, tapuit ontwijkt. De valk valt nog eens aan, tapuit ontwijkt. De valk - hij is nog jong, hij is nog leerling-valk - gaat bliksemsnel omhoog, en keert zich nijdig om en duikt.

Het tapuitje stuift achter een stel koeien langs. Mijn blik stuift in de kijker met hem mee. Tussen de stramme poten zitten spreeuwen in de wei. Ze kijken angstig toe. Dat zie je aan de opgetrokken schoudertjes.

De valk probeert het voor de tiende keer. Tapuit ontwijkt hem rakelings en scheert vervolgens, vlak over de grond, op een rijtje elzen af. Ik hoop natuurlijk dat hij wint. Ik ben, want dat is menselijk, bij deze jacht van de tapuitpartij. Dat kan geen kwaad. Wat ik ook hoop, het deert de kansen van de boomvalk niet.

Daar heb je dan het mooie van natuur: zij gaat haar gang, zij kent geen goed, geen kwaad, zij vraagt niet naar geloof, je hoeft het absoluut niet met haar eens te zijn. Natuur geeft je geweten vrij.

    • Koos van Zomeren