Indonesische politie botst met sekte "Gele Bamboe'

MAJALENGKA (WEST-JAVA), 13 AUG. Op de plaats des onheils is de rust weergekeerd. De plek stemt sereen: cassavetuintjes en vergeelde sawahs in een kleine vallei aan de voet van de Ciremai. De vulkaan verbergt zijn top in het laaghangende wolkendek en het is drukkend heet. Toch heeft het onheil sporen nagelaten: de verkoolde resten van vier bamboe hutten, bewaakt door een soldaat van de Westjavaanse Siliwangi Divisie en een handjevol politiemannen. Dit was de behuizing van Abdul Manan (27), zijn familieleden en vrienden. Hier hadden zij zich afgezonderd voor een bestaan van werken en bidden, dat vorige maand abrupt werd beëindigd in een bloedige botsing met de politie.

Op vrijdag 30 juli verschenen de eerste berichten in de pers. In Gunung Seureuh, een gehucht in het regentschap Majalengka, zouden aanhangers van een "dwaalleer' de plaatselijke politiechef hebben gedood en een agent hebben verwond toen zij een lid van de “sekte” kwamen inrekenen die werd verdacht van geweldpleging. Daarop ging de politie tot actie over. De groep verweerde zich met “steekwapens” en in die schermutseling werden vier sekteleden doodgeschoten en raakten vijftien gewond.

Volgens de Afdeling Geloofsrichtingen van het parket in Bandung, de hoofdstad van West-Java, gaat het om de sekte Haur Koneng (Soendanees voor Gele Bamboe), die een "verwrongen versie' van de islam zou aanhangen. Hun godsdienstige praktijk zou bestaan uit het eindeloos reciteren van de islamitische geloofsbelijdenis ("Er is geen God dan God en Mohammed is zijn gezondene'), de takbir ("God is groot') en het eerste hoofdstuk van de Koran. De groep zou zijn naam ontlenen aan de bamboe stokken waarmee de leden rondlopen. Die zouden dienst doen als wapens en als jimat, magische voorwerpen waaraan de groep onkwetsbaarheid denkt te ontlenen.

Lang haar

Het sekte-profiel van het parket vermeldt bovendien dat de mannelijke groepsleden lang haar en baarden dragen. De groep zou alle “niet-goddelijke” instellingen, zoals regering en gezin, afwijzen en zowel identiteitsbewijzen, schoolbezoek van de kinderen als betaling van grondbelasting weigeren. De groep zou leden werven in de buurt; kinderen die zich aansluiten, worden opgezet tegen hun ouders. Volgens het hoofd van de nationale politie in Jakarta “hield de groep duistere bijeenkomsten onder de dekmantel van het geloof”. Generaal Feisal Tanjung, chef-staf van de strijdkrachten, rekende hen desgevraagd tot “de groepen die het niet eens zijn met de regering”. De verhalen uit de overheidsburelen in Jakarta en Bandung suggereren een geval van islamitische subversie in de binnenlanden van West-Java.

In Majalengka, de hoofdstad van het regentschap verneem ik dat Abdul Manan, de leider van de groep, die tijdens het handgemeen zware schotwonden opliep in de borst, in het ziekenhuis is gestorven. Omdat niemand zijn lichaam opeiste, werd hij begraven in de tuin achter het ziekenhuis.

Op het hoofdbureau van politie staat luitenant-kolonel Mochtar Djunaeni, die leiding gaf aan de "operatie', me te woord. Abdul Manan, vertelt de politiechef, is zelf geboren in de kampong Gunung Seureuh, maar was jaren weg. Die bracht hij door aan verschillende islamitische internaten in West-Java, waar hij godsdienstonderricht volgde. Toen hij vorig jaar terugkwam, vestigde hij zich met zijn moeder, zijn twee vrouwen en een aantal andere familieleden aan de rand van de kampong, waar zij de grond bewerkten, de Koran reciteerden en zich afzonderden van de plaatselijke bevolking. Zij deden niet mee aan de volkstelling en het kampong-hoofd verzocht hen zich te laten registreren. De groep beschouwde dit als een inbreuk op hun kluizenaarsbestaan en reageerde vijandig. Een en ander draaide uit op een handgemeen, waarbij het kampong-hoofd klappen kreeg van een groepslid.

