Fabulant

Het heeft me altijd verschrikkelijk geleken om op een leugen betrapt te worden. Begrijp goed, ik wil me niet beter voordoen dan ik ben. De leugen zelf is me niet geheel vreemd. Betrapt worden, daar heb ik het over. Ik weet wel dat er meestal niets gebeurt als de leugenaar ontmaskerd wordt. Glimlachend snelt hij voort naar nieuwe successen, luider nog dan vroeger toegejuicht door een bewonderend publiek. Het blijft me verbazen, iedere keer weer, hoewel ik heel goed weet dat het zo gaat. Zoals de krachteloze pennelikker de fiere atleet jaloers bewondert, zo bewonder ik de brutale fabulant die zich, betrapt op een leugen, weet te redden door een nieuw verhaal op te hangen dat nog fantastischer is dan het vorige. Hij durft iets dat ik nooit zou durven. Hij weet niet eens dat hij iets durft, want het is zijn tweede natuur geworden.

Het komt waarschijnlijk door mijn kinderlijk ontzag voor de leugenaar dat ik zo geboeid ben door de Italiaanse schrijver Malaparte. Hij schreef wel eens de waarheid. Soms loog hij de waarheid met zijn bizarre fantasieën. Vaak loog hij gewoon om zijn eigen positie te verbeteren.

Iemand zei me dat de opmerking die ik twee weken geleden maakte, dat Malaparte fascist was geweest tot de nederlaag van Italië, niet kon kloppen. In zijn Winkler Prins encyclopedie stond het heel anders. Daar stond dat Malaparte in 1931 zijn partijlidmaatschap had opgegeven en sindsdien als anti-fascist door het Italiaanse regime vervolgd was. Twee keer verbannen, vijf jaar gevangen op een onherbergzaam eiland. Ik keek het na in de achtste druk van 1981. Het stond er inderdaad zo. Dit levensverhaal van Malaparte had vanaf het jaar 1931 vrijwel geen enkele overeenkomst met het verhaal dat ik kende uit de Malaparte-biografie van Giordano Bruno Guerri. Het verhaal in de encyclopedie was een fantastische aaneenrijging van feiten die net niet klopten en samen een beeld gaven dat precies tegenovergesteld was aan het beeld dat ik had. Uit die biografie wist ik ook hoe de mensen van de Winkler Prins er aan gekomen moesten zijn. Het was de versie die Malaparte na de oorlog zelf aan de man had gebracht, met succes. Hoe lapte hij het hem toch, je gelooft je ogen niet.

De verbanning als anti-fascist naar Parijs van 1931 tot 1933. Er was helemaal geen verbanning. Malaparte was door interne partijintriges zijn directeurschap van de grote krant La Stampa kwijtgeraakt, had een schadeloosstelling gekregen die hem een rijk man maakte en ging vrijwillig naar Parijs, waar hij veel vrienden had. Verschillende malen reisde hij terug naar Italië, zonder dat hem een haar gekrenkt werd. In oktober 1932 schreef hij in een brief uit Rome dat hij daar een paar dagen eerder buitengewoon vriendelijk door Mussolini was ontvangen.

De gevangenschap op het barre eiland Lipari, van 1933 tot 1938, een andere mythe met een kern van waarheid. Malaparte had inderdaad zijn vijanden binnen de partijhiërarchie, zoals iedere ambitieuze fascist die anderen van hun plekje probeerde te verdringen, maar op Lipari was hij maar acht maanden en niet vijf jaar zoals hij het later voorgaf. In 1935 kon men hem alweer in Rome rond zien rijden in de ministeriële Alfa Romeo van Ciano, minister van buitenlandse zaken en schoonzoon van Mussolini.

De pro-Russische frontberichten over de oorlog tussen Duitsland en de Sovjet-Unie, die hem zogenaamd op een nieuwe verbanning kwamen te staan. Malaparte reisde mee met de Duitse troepen. Hij stuurde zijn berichten naar de Corriere della Sera, een van de belangrijkste kranten van Duitslands bondgenoot Italië. Wie gelooft dat hij het zich in die omstandigheden zou kunnen veroorloven om een serie pro-Russische artikelen op te sturen, gelooft alles. De Winkler Prins van 1981 gelooft het. Malaparte keerde terug naar zijn villa op Capri. De frontberichten bleven gewoon verschijnen, dat zal hem geen moeite hebben gekost. De chef van het kabinet van de Italiaanse minister van volkscultuur liet weten dat dit niet geloofwaardig was, omdat heel Italië wist dat Malaparte inmiddels op Capri zat. De serie werd gestaakt. Kleine tegenslag, maar een welkome gelegenheid voor na-oorlogse fabulatie. In de versie die Malaparte na de oorlog gaf, was het geen kleine chef van het kabinet meer die een einde maakte aan een oorlogsserie, omdat iedereen wist dat de schrijver op het strand van Capri wandelde, het was Goebbels persoonlijk geworden die zich had gestoten aan de "pro-Russische' artikelenserie en er een eind aan had gemaakt.

Het was met ademloze bewondering voor Malaparte dat ik zijn lemma in de Winkler Prins las. Twintig jaar na zijn dood was hij er nog in geslaagd om zijn levensverhaal in een Nederlandse encyclopedie te laten verschijnen op de manier waarop hij het wilde.

Het was werkelijk een boef, maar met al zijn leugens en fabulaties kon hij wel schitterend schrijven en het verbaast me dat je tegenwoordig zo weinig meer over hem hoort. Zelfinzicht had hij ook. In 1947 schreef hij: “Het ware, het enige programma van iedere Italiaan is, op goede voet te verkeren met de partij die aan de macht is.”

Hij is een fascinerend voorbeeld van de intellectuele politieke avonturier, een waar paradigma van de verschrikkelijke twintigste eeuw. In 1944 meldde hij zich aan bij de Italiaanse communisten, maar die wilden hem toen nog niet hebben. In 1948, toen de Koude Oorlog met een knal was ingezet, was hij weer een fel anti-communist en in 1957 schreef hij na een reis door China een lofzang op Mao en het Chinese land, waar alles goed was.

Ik bekijk nog eens de foto's in het mooie boek van Guerri. Malaparte, lang en mager in zijn jonge jaren, lijkt een beetje op de door hem bewonderde Salvador Dali, ook zo'n politieke clown die in wezen nergens in geloofde. Ik zie een foto uit 1942 waarop Malaparte naakt in de sneeuw in Finland loopt, een mooie sterke man. Hij volgde toen voor de krant de Finse troepen en liet die foto trots in de Italiaanse pers afdrukken. Verdraaid, dat is niet Dali, die foto, dat is iemand anders, natuurlijk, ik weet het al, het is Harry Mulisch die zich naakt met een suikerrietkapmes op Cuba liet fotograferen. Onmiskenbare gelijkenis, die ik niet meer uit mijn hoofd kan zetten, ook al hebben de strijdende historici me ingeprent dat het oppervlakkig en zelfs immoreel is om de Cubaanse zon te vergelijken met de Finse sneeuw.

    • Hans Ree