Schokgolf bij Eper politie na aangifte van verkrachtingen

ROTTERDAM, 4 AUG. “De trein dendert maar door. Wanneer houdt dit op”, vraagt de woordvoerder van de regiopolitie in Noord- en Oost-Gelderland. De jongste ontwikkeling in de geruchtmakende Eper incestzaak heeft een schokgolf teweeggebracht in dit Veluwse politiekorps. Burgemeester Ch. de Loor van Epe heeft maandag vier agenten op non-actief gesteld nadat een van de incestslachtoffers, de 25-jarige Jolanda, aangifte heeft gedaan van verkrachting door de politiemensen tussen '80 en '83.

De burgemeester heeft gisteren onderstreept dat de agenten niet als verdachten mogen worden aangemerkt. De Algemene Christelijke Politiebond (ACP) heeft niettemin verontwaardigd gereageerd op het besluit. Voorzitter P. Kruizinga van de ACP spreekt van een “laffe manier van doen”. Hij meent dat de agenten blijvend zijn gestigmatiseerd en stelt dat een tijdelijke overplaatsing de voorkeur had verdiend. De ACP maakte begin deze week na een onderzoek al bekend dat politiemensen doorgaans te snel en in eenderde van de gevallen zelfs ten onrechte worden geschorst.

De Loor zegt “in normale omstandigheden” overplaatsing ook te hebben geprefereerd. “Maar ik werd overruled door de pers, toen ons werd meegedeeld dat er een publikatie zou komen over de aangifte tegen de agenten. In Amsterdam zou je ze gedurende het onderzoek ergens in een archief kunnen verstoppen. Maar in deze kleine gemeente, met 44 agenten, is dat niet mogelijk.”

Kruizinga: “Die burgemeester zegt in feite: ik slachtoffer ze op het altaar van de publieke opinie, ik laat me door journalisten chanteren.” Hij verwijst in dit verband naar het “flinke optreden” van de burgemeester van Venlo in de recente zaak-Köksal, waarbij een Turkse man aan een hersenbloeding overleed na arrestatie en mishandeling door politieagenten. De burgemeester nam pas maatregelen toen de rijksrecherche het onderzoek had afgesloten.

Volgens de aangifte van slachtoffer Jolanda zouden twee rechercheurs van de zedenpolitie haar in 1980, toen ze op aandringen van haar schoolhoofd melding maakte van jarenlang seksueel misbruik, in een verhoorkamer hebben verkracht. Toen het onderzoek op niets uitliep, zou de chef zedenpolitie de ouders thuis hebben bezocht en met toestemming van de ouders als "klant' aan huis zijn gekomen tussen 1980 en 1983. Later had hij ook collega's meegenomen. Een van de vier agenten was een kennis van de vader, en was zo bij de zaak betrokken geraakt.

Pag.3: "Valse aangifte komt zelden voor'

De Eper incestzaak leek in 1991 afgesloten met de veroordeling van de vader, de moeder, een broer, een kennis en een kostganger van het gezin, met wie Jolanda onder dwang was getrouwd. In het proces kwam vast te staan dat Jolanda, evenals haar zus, vanaf haar achtste jaar op steeds sadistischer wijze seksueel was misbruikt door familieleden en kennissen. Bij weigering werden de kinderen onder meer gedwongen urine en uitwerpselen in te slikken of werden ze met blote billen op een hete kachel gezet. Later werden de meisjes ook gedwongen tegen betaling seksuele diensten te verlenen aan buitenstaanders. In de zaak vielen indertijd straffen van twee tot zeven jaar.

Bij de rechtzaak in 1991 suggeerde de raadsman van de slachtoffers al dat de politie informatie achterhield. Jolanda zei dat ze “de beerput stukje bij beetje open zou doen”. Achteraf blijkt dat Jolanda indertijd tijdens verhoren al beschuldigingen tegen de politiemensen heeft geuit.

