Met zijn bedrijf gaat ook de boer ten onder

Voor menig boerengezin zijn de tijden hard, om niet te zeggen uitzichtloos. Vele duizenden boeren zullen de komende jaren moeten verdwijnen. Vaak is het nog net geen armoe maar achter de gordijnen is veel opgekropte ellende.

In 1965 hadden ze zich als ware pioniers op de uitgestrekte vlakte van de Flevopolder gevestigd. Omdat hun eigen huis nog niet klaar was, hadden ze een tijdje bij de buurman op de zolder gebivakkeerd. “Je kwam”, zegt de boerin, “met een bepaald ideaal: dat was niet alleen om een bedrijf te beginnen maar ook en vooral om er een florissant bedrijf van te maken.” Maar toen werd ze eind jaren zeventig ernstig ziek en “zakte de heleboel als een kaartenhuis in elkaar”. Haar hulp in de stallen en op het land werd sterk gereduceerd. Haar man moest ineens het werk goeddeels alleen opknappen, omdat de kinderen er toen nog te klein voor waren. Dure hulp van loonwerkers kunnen ze zich gezien de financiële omstandigheden niet veroorloven. “Armoede is het niet, maar een vetpot beslist ook niet”.

Hun areaal is 28 hectare groot. Die hebben ze in erfpacht. Het gaat om een gemengd bedrijf: naast het telen van aardappelen, bieten, uien en wortelen hebben ze ruim zeven hectare grasland, waarop hun veertig melkkoeien grazen. Met de opbrengst van de melk kunnen ze de verliezen die ze op de meeste van hun veldgewassen lijden nog maar zeer gedeeltelijk compenseren. De aardappelen van het vorig oogstseizoen brengen nog maar 8 cent per kilo op, terwijl de kostprijs 13 cent is; de uien 6 cent tegen een kostprijs van een dubbeltje. “We zijn dus behoorlijk aan het interen.” Het gaat hier om conjuncturele problemen, voornamelijk veroorzaakt door weersomstandigheden. Van meer structurele aard zijn de milieuproblemen, die vooral in de intensieve veehouderij (varkens en pluimvee) spelen.

Niet alleen voor dit boerengezin zijn de tijden hard om niet te zeggen uitzichtloos. In een enquête stelde de Vereniging van Nederlandse Gemeenten onlangs vast dat 14.000 van de in totaal 82.000 boerenbedrijven op den duur waarschijnlijk zullen moeten sluiten omdat ze de milieu-investeringen niet kunnen betalen. In Noord-Brabant, zo voorpelde ir. J.B. Kosse van het Consulentschap Landbouw, zal in de komende tien tot vijftien jaar de helft van de bedrijven zijn verdwenen, dat wil zeggen 11.150 van de 22.300. Minder pessimistische voorspellingen spreken van het verdwijnen van 30 procent*.

In de Flevopolder, waar voornamelijk grootschalige boerenbedrijven zijn gevestigd, staan dezer dagen meer dan 50 boerderijen te koop, voornamelijk omdat men de toekomst somber inziet. Het Flevolandse boerengezin ervaart dat “als een teken aan de wand”. Overal om hen heen loert als het ware de dood. Ze kennen de ellende, die ze met veel van hun collega's delen, maar al te goed. “Mensen zijn overspannen geraakt, kwamen terecht in psychiatrische inrichtingen. Als je hoort dat er in Brabant boeren zijn die zich uit wanhoop van het leven beroven dan is dat zeker niet overdreven.” De milieumaatregelen die op hen afkomen en waaraan ze, zeggen ze, geen touw kunnen vastknopen, zouden op hun bedrijf een investering vergen van meer dan 100.000 gulden. “We worden bijna dagelijks op de huid gezeten door de milieuman van het waterschap.” Het spoelwater van de melktank, dat ze totnogtoe met toestemming op het openbaar water mochten lozen, moet nu via een aparte leiding naar de gierput of in een speciaal reservoir worden opgevangen, wat dure investeringen vergt. “Allemaal geld waar we geen cent van terugzien.” Zelfs voor het verharden van een deel van de vloer van hun stal hebben ze het geld niet. Hoewel in het geval van deze Flevolandse boer de zoon van plan is het bedrijf straks over te nemen, zijn er veel jongeren die het gesappel van hun ouders moe zijn en de conclusie hebben getrokken dat ze een ander beroep moeten kiezen. Dat is voor veel ouders niet te verteren. “Ze voelen zich in hun boerentrots gekrenkt. Boer zijn is meer dan een vak; het is een wijze van leven. Een boer voelt zich met al zijn wortels gebonden aan zijn grond, die hij niet graag verlaat. Tot het te laat is en de bank de kraan dichtdraait. Iedereen probeert de ellende zo lang mogelijk binnenshuis te houden, vooral de oudere garde, want die loopt niet graag met zijn sores te koop. Maar je slaat het wel allemaal binnenin je op. Dat kan op den duur niet goed gaan. Dat komt een keer tot een uitbarsting”, aldus de Flevolandse boerin.

