De Valkenburgse paardenmarkt

In september begint alles weer. Wie het nog niet wist, kan op knalgele spandoeken lezen dat de kinderen weer naar school gaan. Hier en daar opent men het academisch jaar. De vakantie is voorbij, de "r' komt in de maand. De "r' van Prinsjesdag en paardenmarkt. Aan de derde dinsdag in september gaat de tweede woensdag vooraf. Op die dag wordt in Valkenburg (Z.-H.) sinds mensenheugenis de paardenmarkt gehouden.

Niet bekend

Volgens Jan Orlers, in zijn Beschryving van Leyden uit 1641, was het nabijgelegen Valkenburg “by naer over geheel Christenrijck vermaert ende bekent van wegen de Heerlicke Paerde-marct”. Aantallen noemt hij niet, maar hij spreekt wel van “een groote menichte van jonge Paerden, ende een groot getal van schoone ende uytnemende Ry-paerden, als Hengsten, Ruynen ende Merrijen ofte Moeder-paerden, uyt alle de omleggende Steden ende dorpen”.

Bij een jaarmarkt hoort een kermis, en zo wordt er in Valkenburg al eeuwenlang begin september feest gevierd. Orlers vertelt dat de markt ongelooflijk veel mensen aantrok, die in tenten en tot herbergen ingerichte huizen aten, dronken en goede sier maakten. “die aldaer inde Tenten ende Huysen gheduyrende de Merckt, by nae al te samen Herbergen zijnde, eten, drincken ende goet chier maecken.” Hoe het daarbij toeging, is prachtig te zien op een schilderij van Adriaen van de Venne uit 1618. Wie de afdeling Nederlandse geschiedenis van het Rijksmuseum bezoekt, kan dit kleurrijke tafereel van dichtbij bewonderen.

Het doet denken aan een ijsvermaak op het droge, waarbij de schaatsenrijders door paardrijders zijn vervangen. Prins Maurits en zijn broer Frederik Hendrik, gezeten in een koets die getrokken wordt door zes schimmels, bezoeken de Valkenburgse paardenmarkt. Oud en jong, rijk en arm, ieder draagt op eigen wijze aan de feestvreugde bij. Eten, drinken, dansen, vrijen en stelen blijken het meest in trek. Sommige drinkebroers zijn reeds onwel geworden, anderen ledigen hun blaas zomaar tegen een zijgevel. Behalve paarden zijn er vooral honden van de meest uiteenlopende merken te vinden. De aandachtige beschouwer kan recht boven de greppel zelfs een drietal apen in geel kostuum ontwaren.

In het midden verheft zich de torenspits van de kerk die Lange Maai werd genoemd. Links in de verte kun je de duinen zien. Wie met zijn neus bovenop het schilderij gaat staan, kan rechts, tussen de huizen door, nog net een glimp van het pontje over de Rijn opvangen. Die kerk werd tijdens de meidagen van 1940 verwoest. De duinen en het pontje zijn er nog.

De huidige paardenmarkt, hoe aardig ook, is slechts een flauwe afspiegeling van wat zich hier in het verleden heeft afgespeeld. Rond de kerk, die na de oorlog geheel werd vernieuwd, telde ik zo'n zeventig paarden, van sterke en tegelijk elegante Friezen tot bonsai-ponies. Er waren ook twee ezels bij. De hele levende have vormde een halve cirkel rond de oorlogsgraven, een erewacht van briesende, hinnikende en met hun hoeven schrapende viervoeters. Er is ook een kermis en een jaarmarkt van bescheiden afmetingen, waar als vanouds kan worden gegeten en gedronken.

Voor drie kwartjes kun je je vanuit het dorp met het pontje over de Rijn laten zetten. Om elf uur 's ochtends stond daar, op de andere oever, een kleine man te wachten om naar het feestterrein te gaan. “Die gaat vanmiddag als een balletje weer terug. Dat maken we elk jaar mee”, vertelde de veerman. Zo draagt ieder op zijn eigen wijze bij om een oude traditie in stand te houden.

Na Van de Venne kwamen nog heel wat meer vermaarde schilders naar Valkenburg om de festiviteiten vast te leggen. Uit een artikel dat E. Pelinck in 1958 publiceerde, weten we, dat ook Salomon van Ruysdael en Jan van Goyen hun krachten meermalen op de paardenmarkt beproefden. De paardenschilder bij uitstek, Philips Wouwerman, liet zich dit buitenkansje evenmin ontglippen. Kunstbroeders uit de achttiende eeuw, van Cornelis Pronk tot P.C. la Fargue, droegen ook hun steentje bij, en zo ontstond een chronologisch te rangschikken reeks van paardenmarkten, die een schat aan informatie bevat.

Ook de literatuur liet zich niet onbetuigd. Constantijn Huygens schreef een gedicht dat begint met de regels: “Soo verr vier voeten gaen, vier voeten in 't beslagh,/ Vier voeten in den dwang van Ruyterlick gesagh,/ Soo verr men ringht en springht, onthaelt men de geruchten/ Van mijn' September-feest en woelende genuchten.” Bovendien is er een historische roman van mevrouw Bosboom-Toussaint uit 1858, die opent met een beschrijving van “deze oudste en meest beroemde paardenmarkt” waarin het schilderij van Adriaen van de Venne in woorden weerspiegeld wordt.

Het is bepaald niet haar beste boek. Haar biograaf, dr. Hans Reeser, sprak zelfs van “een woestijn van eindeloze verveling met enkele minuskule oases, die soms nog fata morgana's blijken te zijn”. Tot die oases behoort zeker het begin. Het boek heet Een Leydsch student in 1593 en gaat over Floris II van Pallandt, die dus nu precies vier eeuwen geleden de paardenmarkt bezocht.

Dat was een goede reden om dit jaar naar Valkenburg te gaan. Ik had er graag met Hans Reeser over willen praten. Dat kon niet meer. Op 2 september is hij, 77 jaar oud, overleden. Een dag voor de paardenmarkt stond ik bij zijn graf. Het was stralend weer. Een dag, schreef Bosboom-Toussaint op de eerste bladzijde, “zoo als de September-maand er ons enkelen schenkt, om menigen guren lente- en schralen zomerdag goed te maken.” In september begint alles weer. De vakantie is voorbij.