Luitenant-kolonel Djunaeni: “Het hoofd deed aangifte bij de politie en toen moesten wij stappen ondernemen. Degene die werd verdacht van geweldpleging is tot driemaal toe opgeroepen zich te melden, maar dat verzoek werd in de wind geslagen. Toen heb ik een van Abdul Manans voormalige godsdienstleraren, kiai (schriftgeleerde) Sambas, om hulp gevraagd. Hij heeft Manan twee brieven geschreven, waarin hij zijn oud-leerling opriep mee te werken met de autoriteiten. Toen ook dat niet hielp, besloten we op te treden.” De politie in Majalengka had intussen van het parket in Bandung vernomen dat men hier te maken had met gevaarlijk volk en rukte op woensdag 28 juli uit: plaatselijke agenten, een eenheid van de Mobiele Brigade uitgerust met traangasgranaten en, "als reserve', twee vrachtwagens met soldaten van de Siliwangi Divisie. Een forse legermacht gezien de getalssterkte van "de vijand': twintig mensen - elf volwassen mannen, die alleen beschikten over primitieve landbouwwerktuigen, en verder vrouwen en kinderen. Eenmaal aangekomen bij de nederzetting, riep Djunaeni Abdul Manan op om de verdachte over te dragen aan de politie. “Manan riep terug: dan nog liever dood”, vertelt de politie-officier, “iedereen die dichterbij kwam dan twintig meter zou hij als een indringer beschouwen.” Een politie-sergeant liep samen met een agent op de hutten af, maar vond de mannelijke groepsleden, bewapend met kapmessen, sikkels en stokken tegenover zich. Hij maakte rechtsomkeert, struikelde, werd overweldigd door Manans volgelingen en bezweek enkele uren later aan slag- en steekwonden. De agent liep zwaar letsel op. Djunaeni: “Mijn mannen voelden zich bedreigd en openden het vuur met hun dienstrevolvers.” De Mobiele Brigade bestookte de nederzetting met traangasgranaten. Niet lang daarna vloog de hut van Manan in brand. Volgens de politie had hij het vuur zelf aangestoken “om belastend materiaal te vernietigen”, maar omstanders reppen van een door de sterke arm geworpen Molotov-cocktail.

Daarop dreef de politie de naar buiten gevluchte mannen, vrouwen en kinderen van de groep uiteen met lange bamboestokken. Er vielen opnieuw schoten. Manan werd getroffen door een salvo in de borst. Twee groepsleden overleden ter plaatse; de overige zestien werden ingerekend. Twee jongemannen wisten te ontkomen. Bijna alle arrestanten waren gewond, maar medisch personeel of een ambulance waren niet voorhanden. Negen zwaar gewonde groepsleden, onder wie Manan, zijn moeder en een van zijn echtgenotes, werden opgenomen in het ziekenhuis van Majalengka. Daar overleden Manan en een van zijn mannelijke volgelingen aan hun verwondingen, wat het aantal doden op vijf bracht. Zeven licht gewonde arrestanten, onder wie twee kinderen, werden vastgezet in het plaatselijke politiebureau. Djunaeni toont me het in beslag genomen "bewijsmateriaal': een hak, twee kapmessen, een bamboe dolk, een aantal stokken, opgerolde stukjes papier met handgeschreven spreuken, die de groepsleden als amulet om de hals droegen, en een oude koffer met daarin de halfverkoolde resten van een Koran.

Staatsgevaarlijk

Was Manan echt zo staatsgevaarlijk als de autoriteiten doen voorkomen en zo ja, waar had hij zijn denkbeelden vandaan?

Op een uur rijden van Majalengka, aan de oostelijke helling van de Ciremai, ligt de desa Cilimus. Navraag leert dat "kiai' Sambas zijn levensavond slijt in een huisje buiten het dorp. Na een wandeling in de schemering over smalle dijkjes tussen sawahs vind ik de oude man in gezelschap van zijn kinderen en kleinkinderen. De familie is gealarmeerd door het bericht dat grootvader op zaterdag 31 juli werd gesommeerd te verschijnen op het politiebureau van het district. Daar werd hij verhoord door niemand minder dan majoor-generaal Rukman Samirudin, de politiechef van West-Java, die helemaal uit Bandung was gekomen om de zaak "Gele Bamboe' uit te zoeken.

Kiai Sambas is hoogbejaard en niet meer helemaal van deze wereld. Hij herinnert zich Abdul Manan als een onopvallende leerling van zijn pesantren (islamitisch internaat), die op religieuze hoogtijdagen nog wel eens een beleefdheidsbezoek aflegde aan zijn oude meester. De kiai beweert dat er tijdens zijn lessen nooit een regeringsvijandig woord is gevallen. De ware gelovige heeft ook de wereldlijke overheid te respecteren, vindt Sambas, en dat beginsel indachtig schreef hij Manan te buigen voor het gezag.

