De macht van de dierenarts; Debuutroman van kunstcriticus Lamarche- Vadel

Bernard Lamarche-Vadel: Vétérinaires. Uitg. Gallimard, 150 blz. Prijs: ƒ 34,40

De mens is geen engel, maar ook geen beest, schreef Pascal in zijn Pensées. De vierenveertigjarige kunstcriticus Bernard Lamarche-Vadel die deze zomer met zijn sterk allegorische debuutroman Vétérinaires de aandacht van de Franse kritiek op zich vestigde, toont zich aanmerkelijk minder gematigd dan de zeventiende-eeuwse wijsgeer. Vétérinaires lijkt in eerste instantie een verhaal over de verhouding tussen mens en dier, zoals deze wordt beleefd door een dierenarts tijdens de uitoefening van zijn beroep, maar ontpopt zich al gauw tot een algemeen portret van het beest in de mens.

Hoofdpersonen van de roman zijn twee broers, Joseph and Paul Maurs. De oudste broer, Joseph, heeft zich als dierenarts gevestigd in Nogent-sur-Marne, een van de traditionele bestemmingen van Parijzenaars die 's zomers een uitstapje maken. Lamarche-Vadel beschrijft het stadje echter in het stille seizoen wanneer de geur van natte bladeren en de aanblik van uitgestorven, half vermolmde villa's een gevoel van beklemming oproepen. Paul, de ik-figuur, heeft zijn studie diergeneeskunde nog niet afgerond, maar neemt vaak de praktijk waar voor zijn broer omdat deze geheel in beslag wordt genomen door het voorzitterschap van de Bond van Dierenartsen. De beslissing van Paul om in de voetsporen van zijn gewaardeerde broer te treden heeft niets te maken met dierenliefde; het is de hem door zijn omgeving opgedrongen droom van macht en aanzien die hem tot deze keuze gebracht heeft. Een derde belangrijke figuur in de roman is een van de weinige vrienden van Paul, de kunstschilder Klaus Friedrich, die de door zijn vader nagelaten, over politieke vraagstukken handelende correspondentie met schrijvers als Thomas Mann, Gide en Romain Rolland gebruikt als ondergrond voor zijn aquarellen en zijn taak pas als beëindigd beschouwt op het moment dat hij de vele duizenden vellen briefpapier met zijn schetsen bedekt zal hebben.

Aan de psychologie van deze personages wordt verder geen aandacht besteed. Ze zijn slechts de belichaming van een idee. Joseph staat symbool voor de willekeur van de absolute macht en Paul is het prototype van de meeloper die pas als het te laat is, merkt waaraan hij zich door zijn passiviteit schuldig heeft gemaakt. De merkwaardige manier waarop Friedrich de ideeën van zijn pacifistische vader en diens correspondenten uitwist, suggereert dat de tijd waarin kunstenaars de illusie koesterden dat zij met hun engagement de wereld konden verbeteren, definitief voorbij is.

Van uitoefening van de diergeneeskunde in de normale zin van het woord is in deze roman geen sprake. Bij Lamarche-Vadel is de dierenarts degene die, zonder dat hij aan iemand verantwoording hoeft af te leggen, beslist over leven en dood van zijn patiënten, waarbij de balans doorgaans doorslaat naar wat eufemistisch een verlossing uit het lijden genoemd wordt. Ook het initiatieritueel waaraan de aankomende dierenartsen zich dienen te onderwerpen, liegt er niet om. Alvorens hij met zijn dood en verderf zaaiende collega's van gedachten mag wisselen in de gecapitonneerde zalen en onder de rijke kroonluchters van het verenigingsgebouw, dient het aspirant-lid van de Bond van Dierenartsen met blote handen een tot razernij gebrachte hond gedood te hebben. Helemaal zonder verweer zijn de dieren bij Lamarche-Vadel echter niet en aan het slot van het verhaal wordt Paul Maurs door een woedende hengst zo verwond dat hij de rest van zijn leven als een sprakeloos wrak in een rolstoel moet doorbrengen. Zijn enige troost is zijn benoeming tot president van de Bond; in die kwaliteit heeft hij traditiegetrouw recht op een plaats in de schilderijengalerij waar zijn tweeënveertig voorgangers, geportretteerd in de gedaante van een hond, al hangen. Paul wordt afgebeeld als een Engelse jachthond en daarmee heeft hij volgens de in zijn wereld geldende normen het hoogst bereikbare op maatschappelijk gebied verwezenlijkt. Met recht kun je hier van een cynische apotheose spreken.

Lamarche-Vadel schetst in Vétérinaires een beeld van een hypocriete samenleving waarin de dood omgeven is met taboes maar ondertussen voor velen een lucratieve bron van inkomsten vormt en waarin men bij de beklimming van de maatschappelijke ladder letterlijk over lijken gaat. Het is daarbij van vitaal belang om tot een groep te behoren. Buitengesloten worden is onverdraaglijk. Zo wordt op een bijeenkomst van eigenaren van rashonden een man met een teckel zonder stamboom van de ledenlijst geschrapt; de ongelukkige verhangt zich in een stal. Het zal duidelijk zijn waar Lamarche-Vadel in zijn roman op doelt: onze samenleving is maar een dun vernis en de stap naar een samenleving waarin de weerloosheid van de zwakken en het gebrek aan ethiek bij degenen die de macht hebben, tot volledig geperverteerde verhoudingen leiden, is zo gezet.

Het knappe van deze allegorie is dat Lamarche-Vadel haar zo diep in de alledaagse werkelijkheid van een slaperig Frans provinciestadje verankert dat de lezer, die door de bril van de weinig alerte ik-figuur naar de gebeurtenissen kijkt, zich maar langzaam realiseert waar de schrijver op afstevent. Lamarche-Vadel bouwt zijn verhaal rustig op. Van tijd tot tijd valt er een gebeurtenis of een opmerking uit de toon en wanneer de lezer daar een patroon in begint te ontdekken, voert een aaneengesloten reeks van afwisselend gruwelijke en absurde situaties hem zonder verdere adempauzes naar de ontknoping van het boek. Lamarche-Vadel confronteert zijn lezer met aspecten van het leven waar deze liever niet bij stilstaat. Sommige scènes zoals het initiatieritueel zijn schokkend en afschuwelijk om te lezen. De aanklacht van de schrijver tegen de alom heersende hypocrisie lijkt mij echter oprecht en gedreven en daarmee is dan ook de vraag of dergelijke schokeffecten wel gerechtvaardigd zijn bevestigend beantwoord.