Van China naar het "Sovjet-Unie stinkdier'

Voor de ingezetene van "Communistisch' China, waar in het dagelijkse leven geen communisme meer bestaat, is het een paradoxale, schokkende ervaring om Rusland te bereizen en daar, ondanks de officiële afzwering van de bankroete ideologie, dagelijks strijd te moeten voeren met primitieve communistische praktijken. Vanaf de visumaanvraag tot en met de terugreis naar China is het een lijdensweg.

Telefoon- en faxverbindingen over de grens werken in het geheel niet en dat ligt niet aan China, waar de IDD-telecommunicatie perfect is. Telexen naar Russische regeringsinstanties komen wel aan maar worden niet beantwoord. Het visum kost $ 150 en is daarmee waarschijnlijk het duurste ter wereld.

Chinese grenspolitie en douane demonstreren meestal een bijna anarchistische vrijblijvendheid op vliegvelden en grensovergangen. Zij kennen wat basis-Engels en kunnen het Latijnse alfabet lezen. Paspoortformaliteiten op Chinese vliegvelden duren dan ook doorgaans niet langer dan een minuut. Aankomst op een Russisch vliegveld betekent onderdompeling in een xenofobe, anachronistische politiestaat-atmosfeer waar elke kennis van vreemde talen ontbreekt. Het peperdure visum beslaat drie velletjes Cyrillisch en wordt door heren met petten zo groot als grammofoonplaten vele minuten bestudeerd. Zij zitten geheel verborgen achter een loketwand op schouderhoogte van de reiziger, die op zijn beurt ingesloten staat tussen twee automatisch vergrendelde deurtjes met een enorme schuine spiegel achter hem, waar de smeris een paar keer van onder zijn pet in gluurt. Na twee uur in de rij staan is het zover.

Aangezien communicatie vooraf met de autoriteiten was misgelopen, was het enige alternatief ons aan het monopolie van Intourist, een gesel voor de mensheid, over te leveren. Het Intourist Hotel bood kleine benauwde kamertjes zonder airconditioning, maar wel met een enorme koelkast die op haar voetstuk kantelde en een onfris klein douchecelletje met een vierkant staafje groene zeep. Prijs $ 112, in contant geld vooraf te voldoen. Ik protesteerde dat je in China voor zo'n bedrag een luxe kamer in een van de vele vijfsterrenhotels kunt krijgen en dat een kamertje van Russische Intouristklasse in China hooguit 10 of 15 dollar kost. “Als het u niet bevalt gaat u maar terug naar China”, was het antwoord.

De volgende dag vertrok ik 's avonds laat in een klein militair vliegtuigje naar Vladivostok. Intermedia Service Ltd., een commerciële nieuwsorganisatie, geleid door de voormalige TASS-correspondent George Perov had te elfder ure een afspraak gemaakt met een organisatie aldaar om mij van het vliegveld af te halen. Van alle kanten was ik namelijk gewaarschuwd dat als je als nieuwe eenling 's avonds laat in die "hoofdstad van de georganiseerde misdaad' aankomt, alles mogelijk is.

Niemand kwam opdagen. In Vladivostok is (nog) geen Intourist omdat de stad pas vorig jaar geopend is. Het wemelde er van de ongure types, "snorders', die taxi's aanboden. Na lang wachten en ijsberen leidde een jong meisje mij naar de "International Hall' in een zijgebouwtje. Ik legde aan de norse madame daar uit dat mijn ophaler niet was komen opdagen, dat ik heg noch steg wist en een veilige manier zocht om naar een goed hotel te komen.

“You get on a taxi and go to a hotel. It's your problem, not my problem.” Welk hotel? Ze herhaalde: “It's your problem.” Uitgepraat.

Een heer die geërgerd toekeek, foeterde wat tegen de vrouw en wendde zich tot mij. “Ik ben de president van de beurs van Vladivostok. Ik wacht op mijn vliegtuig naar Niigata (Japan). Mijn dienstauto staat buiten en kan u naar Hotel Vladivostok brengen. Als u mijn chauffeur vijf dollar geeft is iedereen gelukkig.”

