De mythen van de migratie

Het klimaat ten aanzien van immigranten is verhard. Van doodgeknuffelde slachtoffers werden ze gelijkwaardige burgers, met dezelfde rechten en plichten als de autochtonen. Niet alleen bij de VVD maar ook bij de PvdA gingen stemmen op om de stroom in te dammen. Is Nederland vol? Deskundigen menen van niet. Bovendien: "Alles wat er aan beleid wordt bedacht heeft hooguit een marginaal effect.' Een overzicht van immmigratie en integratie sinds de Tweede Wereldoorlog.

Onmiskenbaar is het opinieklimaat over allochtonen de laatste jaren veranderd. De zachte, begripvolle hand voor de buitenlander werd in de publieke discussie vervangen door het uitgangspunt van de gelijkwaardige allochtoon. Niet langer werd er nog gesproken van slachtoffers, volgens de nieuwe moraal waren immigranten de laatste decennia via opvang en welzijnshonken doodgeknuffeld. Die methode werd afgezworen. Allochtonen waren voortaan mensen met rechten en plichten, die een baan kregen als ze de Nederlandse taal spraken, die op steun konden rekenden mits ze presteerden.

Deze verharding ging gepaard met minimaal twee ontwikkelingen. Politici, om te beginnen VVD-leider Bolkestein, anticipeerden op de gewijzigde opvattingen door strengere maatregelen te bepleiten. Enige tijd stond de liberale leider alleen. Maar later volgden ook PvdA'ers, zoals partijvoorzitter Rottenberg en staatssecretaris Kosto, die zich op het punt van illegalen het soort van opinies permitteerden waar PvdA-congressen tien jaar geleden nog van konden ontploffen. Dat gebeurde nu niet. De symbolische betekenis was duidelijk: wat tot voor kort alleen in de onderbuik mocht worden beleefd, kon voortaan hardop worden gezegd.

Daarmee ontstond de beeldvorming van allochtonen als exclusieve verzameling probleemgroepen. Marokkaanse zwerfkinderen in Amsterdam, Antilliaanse jongeren, pingpongende Afrikanen in vakantiehuisjes, illegalen in het Westland, zwarte scholen, asielzoekers overnachtend in een ma¨sveld - ze trokken voortdurend de massale aandacht van bestuurders, hulpverleners, ambtenaren en media. Voor het feit dat het met verreweg de meeste allochtonen redelijk tot goed gaat, kon blijkbaar geen belangstelling meer worden opgebracht. De toestand leek met de dag onheilspellender te worden, er werd gezegd dat Nederland vol is, en dat geluid weerklonk niet alleen aan de dorpspomp.

De vraag is echter of er zoveel bijzonders aan de hand is. Nederland heeft altijd een traditie van immigratie gehad - ook het overzicht van de periode sinds de Tweede Wereldoorlog laat dat zien. En de grootste groepen is het tot nu toe, na een tijd van aanpassingsproblemen, altijd gelukt in de maatschappij te integreren: de geschiedenis van de repatrianten uit Indië maakt het helder. Maar uit onderzoek blijkt bij voorbeeld ook dat de schoolresultaten van in Nederland geboren Surinaamse kinderen op hetzelfde niveau liggen als die van hun autochtone leeftijdgenoten. En de eerste asielzoekers, de Hongaren in 1956, zijn als "probleem' allang vergeten. Ze zijn Nederlander geworden, of teruggegaan - ook dat element blijft de laatste tijd in de discussie veelal onvermeld: vooral vluchtelingen, maar ook arbeidsmigranten, verlaten Nederland relatief vaak zodra de situatie in hun land van herkomst in economisch en politiek opzicht op orde raakt. Het is niet alleen met de gastarbeiders uit Spanje en Italië in de jaren zeventig en tachtig gebeurd, maar bijvoorbeeld ook met de Chilenen en Argentijnen die medio jaren zeventig naar Nederland vluchtten.

De toenemende aandacht voor allochtonen heeft tot een hoge produktie van beleid geleid. Deskundigen trekken de zin ervan in twijfel: migratie is immers nauwelijks voorspelbaar, laat staan hanteerbaar. En Nederland is nu eenmaal een land dat mondiaal gezien relatief veel immigratie aantrekt. Hier wonen meer mensen die in het buitenland zijn geboren dan in de Verenigde Staten: in Nederland 9 procent, daar 8 procent. Per hoofd van de bevolking - verhoudingsgewijs - komen in Nederland dus per jaar meer immigranten binnen dan in de VS.

