Geroezemoes in de refter van Rolduc

Tot begin dit jaar dr. J.M. Gijsen wegens ziekte het bisschopsambt neerlegde werd zijn orthodoxe kweekvijver van nieuwe priesters in het monumentale complex van Rolduc (gemeente Kerkrade) gemeden door rooms-katholieke geestelijken die van een meer verlichte richting waren. Alsof een klamme deken is weggehaald ademt Rolduc weer vrij. Priesters die er hun opleiding volgden, maken er nu weer onbezwaard hun nostalgische uitstapjes heen en vertellen met weemoed over de mooie jaren die ze er als broekemannetjes doorbrachten. Over de chambretten op eindeloze slaapzalen, over de strenge discipline, over de Kleine Zusters van St. Joseph die er de huishoudelijke diensten verrichtten. En over de zondagse uitstapjes. Zelfs als ze in Kerkrade woonden, mochten ze tijdens zo'n wandeling hun ouderlijk huis slechts even binnenwippen om er een appel te halen om terstond daarna weer onder de jurisdictie van hun begeleiders te vallen.

In het laatste oorlogsjaar, toen de Amerikanen bezit namen van Rolduc, moesten de oudere priesterstudenten de wacht houden aan de poorten tegen potentiële Duitse indringers. De grens loopt immers vlak achter het bos en achter het voetbalveld, dat al gedraineerd was voordat daarvan elders nog maar in de verste verte sprake was. Geld heeft er altijd genoeg gezeten in deze roomse veste.

Bij de hoofdingang staat het standbeeld van d'r Sjang (Derix), die er meer dan 50 jaar portier was. Uit de ramen van de enorme gebouwen klinken de tonen van violen, cello's en piano's. In de tuinen, die aan die van Versailles doen denken, zijn een man en een vrouw in een diepzinnig gesprek verwikkeld. De fruitbomen in de bongerd dragen bijna rijpe appels en peren. In de refter, waar deelnemers aan het inmiddels afgesloten Orlando Festival voor klassieke muziek koffie drinken, is het een geroezemoes van jewelste.

Vanuit die refter heeft men uitzicht op een beeldhouwwerk in een binnentuin. Het bestaat uit een varken, dat met de poten tegen een pilaar opstaat en kijkt naar een kraai die hoog en onaantastbaar op een sokkel zit. Het zijn de kuusj (het Limburgs voor varken waarmee de priesterstudenten-surveillanten vroeger werden aangeduid) en de kraai, die de gewijde priesters voorstelt: het ideaal waarvan de kuusjen dan nog slechts dromen.

Rolduc is van oorsprong een abdij. Ze werd in de tiende eeuw gesticht op de plek waar eerder Ailbertus van Antoing zich als kluizenaar had gevestigd. De stoffelijke resten van Ailbertus liggen in een sarcofaag in de crypte van de kerk: men kan er door de ruitjes respectievelijk zijn schedel, zijn borstkast en de botten van zijn benen zien. In de crypte wordt elke dag de rozenkrans gebeden. Daarvoor kan men in een schrift intenties opgeven: “Laat het vrede worden in Bosnië.”

In de buurt van Rolduc werd in de twaalfde eeuw al aan steenkolenwinning gedaan: het carboon kwam hier in het dal van het riviertje de Worm aan het oppervlak zodat er geen schachten hoefden te worden gebouwd. In het complex is daarom ook het Mijnmuseum gevestigd. Aan dat mijnmuseum raakte ik mijn hart kwijt toen ik er in mei van dit jaar mijn boek over het verdwijnen van de Europese mijnindustrie (De laatste gang geheten) mocht presenteren en sindsdien heeft ook héél Rolduc me in zijn ban gekregen met zijn magnifieke tuinen, zijn gewijde rust, zijn serene stilte, zijn imposante gebouwen. Vandaar dat ik er onlangs een excursie heen maakte onder leiding van een emeritus-pastoor die hier op het klein-seminarie zat. (Het groot-seminarie was gevestigd in Roermond).

Pas in de zeventiende eeuw werden aan de abdijkerk de vleugels gebouwd van het klooster. Dat gebeurde onder abt Van der Steghe. Het gaat om de voorbouw, in Maaslandse Renaissancestijl. Later verrezen nog weer andere vleugels. Dat alles op een plateau boven het dal van de Worm: verheven boven de alledaagsheid. In het zuidelijke deel is de bibliotheek gevestigd met een rijk versierd gewelf in laat-achttiende eeuwse stijl.

Aanvankelijk waren in deze eeuw een HBS en gymnasium in Rolduc gevestigd. De leerlingen waren intern. Onder hen veel latere priesterstudenten. De oud-leerlingen noemen zich nog altijd chic de Rolduciens. Pas in 1946 kwam er een klein-seminarie in wat nog altijd Klein-Rolduc heet. De HBS verdween en alleen het gymnasium bleef over; dat heeft nu een streekfunctie. Het internaat werd in 1970 opgeheven. Daarna kreeg Rolduc zijn huidige bestemming als congrescentrum.

In 1973 vestigde mgr. Gijsen er zijn veelbesproken seminarie voor priesters. Rolduc valt weliswaar onder een eigen kerkelijke rechstpersoon, maar de bisschop heeft er toch het laatste woord. Het seminarie was Gijsens antwoord op de door hem veel te progressief geachte priesteropleiding aan de Hogeschool voor theologie en pastoraat in Heerlen. Priesterstudenten die van deze hogeschool afkomstig waren, werden niet door Gijsen gewijd en moesten buiten het bisdom hun heil zoeken. Het eigen seminarie daarentegen werd ruimhartig financieel gesteund; niet alleen door het penningske van de weduwe maar ook door de royale gaven van rijke roomsen, die vaak hun erfenis of een deel daarvan aan hem legateerden.

Het complex ademt nog altijd die sfeer van rijkdom. Bij de restauratie, die niet zo lang geleden werd voltooid, lijkt men niet op een dubbeltje te hebben gekeken: alles zit goed in de verf, de parketvloeren blinken als spiegels, de diverse zalen zijn rijkelijk gemeubileerd; de herengang waarop de kamers uitkomen waar vroeger de seminarie-professoren woonden, straalt van voornaamheid en degelijkheid. Dat geldt ook voor de bisschopskamer.

Het was ook mgr. Gijsen die, tegen de zin in van de directie van Rolduc, er het Internationaal Kerkelijk Academisch Instituut Medo voor huwelijk en gezin in vestigde. Medo staat voor Mater Ecclesiae Domesticae. Het is een op conservatieve leest geschoeide instelling, waar toekomstige priesters wordt geleerd hoe ze de afbrokkelende gezinsmoraal moeten pareren. Op Gijsens uitdrukkelijk bevel werd het instituut gevestigd in het midden van de hoofdbouw om aldus een symbool te zijn van zijn onverzettelijke strijd tegen het verval van de kerk. Nu Gijsen weg is en de geldstroom dreigt op te drogen vragen velen zich of de toekomst van Rolduc nog wel even welvarend zal zijn.

    • Max Paumen