Pag.14: Veel ellende achter de gordijnen

Binnen het boerengezin in Flevoland bestaan interne spanningen, die, zeggen ze, verergerd worden door de financiële situatie. De zoon, opgeleid aan de middelbare agrarische school, heeft andere opvattingen over het drijven van de boerderij dan zijn vader. Die is, aldus de zoon, bang om kosten te maken. Zelf werkt de jongen 38 uur in loonsdienst omdat het delen van het inkomen uit de boerderij er niet inzit. “Daarnaast werk ik nog eens even zovele uren op de boerderij zonder dat ik er een cent voor krijg. Het steekt als je ziet hoe vrienden zich van alles kunnen permitteren en je zelf op een houtje moet bijten.” Toch wil hij het bedrijf graag overnemen: “De vrijheid die je als ondernemer hebt, het zakelijk inzicht dat je nodig hebt. Je moet er een beetje optimistisch voor zijn.”

J. Blom, hoofd afdeling Landbouw van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) weerspreekt de cijfers niet. Dat er in Flevoland zoveel boerenbedrijven te koop zouden zijn noemt hij voor dat gebied erg veel, omdat het daar voornamelijk om grootschalige bedrijven gaat, waarvan er dus niet zo veel zijn. Het LEI berekende dat ook zonder milieumaatregelen tot 2000 tussen de 15 en 20 procent van de boerenbedrijven zullen verdwijnen. “Toch ben ik niet pessimistisch over de toekomst. Wij hopen door het geven van goede voorlichting en onderzoek, waarin we altijd sterk zijn geweest, er uit te komen, maar dan spreek ik over de totale sector. Een individuele boer in problemen zal daar niet zoveel aan hebben. Pijn is er onder die mensen zeker. Soms voelen ze zich radeloos door steeds weer nieuwe milieumaatregelen, die ze bijna dagelijks in de media zien aangekondigd. Daardoor wordt hun houding afwachtend of ze zeggen: laat de boel toch barsten.”

Het aantal studenten aan de agrarische hogescholen, zegt directeur mr. J. Latijnhouwers van het samenwerkingsverband hoger agrarisch onderwijs, vertoont tot nog toe geen daling. Wel is er sprake van een verschuiving van opleidingen voor de primaire sector naar vakken als milieu- en bedrijfskunde. “De mensen die boer willen worden gaan na de middelbare opleiding vaker verder met hun studie omdat de situatie in het boerenbedrijf complexer is geworden en men goed beslagen ten ijs wil komen.”

Aan de buitenkant zien de meeste boerderijen er best welvarend uit. Ze liggen vaak riant op een flinke lap grond tussen veel groen. Het machinepark van tractoren, aardappelrooimachines, hooiwagens, melkmachines, computergestuurde voederinstallaties kan een indruk van rijkdom geven. Maar de anderhalf miljoen gulden die een middelgroot bedrijf waard is, zitten vast in materieel, grond en opstallen en brengen bij verkoop weinig geld op. Achter de gordijnen is vooral veel opgekropte ellende, die langzamerhand een uitweg aan het zoeken is.

De SOS telefonische hulpdienst voor agrariërs in Zwolle (038-227740), vorig jaar ingesteld, krijgt vele telefoontjes op een dag. Hulpverlener T. Koldenhof, maatschappelijk werker in de Vut en trainer van de boerinnen die de telefoontjes verwerken, bestrijdt de opvatting dat het laatste taboe in Nederland, dat van het boerenleed, bespreekbaar is gemaakt. “Als je weet dat tussen nu en 2000 er in Nederland duizenden boeren zullen verdwijnen dan zou de telefoon roodgloeiend moeten staan. De nood is weliswaar hoog gestegen, maar praten erover gaat ze nog altijd niet gemakkelijk af. De problemen spelen al jaren, er is alleen nooit over gesproken. De kwestie sleept en sleept en dan wordt het op een dag kennelijk toch te veel en wordt de telefoon gepakt.”

De Noordbrabantse Christelijke Boerenbond NCB, een van de hechtst georganiseerde boerenorganisaties in Nederland, zal in de herfst twee extra pastorale werkers aantrekken die boeren in nood terzijde moeten staan. Veel Brabantse boeren zijn bang dat ze de aanstaande verscherping van de mestnormen niet zullen overleven. In grote delen van de provincie staan dezer dagen protestborden tegen de mestwetgeving, zoals die vanaf 1995 zal worden aangescherpt. In de buurt van Gemert in Oost-Brabant staat op zo'n bord geschreven: “Hoeveel procent geeft u per jaar uit aan het milieu? Deze boer 75 procent”. De aanvragen bij het Sociaal Fonds van de NCB, waarvan de boeren in problemen kleine financiële tegemoetkomingen kunnen krijgen, zag het aantal aanvragen plotseling met sprongen vooruitgaan: tot 1 juli van dit jaar waren het er al 98 tegen 113 in totaal in het voorafgaande jaar. Het fonds wordt gevuld door bijdragen van de boeren zelf. Bij de NCB zijn heel wat van die solidariteitsvoorzieningen zoals Ons Erf voor steun bij bedrijfsbeëindigingen, voor partners van boeren die zelfmoord pleegden, die een kind verloren, voor weduwen en weduwnaren. “In plaats van een geweldig geloof in de vooruitgang”, zegt pastor X. van der Spank van de NCB, “zie je nu steeds meer de vraag gesteld: houden we het nog? Het zijn niet alleen de kleine bedrijfjes die in nood verkeren, maar ook de grotere.”