Ieder jaar melden zich gemiddeld 100.000 immigranten aan de landsgrenzen. In 1992 waren het er 115.000. Hooguit twintig procent van zo'n stroom is enigszins via beleid te be¨nvloeden. Dat zijn de mensen van buiten de EG die hier komen werken of studeren. De andere immigranten - vorig jaar 30.000 Nederlandse staatsburgers die uit het buitenland terugkeerden, 5.000 Nederlanders uit de Antillen of Aruba, 20.000 EG-inwoners, 20.000 door gezinshereniging, 20.000 asielzoekers - vallen buiten iedere beperkende regeling. ""De discussie van de laatste tijd'', zegt prof. dr. R. Penninx, hoogleraar etnische studies in Amsterdam en in de jaren zeventig ontwerper van het eerste nationale minderhedenbeleid, ""heeft de pretentie dat het om een reguleerbaar probleem gaat. Maar er vált eenvoudig weinig aan te doen. Antillianen en Arubanen zijn landgenoten. EG-inwoners mogen hier komen. Gezinshereniging en gezinsvorming zijn een internationaal recht. Dan resteren de asielzoekers, waarvan we nu al 80 à 90 procent geen permanent verblijfsrecht geven. Dus alles wat er verder aan beleid wordt bedacht, heeft hooguit een marginaal effect.''

Bij asielzoekers speelt nog een andere onderbelichte kwestie, zegt prof. dr. H. Entzinger, hoogleraar multi-etnische studies in Utrecht en mede-auteur van het spraakmakende WRR-rapport "Allochtonenbeleid' uit 1989. Een internationale vergelijking leert dat Nederland wat betreft het aantal asielzoekers in Europa een gemiddelde positie inneemt. Er komen er hier relatief minder dan in Duitsland, Zweden en Oostenrijk - de koplopers - maar aanzienlijk meer dan in Frankrijk en Engeland. Voor een deel is dat een kwestie van de vrije keus van de asielzoekers, maar voor een ander deel is dat eenvoudig in het belang van de landen die ze aandoen. ""Waarom krijgt Duitsland zoveel asielzoekers?'', zegt Entzinger. ""In Duitsland worden asielzoekers aan het werk gezet - ze fungeren als een verkapte vorm van arbeidsmigratie, als alternatieve gastarbeiders. Duitsland heeft nu eenmaal een andere bevolkingsopbouw dan wij, waardoor in sommige sectoren van de arbeidsmarkt tekorten bestaan.

Het Duitse VNO heeft er tijdens de discussie over het asielrecht ook op gewezen dat er problemen op de arbeidsmarkt zouden ontstaan als het recht werd ingeperkt. En nog steeds blijkt uit talloze verklaringen van bestuurders dat Duitsland behóefte heeft aan asielzoekers.''

Met de groei van de "migratiedruk' in de wereld kan ook Nederland maar beter kiezen voor een beleid waarbij asielzoekers zo snel mogelijk aan het werk gaan, meent Entzinger. ""De helft van de asielzoekers blijft hier. Vaak vormen ze de crème-de-la-crème van de maatschappij waar ze vandaan komen: sterke, interessante mensen. Maar op dit moment mogen ze nog niet eens afwassen in het asielzoekerscentrum.''

Een andere oplossing is een minder dominante overheid, zegt Entzinger. ""Landen waar het bestuur een kleinere invloed op het maatschappelijk leven heeft, nemen makkelijker migranten op. Wij zijn gefixeerd op de gelijkwaardige behandeling van mensen door de overheid, waardoor er talloze regelingen zijn die ook voor migranten aanspreekbaar zijn. Sterker, er komen steeds meer regelingen die haast exclusief door migranten worden gebruikt. Dat zet het beginsel van solidariteit onder druk: "Zij krijgen alles.' Naarmate een overheid minder van dit soort regelingen heeft, doet dit soort problemen zich minder voor. Ik vind dat daarover meer moet worden nagedacht.''

Dat het opinieklimaat is verhard, niet in de laatste plaats door toedoen van zijn eigen WRR-rapport, vindt Entzinger niet erg, al bestaat het gevaar dat er ""een proces van blaming the victim'' op gang komt. ""Maar als we waren doorgegaan met de problemen niet te benoemen, waardoor ze ook niet gerelativeerd konden worden, zou het er niet beter van zijn geworden. Het door laten sudderen van dit soort problemen is nog gevaarlijker.''

Voorlopig lijkt het erop dat de omineuze beeldvorming rond immigranten in Nederland van de laatste jaren de tolerantie van de Nederlandse bevolking nauwelijks negatief heeft be¨nvloed. Uit onderzoek sinds halverwege de jaren zestig dat het Sociaal en Cultureel Planbureau publiceert, komt naar voren dat de acceptatie van immigranten in de Nederlandse maatschappij zich sinds halverwege de jaren zeventig op een gelijk, relatief hoog niveau bevindt. ""In de jaren zeventig'', zegt Entzinger, ""rond de komst van grote groepen "gastarbeiders', zagen we de tolerantie van zeer hoog (86 procent) naar iets lager (60 procent) dalen. Sindsdien is er niets veranderd. Recent was er nog onderzoek waaruit bleek dat ook onder scholieren de tolerantie volstrekt stabiel blijft. Er is ook wat dat betreft weinig bijzonders aan de hand.''