Toekomstperspectief voor boeren dringend nodig

DEN HAAG, 19 AUG. Van het platteland komen steeds meer alarmerende berichten over agrariërs die in de problemen zitten. Het Landbouw Economisch Instituut verwacht dat er de komende 10 tot 15 jaar 30.000 van de ruim 80.000 zullen verdwijnen. Boeren doen steeds vaker een beroep op de Bijstandswet zoals uit recente cijfers blijkt. Veel boeren raken in psychische problemen omdat ze zich als mislukt beschouwen.

Een gang naar de psychiater en zelfs zelfdodingen zijn geen uitzonderingen meer. In wanhoop wenden boeren zich tot speciaal voor hen ingestelde telefonische hulpdiensten. Dat wil heel wat zeggen, want in het algemeen lopen ze niet met hun problemen te koop. Liever kwijnen ze weg bij de gierput. De Noordbrabantse Christelijke Boerenbond neemt dit najaar twee extra pastorale werkers in dienst om boeren in nood van geestelijke bijstand te voorzien.

Boeren of hun vrouwen doen steeds meer een beroep op de arbeidsmarkt om het inkomen nog enigszins op peil te houden: zakken sjouwen in de haven, terug naar een vroegere baan in een winkel of in de verpleging. Het eigen uitzendbureau van de Zuidelijke Landbouwmaatschappij in Goes moest de aanname van gegadigden stoppen omdat het aantal beschikbare bijbanen ver achterblijft bij deze sterk gestegen belangstelling.

Boeren hebben altijd de neiging om de klagen. Is het niet over het weer dan is het over de slechte prijzen voor aardappelen of varkens. Of ze schelden op de overheid omdat die hun te weinig tegemoet zou komen met inkomenscompenserende maatregelen. Doordat ze jarenlang via EG-subsidies op veel van hun produkten verzekerd waren van afzet en inkomen, werden ze een beetje een verwend volkje. Nu valt er kennelijk veel minder te lachen, of het moest het lachen zijn van de boer met kiespijn.

De heftige acties in de winter van 1990 toen ze, omdat de EG flink het mes zette in de subsidies voor de granen, met hun tractoren delen van de samenleving stil legden, liggen nog vers in het geheugen. Maar wie tegenwoordig met boeren praat ziet nauwelijks meer iets terug van die strijdvaardigheid. Eerder van moedeloosheid.

Voor een deel is de crisis, zeggen ze, te wijten aan de investeringen die ze moeten doen om milieuvriendelijker te werken. Voor een ander deel aan prijsbederf door overproduktie. Verder door de vermindering van de EG-subsidies op de zogenoemde marktordeningsprodukten: granen, suiker, rundvlees, magere melkpoeder en boter. Dat heeft weliswaar het grote voordeel gehad dat de tot genante hoogte gestegen graan- en boterbergen wat zijn afgenomen, maar daardoor stortten veel boeren met de berg mee naar beneden. Er wordt steeds harder geroepen om contingentering, een produktieregerend middel dat bij de melkproduktie (superheffing op teveel geproduceerde melk) zó effectief blijkt te werken dat de melkveehouderij nu de enige bedrijfssector zou zijn waarin nog wat te verdienen valt.

Op de markt voor land- en tuinbouwprodukten doet zich het zogenoemde verdringingseffect voor. Boeren proberen met de teelt van andere produkten het hoofd boven water te houden. Maar daardoor ontstaat er aan die produkten weer een overaanbod met de daarop onvermijdelijk volgende prijsval. Hetzelfde is het geval bij de varkensproduktie: toen de prijs goed was, zijn er steeds meer varkens bijgekomen. Nu zit men met een overproduktie. De importstop begin dit jaar wegens de vermeende blaasjesziekte deed de rest.

De technologische ontwikkeling is niet vóór de poorten van de landbouwhoeven tot staan gebracht; de van oudsher als enigszins conservatief bekende staande beroepsgroep heeft zich voorzien van de modernste machines, puike gewassen en van steeds betere meststoffen en pesticiden waardoor de produktiviteit per hectare aanzienlijk is gestegen. Maar ook dàt leidt weer tot overproduktie en prijsval. Op de EG-markt ziet men het verdringingseffect op grotere schaal. Franse boeren die doorgaans over grotere landerijen beschikken hebben zich op de aardappelteelt geworpen. De gigantische agrarische bedrijven in het voormalige Oostblok verdringen de Westeuropese produkten.

