Dubbel werk bij onderzoek naar produktie sociologen

ROTTERDAM, 21 AUG. Bij het onderzoek naar de produktie van Nederlandse sociologen is dubbel werk verricht. Twee groepen onderzoekers hebben beide een bestand aangelegd van meer dan tienduizend publikaties uit de jaren tachtig. Beide onderzoeken zijn gefinancierd het ministerie van onderwijs en wetenschappen.

De Groningse sociologen F. Stokman, R. Missoorten en A. Stokman verrichtten onderzoek naar de produktiviteit van Nederlandse sociologen. Een weerslag van hun bevindingen in de vorm van een top-50 wordt volgende week in Mens en Maatschappij gepubliceerd.

R. Hagendijk, H. Schaapman en A. Prins van de vakgroep Wetenschapsdynamica van de Universiteit van Amsterdam verrichtten onderzoek naar de internationalisering van de Nederlandse sociologie. Zij publiceerden hun resultaten vorig najaar in een rapport. Beide groepen vormden een bestand van publikaties op basis van gegevens uit de wetenschappelijke jaarverslagen van de universiteiten. In deze jaarverslagen melden vakgroepen alle publikaties van hun medewerkers.

Niet bekend

De Groningse groep telde onder meer het aantal publikaties per auteur in de periode 1988-1990. De UvA-methodoloog Saris scoorde het hoogst met zestig publikaties in drie jaar. De Utrechtse hoogleraar Becker was tweede met 48, zijn VU-collega Knipscheer derde met 44, op de voet gevolgd door UvA-docent homostudies Hekma. In deze rangorde telt een dik boek even zwaar als een kort artikel. Om een beter beeld van de produktiviteit te krijgen, werden wegingsfactoren ingevoerd.

Bij die weging tellen lange publikaties zwaarder dan korte, maar twee korte zwaarder dan een lange die net zo lang is als de twee korte bij elkaar. De gedachte hierachter is dat het meer werk is om twee afzonderlijke artikelen te publiceren. Ook de status van het wetenschappelijke tijdschrift en de uitgever van het boek zijn meegenomen in de weging. Tenslotte leveren publikaties in het Engels of een andere internationale taal extra gewicht op. Van publikaties die door meer auteurs zijn geschreven, worden de punten over de auteurs verdeeld. Na weging volgens deze maatstaven ziet de rangorde er heel anders uit. Saris zakt nu naar 8, Knipscheer naar 13. Becker en Hekma zijn nu koplopers. H. Israels weet met slechts 5 publikaties toch een tiende plaats te halen, terwijl T. Suurmeijer met 33 publikaties op de 64-ste plaats terechtkomt.

Volgens F. Stokman, een van de opstellers van de lijst, moet je om hoog te eindigen vooral veel alleen schrijven: “Degenen die in hun eentje boeken of lange Engelstalige artikelen hebben geschreven, scoren het hoogst.”

Met opzet is ervoor gekozen zowel Nederlandse als internationale publikaties mee te tellen. De economen-hitlijst van het weekblad Intermediair is vooral gebaseerd op internationale publikaties. Sociologie is echter meer dan economie op de nationale samenleving georiënteerd. Er zijn bovendien verscheidene Nederlandse sociaal-wetenschappelijke tijdschriften met voldoende status. Tenslotte publiceren sociologen meer dan economen hun werk in boeken, die veelal in het Nederlands worden uitgegeven.

De Amsterdamse hoogleraar Schuyt formuleerde ooit als eis dat een socioloog die als onderzoeker bij een universiteit werkzaam is een à twee artikelen per jaar zou moeten publiceren en eens in de vier à vijf jaar een boek. Wie in de meetperiode een Nederlandstalig boek van 250 bladzijden bij een wetenschappelijke uitgever deed verschijnen en in die drie jaar drie Nederlandstalige artikelen en een Engelstalig artikel van vijftien bladzijden in wetenschappelijke tijdschriften van voldoende status publiceerde, zou rond de 70-ste plaats eindigen in de sociologenhitparade. Zouden alle vier artikelen in het Engels zijn geschreven, dan heeft de auteur een kans de top-50 te halen. Schuyt zelf zit met 28 publikaties in drie jaar ver boven zijn eigen minimumnorm, maar hij is dan ook hoogleraar. Ruim de helft van de top-50-sociologen is hoogleraar.

Zelf relativeert Stokman de betekenis van de top-50. “Het is zeker niet zo dat degenen die veel schrijven daarmee ook een belangrijke bijdrage leveren aan de sociologie.” Hij verzet zich echter tegen degenen die dergelijke lijsten helemaal bagatelliseren. “Het zegt wel iets. In toenemende mate wordt belang gehecht aan publiceren, ook in de sociologie. Onderzoek van de output is een manier om dat zichtbaar te maken. De produktiviteit is één indicator, maar niet de belangrijkste. Zou je bijvoorbeeld citaties tellen, dan krijg je een heel ander beeld.”