Duidelijk is op dit moment dat Jolanda omstreeks 1980 aangifte heeft gedaan van seksueel misbruik. Het daarop volgende onderzoek werd gestaakt omdat werd vermoed dat het om een valse aangifte ging. Burgemeester De Loor: “Het is treurig dat er toen nog de houding was van: dit is zo fantastisch, dit zal wel niet waar zijn. De kentering in het denken over incest is bij de politie pas midden jaren tachtig gekomen.” Jolanda zegt eerder over de zaak te hebben gezwegen, onder meer omdat ze vreesde dat de aangifte door de oude chef zedenpolitie, op dat moment plaatsvervangend commandant, in behandeling zou worden genomen.

In juni dit jaar werd het onderzoek naar de Eper incestzaak heropend, nadat eerst Jolanda en een week later ook haar oudere zuster aangifte deden van illegale abortus en het doden van pasgeboren kinderen. De politie stelde een onderzoeksteam van negen man samen, waarna verdachten die hun straf al hadden uitgezeten, onder wie de moeder en de ex-man, weer in bewaring werden genomen. Er volgden gedeeltelijke bekentenissen en een mislukte zoekactie naar babylijkjes. Begin juli werden twee inwoners van het naburige Vaassen gearresteerd, onder meer op verdenking van betrokkenheid bij de illegale abortussen. Daarna volgde nog een 28-jarige inwoner van Apeldoorn. Vorige week kwam ten slotte de aangifte tegen de vier agenten. Jolanda zegt vandaag in het Algemeen Dagblad meer namen te zullen noemen.

Volgens prof.dr. J. Frenken, hoogleraar seksuologie Leiden en getuige-deskundigen in onder meer de geruchtmakende Maurikse incestzaak, is het zeer gebruikelijk dat bij incestzaken aangiftes er stukje bij beetje uitkomen. Frenken is niet direct betrokken bij de Eper affaire. “Mijn eerste reactie is: hoe is het mogelijk dat agenten dit doen. Ze weten hoe flagrant strafbaar dit is op basis van artikel 249, het is wel het laatste dat je als agent verzint. Elke rechter geeft ze de maximale straf van zes jaar als dit klopt. Ik ken politiebureaus van binnen en buiten. Het zijn bijenkorven, zoiets als verkrachting in een gehoorkamer hou je moeilijk geheim. Maar ik heb gekkere dingen meegemaakt.”

Frenken zegt dat valse aangiftes van seksueel misbruik zeer zeldzaam zijn. “Wel kan het voorkomen dat een slachtoffer onder druk staat. Soms kan zich een hele stoet hulpverleners over een meisje buigen, die onderling een competentiestrijd uitvechten: wie krijgt het meest te horen? Een heel enkele keer krijgt een incestverhaal steeds meer bizarre trekken, komen er steeds meer verdachten bij. Uit eigen ervaring herinner ik me het geval van een meisje dat op een gegeven moment vertelde dat een man haar dwong een dunne ijzeren staaf in zijn penis in te brengen. In dat geval gaf het meisje toen toe dat ze er dingen bij had verzonnen, omdat ze hoopte dat de straffen dan zwaarder zouden worden.”

C. van Lichtenburg, die over incest publiceerde en er les over gaf aan de politieschool in Utrecht, zegt: “Het eerste wat je in de hulpverlening bij incestslachtoffers leert is alert te zijn op je eigen vooroordelen. Zelf heb ik ook verklaringen gehoord waar mijn verstand bij stilstond, maar waar later wel bekentenissen op volgden. In de Eper affaire geldt dat ook. Jolanda heeft tot dusver betrouwbare dingen gezegd.” Van Lichtenburg: “In dit geval kan de omvang van het misbruik een rol spelen. Daardoor is de angst om niet geloofd te worden, de schaamte ook, veel groter. Naarmate ze meer vertrouwensmensen om zich heen krijgt, krijgt ze meer zekerheid. Hoe serieuzer ze wordt genomen, des te meer komt er uit.”