sier,tm,3, De voornaamste oorzaak van de problemen is het economische, maar ook maatschappelijke problemen beginnen steeds meer een rol te spelen: echtscheidingen, die vroeger in een boerengezin bijna nooit voorkwamen, relatieproblemen, de grootschaligheid, de verzakelijking. Daarnaast speelt zeker een rol dat de boerencultuur steeds meer wordt opengebroken en de mensen dus gemakkelijker hun nood gaan klagen'', aldus Van der Spank.

“Het moment dat ik besliste ermee op te houden kwam veel te laat. Ik dacht: verdomme, ik heb al heel wat meegemaakt, dit zullen we ook wel overleven. Ik vond dat ik moest doorgaan tot het bittere einde.” Maar de vrouw van de nu 39-jarige oud-champignonkweker uit het Brabantse Someren had al er eerder mee willen kappen. Dat is volgens een studie uit 1991 van het Provinciaal Opbouworgaan Noord-Brabant* een vrij normaal beeld: de mannen zijn halstarriger in het zo lang mogelijk overeind houden van hun bedrijf dan de vrouwen. “Het gezin (het echtpaar heeft drie jonge kinderen, red.) begon er onder te lijden. Op het laatst nam ik de telefoon niet meer op toen de afnemers steeds vaker begonnen te klagen over de kwaliteit. Die was niet slechter dan vroeger, maar er was een overaanbod omdat er steeds meer kwekers bijkwamen en dan worden de klanten steeds lastiger”, aldus de Somerense ex-tuindersvrouw.

Al in 1985 waren de problemen begonnen: er was een virusziekte uitgebroken, de prijzen begonnen door het overaanbod te dalen van 2,50 naar 1,50 per kilo. In een jaar tijd was de winst van 100.000 gulden verdwenen. “Het inkomen lag in de jaren daarna ver onder modaal.” Eigenlijk had het bedrijf moeten worden uitgebreid van vier naar zes cellen. Maar de bank gaf er het geld niet meer voor. In februari '91 hakte de champignonkweker de knoop definitief door toen de adviseur van de Sociaal Economische Voorlichting tot de slotsom was gekomen dat het bedrijf niet meer levensvatbaar was en de gemeente weigerde een tijdelijke uitkering te verstrekken om de slechte situatie te overbruggen. Bovendien begonnen de milieumaatregelen steeds meer offers te vragen. In de compost, waarop de champignons worden gekweekt, zit ammioniak. De compost moet voor gebruik worden "uitgezweet' waardoor de ammoniak in de lucht terechtkomt, tenzij men er voorzieningen voor treft. Maar die kosten handenvol geld. Hij had weliswaar op "doorgegroeide compost' kunnen overgaan, maar, zegt hij: “Dat was voor mij, gezien de opbrengstprijs van de champignons, veel te duur.”

Schaamte over het besluit om te stoppen zegt hij niet te hebben. “We hadden ons vijftien jaar de pleuris gewerkt, vakantie hadden we nooit gehad. Ik vind dat ik mezelf niets hoef te verwijten”. Het huis bij de kwekerij, dat ze goeddeels zelf hadden gebouwd, hebben ze samen met de bedrijfsgebouwen verkocht, maar de prijs was slecht omdat er in de omgeving veel meer champignonbedrijven te koop staan. “We hebben er ten slotte toch nog een schuld aan overgehouden, hoewel die inmiddels is vereffend.” Ze wonen tegenwoordig in een huurhuis van de woningbouwvereniging. “In het begin was het moeilijk. De mensen dachten dat we van aan de verkoop wel een aardig centje over zouden houden en dat we van de ene villa naar de andere zouden verhuizen”. Zij: “In het begin zat ik huilend op de fiets als ik naar dit huis reed.” Hij heeft een baan in loondienst gevonden: produktiemedewerker in een bedrijf dat kunststoffen verwerkt. Hij heeft daar uitzicht op een leidinggevende functie. “Ik zal nooit meer teruggaan naar de champignonkweek. Ik weet nu wat ik heb en ik heb geen koppijn meer waaraan ik de laatste jaren vier dagen per week leed. Je hebt nu meer tijd voor andere dingen, de kunt meer aandacht besteden aan je kinderen. Die liepen in de tijd dat we ons eigen bedrijf hadden vaak wat verloren rond, want je was zeven dagen per week twaalf uur per dag bezig. “Je kunt”, zegt de vrouw, “eens naar pap en mam gaan; daar kwam ik vroeger nooit.”

MAX PAUMEN

- Gedwongen bedrijfsbeëindiging in de agrarische sector, Provinciaal Opbouworgaan Noord-Brabant, okt. 1991