Sjeik aangeklaagd voor aanslagen in VS

NEW YORK, 26 AUG. De radicale Egyptische sjeik Omar Abdel-Rahman is in staat van beschuldiging gesteld wegens betrokkenheid bij de bomaanslag op het World Trade Center in New York op 26 februari en bij de voorbereiding van een verijdelde aanslag op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties. De blinde geestelijk leider (55) wordt er ook van verdacht te hebben samengespannen om de Egyptische president Hosni Mubarak te vermoorden, aldus de aanklacht.

De sjeik zat al vast in een Amerikaanse gevangenis, in afwachting van zijn uitwijzing, omdat hij in 1991 valse gegevens heeft verstrekt toen hij tot Amerika toegelaten wilde worden. Zijn naam werd de afgelopen maanden voortdurend in verband gebracht met de aanslag op het WTC-complex, waarbij zes doden en meer dan duizend gewonden vielen, en met de plannen voor de andere aanslagen.

De arrestanten in beide zaken behoren tot zijn volgelingen. Abdel-Rahman inspireert duizenden moslim-extremisten die onder het vaandel van bewegingen als El-Gama'a el-Islamiyya, de Islamitische Groep, of El-Jihad, Heilige Oorlog, in Egypte gewelddadig campagne voeren voor de invoering van een islamitisch bewind.

Een van zijn aanhangers, El Sayid Nosair, die een gevangenisstraf uitzit wegens openlijke geweldpleging en wapenbezit in verband met de moord op de extreem-rechtse rabbijn Meir Kahane in 1990, is gisteren in die zaak opnieuw in staat van beschuldiging gesteld. Nosair werd eerder vrijgesproken van de moord op Kahane, maar wordt nu als lid van een terroristische organisatie medeverantwoordelijk geacht voor die moord. Door deze nieuwe aanklacht wordt de zaak-Kahane heropend.

“Het doel van de organisatie was terroristische acties voor te bereiden en uit te voeren, met inbegrip van bom- en moordaanslagen, tegen verscheidene regeringen en regeringsfunctionarissen, waaronder die van de VS”, aldus de aanklacht. Volgens justitie gaf de sjeik aan of “bepaalde terroristische acties waren toegestaan of verboden, trad hij op als bemiddelaar bij interne geschillen en beschermde hij de organisatie tegen infiltratie door opsporingsdiensten”. (Reuter)