De volgende morgen rij ik via de districtshoofdplaats Bantarujeg, waar een aantal leden van de groep-Manan vastzit, het dal in van de Cisaribu, de beek waaruit hun cassavetuintjes werden bevloeid.

Ter plekke bezigt niemand de naam "Haur Koneng' en dorpsgenoten herkennen in het profiel van de sekte-expert in Bandung weinig van hun zonderlinge buren. Men herinnert zich niet dat Manans mannen rondliepen met bamboe stokken, alleen dat zij baarden droegen en hoofdbanden om hun lange haar. Buren bevestigen wel dat Manans commune elk contact met de omgeving meed. Het dorpshoofd, Nurhamad, meent dat hun praktijken geen "religieuze dwaling' kunnen worden genoemd. “Zij bedreven een eigen vorm van tarekat (mystiek)”, zegt hij. Nurhamad ontkent dat zij volgelingen recruteerden onder omwonenden. Niemand uit de buurt was toegetreden tot de groep, die hoofdzakelijk bestond uit Manans familieleden. Van hun vermeende "onkwetsbaarheid' heeft nog nooit iemand gehoord.

Onlangs citeerde het weekblad DeTIK een leraar uit Bandung die in de jaren zeventig les gaf in het district Bantarujeg. Hij herinnert zich dat daar destijds een sekte actief was die Haur Koneng heette, rituele vechtsport bedreef en zich onoverwinnelijk waande dank zij de vermeende magische kracht van hun bamboe stokken. Sindsdien zou die groep zijn verdwenen. Het begint er op te lijken dat de autoriteiten de fanatici van Haur Koneng hebben verward met Manans mystieke familie, die koos voor afzondering om zich te kunnen wijden aan het contact met God. De politiepsycholoog van Majalengka, die Manan voor zijn dood interviewde, verbaast zich over diens gewelddadige einde. “Hij leek me iemand die zijn geloof heel serieus nam, eigenlijk een goed mens. Voor hij stierf sprak hij zijn spijt uit over het gebeurde en verzuchtte: ik wilde alleen met rust gelaten worden.”

Nerveus

Opnieuw blijkt hoe nerveus de Indonesische autoriteiten reageren op "afwijkend religieus gedrag' onder de grootste moslim-gemeenschap ter wereld. In het bewustzijn van de militairen waart nog steeds het spook rond van de Darul Islam, de beweging van imam S.M. Kartosuwirjo, die in de jaren veertig en vijftig in West-Java met de wapenen streed voor een islamitische staat. Dat spook stak in de jaren tachtig opnieuw de kop op toen van hun land verdreven boeren in Lampung, Zuid-Sumatra, luisterden naar de fanatieke moslim-prediker Warsidi, die hen aanzette tot de moord op een officier. Soortgelijke "profeten' preekten verzet onder het proletariaat van de havenstad Tanjung Priok, wat in 1984 aanleiding gaf tot uitzinnig militair geweld tegen hun volgelingen. Een andere imam zette zijn fundamentalistische volgelingen in 1981 aan tot kaping van een Garuda-vliegtuig op de luchthaven van Bangkok.

De voorzitter van de doorgaans gezagsgetrouwe Indonesische Raad van Ulama's (schriftgeleerden), Hasan Basri, liet zich ongewoon kritisch uit over het harde politie-optreden tegen de groep van Gunung Seureuh. “Het waren slechts eenvoudige mystici, die van het geloof niet zoveel begrepen hadden”, aldus Basri, “deze gewelddadige aanpak van de politie betreur ik; men had hen beter een tijdje met rust kunnen laten.” Een andere, wat liberaler religieuze voorman, Abdurrachman Wahid, de voorzitter van Indonesiës grootste moslimorganisatie, Nahdlatul Ulama, stak de hand in eigen boezem. “De opkomst van sektes wordt veroorzaakt door het onvermogen van grote religies om een antwoord te geven op de uitdagingen van deze tijd. En in ons land gaat het vooral om overbrugging van de kloof tussen arm en rijk. Ulama's bekommeren zich te weinig om het lot van de armen en richten zich te veel naar de regering.”

Intussen is "Gele Bamboe' met terugwerkende kracht gecriminaliseerd. Vorige week besloot de procureur van Majalengka om de groep officieel te verbieden.

    • Dirk Vlasblom