Hill gebruikt video als een schilder verf

Tentoonstelling: Gary Hill. Video-installaties 1983-1992. Stedelijk Museum, Amsterdam. Tot 10 oktober. Dag. 11-17u.

Waardoor onderscheidt zich de videokunst van andere kunstvormen? Door alle technische middelen die er aan te pas komen natuurlijk, zoals monitoren, bedradingen, geluidsinstallatie enzovoort. Vaak is die techniek zo nadrukkelijk aanwezig dat het zicht op het kunstwerk ontnomen wordt. Een eenheid van vorm en inhoud is, met andere woorden, in de videokunst zeldzaam.

Maar het meest eigene van video is de mogelijkheid tot terugkoppelen: de video kan zijn omgeving registreren, kan zelfs reageren op iets in zijn omgeving (licht, geluid, beweging), en die reactie vervolgens opnemen in zijn programma. Het apparaat staat zodoende in contact met de werkelijke tijd en kan daar tegelijkertijd door terugkoppeling aan ontsnappen. Een videowerk is niet gebonden aan een lineair tijdsverloop.

De Amerikaanse videokunstenaar Gary Hill (Santa Monica, Californië, 1951) heeft deze eigenschappen in de werken die hij momenteel exposeert in het Stedelijk Museum optimaal uitgebuit. De techniek is een wezenlijk beeldend onderdeel van het werk. Bij Hill hebben de monitoren, lampen enzovoort een sculpturale functie. En het terugkoppelen past hij zó geraffineerd toe, dat soms niet is vast te stellen wanneer de video reageert op impulsen in de omgeving en wanneer hij gewoon bezig is zijn eigen programma af te draaien. Het gevolg is dat de beschouwer zich in een droomwereld waant, een wereld met een eigen tijdsverloop en met eigen wetten.

Het meest sensationele voorbeeld is wat dit betreft "Tall Ships' (1992), dat eerder ook op de Documenta te zien was. In een ruim dertig meter lange, volkomen duistere gang "ontmoet' de bezoeker verschijningen, mensen die als spookbeelden opdoemen op de wand. Ze lopen naar voren, blijven rustig staan en kijken de beschouwer aan. Daarna draaien ze zich om en lopen weer terug. Vooral het kijken is verontrustend, het gevoel bestudeerd te worden, temeer daar de beschouwer dit proces zelf in beweging lijkt te zetten. Op de korte wand aan het einde van de gang verschijnt een meisje van een jaar of acht. Zij breidt haar armen uit in een gebaar van verwelkoming. Zij is engelachtig, maar ze heeft ook iets bedreigends - het spreiden van de armen herhaalt zich op identieke wijze, keer op keer, het gebaar is anoniem, haar warmte is gefingeerd.

"Inasmuch as it is always already taking place' (1990) is een voorbeeld van de sculpturale behandeling, om het zo te noemen, van de video. Zestien monitoren, van groot tot onooglijk klein, liggen uitgestald in een nis. Ze laten naakte lichaamsdelen zien, van zo nabij dat je je ongemakkelijk voelt. Behaarde benen, knieën, een ademende buik, een voetzool, een oog omringd door huidplooitjes. Een "heel' lichaam is er niet van te maken. Alles is in beweging, er wordt zachtjes gemompeld, gepraat, een adamsappel gaat op en neer. Het gevoel van nabijheid, de ervaring van lichamelijkheid wordt versterkt door die merkwaardige etalering in het kastje, als een vitrine in een slagerij.

Het meest frappeert in het werk van Hill misschien wel de intieme manier waarop hij zich verhoudt tot de techniek. Het lijkt onmogelijk, maar Hill werkt met video zoals een schilder werkt met verf.

Het gebruik van taal bij Hill levert nogal wat problemen op bij de receptie van zijn kunst. Hij is daar zelf debet aan, niet alleen doordat de teksten alleen in fragmenten zijn te verstaan, maar vooral omdat hij een voorkeur heeft voor schrijvers als Heidegger en de Foucault-kenner Maurice Blanchot. Dit geeft aanleiding tot breedsprakige analyses en gewichtigdoenerige beschouwingen (waar ook de catalogus bol van staat) die de lezer bepaald niet dichter bij het werk van Hill brengen.

Het is in ieder geval al een grote verdienste dat teksten niet storen. Als achtergrondgeluid functioneren ze goed, het geluid van de lezende stem is zelfs heel aangenaam. Maar bovendien, wanneer men zich concentreert op de betekenis van de woorden die men opvangt, dan zijn er wel degelijk verbanden te bespeuren met wat er op dat is moment te zien.Prachtig is in dit verband "Between cinema and a hard place' (1991). Drieëntwintig uitgeklede monitoren liggen in een bepaalde constellatie op de grond. Dit werk is een soort visuele muziek. De beelden van landschappen, nabij en ver, wisselen elkaar ritmisch af, herhalen zich in staccato op een klein groepje monitoren, en ontrollen zich vervolgens als een melodie over de volle lengte uit. "The sound of language, its earthiness ...' zegt de stem, en op de schermen verschijnen rotsen, een ei, oerachtige dingen. "But what does nearness mean?' (herinnering aan Walter Benjamin) en een scherp blinkend mes doorsnijdt een appel - "and that is nearness'. Een dik touw loopt van links naar rechts dwars over alle monitoren: "to measure something against something else'.

De appel, de steen en andere voorwerpen hebben bij Hill het gewicht van archetypische symbolen. Ik kreeg het idee dat dit werk misschien ging het ontstaan, de schepping van de wereld, en over de rol van de taal, van het woord daarin. Het werk van Hill heeft een contemplatieve en onmiskenbaar mystieke inslag. Het is alsof hij ruimte en tijd tastbaar wil maken. En soms lijkt hij daar bijna in te slagen.

    • Janneke Wesseling