Zoals dat in andere bedrijfstakken altijd heeft gegolden, zullen óók de boeren gewend moeten raken aan de vrije werking van vraag en aanbod met alle gevolgen van dien. Dat alles zal voor Nederland betekenen dat waarschijnlijk duizenden bedrijven zullen moeten sluiten. Dat zal dan gaan via de weg van de koude sanering. Beter ware het volgens de boeren dat er een warme sanering plaatsheeft. Dat wil zeggen dat er overheidsfondsen beschikbaar komen om de individuele gevolgen van de bedrijfssluitingen op te vangen.

Bedrijfssluitingen betekenen overigens nog lang niet dat daarmee de produktie ook zal worden teruggebracht. De bedrijven worden door anderen gekocht. Dat zal leiden tot schaalvergroting: of wel: de rijken rijker, de armen armer. De boeren voelen zich tegenwoordig de schlemielen van de Nederlandse samenleving. De secretaris van de Zuidelijke Landbouwmaatschappij in Goes zei maandag in deze krant dat de milieugroeperingen tot de gevestigde orde zijn gaan behoren en de boeren tot de actiegroepen. Telkens als de televisie het agrarische milieuprobleem in beeld brengt met een strontsproeiende mestkar, stijgt bij velen hunner het adrenalinegehalte aanzienlijk. Gedeeltelijk is dat gerechtvaardigd, immers de sproeiende strontkar is meestal al lang vervangen door ingenieuze mestinjecteurs of zodenbemesters.

Daarmee is tegelijk aangetoond dat op het boerenland - zij het meer gedwongen dan instemmend - echt wel de nodige moeite wordt gedaan om aan de steeds scherpere milieueisen te voldoen. Steeds meer boeren investeren in stallen die minder ammoniak verliezen. Of ze gaan over op vormen van meer duurzame landbouw. Dat wil zeggen dat ze minder gaan werken met landbouwgif. Het gebruik daarvan kan, zo is uit onderzoek gebleken, in het algemeen gemakkelijk tot 10 à 15 procent worden teruggebracht zonder dat het de oogst kwaad doet. De aanzet is er, maar op nog zéér gescheiden schaal. Op nog slechts 1 tot 2 procent van het Zeeuwse akkerbouwareaal wordt thans op die manier tarwe (Vlegel) verbouwd voor brood.

Even bescheiden nog is de overschakeling op zogenoemde agrificatie. Dat wil zeggen agrarische grondstoffen gebruiken voor andere dan voedingmiddelen: voor biobrandstof of bioplastic en voor verf, farmaceutica en cosmetica. De gevolgen van de malaise zullen zich niet beperken tot de boeren alleen. Alles op het platteland hangt aan elkaar vast: de veevoederfabrieken, de melk- en vleesverwerkende industrie en het bankwezen (Rabo). Ingrepen op de ene plaats leiden onherroepelijk tot gevolgen op de andere.

Niet alleen het boerenfront maar ook het spreekwoordelijke "groene front' wankelt. De boeren hebben de indruk dat hun "eigen' minister Bukman zich steeds meer voegt naar zijn collega Alders van Milieu. Zelfs wordt de vraag gesteld of er sowieso nog een landbouwbeleid bestaat. Ook al zou men de boeren een minder warm hart toedragen, een toekomstperspectief dient nodig geschetst te worden. Want met het verdwijnen van steeds meer boeren zal ook het platteland van Nederland aanzienlijk van aanzien veranderen en die ontwikkeling kan men maar beter niet op haar beloop laten. Bovendien zou het geheel afstoten van de landbouw Nederland wel eens lelijk kunnen opbreken in tijden van nood en niet te vergeten een zeer gevoelige aderlating betekenen in het bruto nationaal produkt als wel op de handelsbalans.