De rit langs onverlichte wegen duurde een uur en Hotel Vladivostok, een donkere bouwvallige structuur, was gesloten. Na veel gebons op de deuren kwam een oude sjofele baboesjka negatieve gebaren maken. Pas na sterke aandrang van de chauffeur opende ze de deur. De receptie was als de lokettenhal op een rommelig spoorwegstation. Achter een loket onder een schemerlampje van 25 watt zat een chagrijnige 50-plus dame, die alleen maar "komnata njet', geen kamer, riep. Na veel opgewonden gebarentaal over en weer werd ik telefonisch verwezen naar een sanatorium voor mijnwerkers, omgedoopt tot "Hotel Rus', een half uur terug richting vliegveld.

Telefoongesprekken de volgende morgen naar de regering en de instantie die mij op het vliegveld had moeten afhalen waren tevergeefs, waarop ik, na een wandeling door diepe modderpoelen per bus naar het stadscentrum ging. Taxi's waren er niet. In het "Witte Huis', het hoofdkwartier van de "Administratia Krai' (de territoriale regering), was net een symposium van de United States Information Service over buitenlandse investeringen aan de gang.

Twee perfect Engels sprekende Russische bureaucraten stonden op de gang koffie te drinken. De ene was de adjunct-commissaris voor internationale handel en buitenlandse zaken, de ander zijn "chef-expert'. Ik toonde hen de telex die ik drie weken eerder had gestuurd. Was het de gewoonte telexen te negeren? De chef-expert gaf na enig treuzelen toe dat hij de telex wel had gezien. “Ik geloof dat we die hebben doorgestuurd naar de Journalistenbond. Heeft die u niet geantwoord?”

Hij herinnerde zich dat ik met name genteresseerd was in de relaties met China. “Ja, die Chinese lompenhandel ligt ons zwaar op de maag. Wij willen zakenrelaties van wereldklasse met Japan en het Westen”, zei hij zelfgenoegzaam. Zou het dan niet raadzaam zijn om westerse journalisten fatsoenlijk te behandelen? “We hebben het erg druk.” Had hij documentatiemateriaal? “Moet je aan de Journalistenbond vragen.” Wanneer kon ik zijn baas, commissaris Lozovoi, interviewen ? “Deze week niet. Misschien volgende week. Bel morgen op.”

Het was een en al onhervormde nomenklatura-lamlendigheid en arrogantie. De volgende dag, vrijdag, was de chef-expert de hele dag onvindbaar. Ik stormde 's middags het kantoor van adjunct-commissaris Viktor Tumanov binnen en vroeg nadrukkelijk om brochures en afspraken. “Jullie correspondenten zijn zo opdringerig”, zeurde hij. “Dat is hier ook wel nodig”, antwoordde ik. “Weet u dat elke Chinese provincie, gemeente of zelfs plattelandsdistrict een eigen "kantoor voor buitenlandse zaken' heeft dat prompt reageert op verzoeken van ons, zij het tegen betaling. Waarom denkt u dat China boomt en Rusland steeds verder zinkt? U kijkt neer op China, maar u kunt heel wat leren van de Chinezen.”

Mijn bestemming volgens plan was Hunchun op de grens van Noord-Korea, Rusland en de Chinese provincie Jilin, ongeveer 150 km van Vladivostok. De Russen zeiden echter dat ik daar niet de grens over mocht omdat ik geen bewijs had dat de Chinezen me door zouden laten. Een Chinees re-entry-visum was geen bewijs. Ik moest per trein of vliegtuig terug naar Chabarovsk, vervolgens per vliegtuig naar Harbin en dan per trein via de hoofdstad van Jilin, Changchun naar Hunchun, bij elkaar 2.500 km.

Aangezien er geen gunstige vliegtuigaansluiting was, zou ik met de nachttrein teruggaan. Op maandagavond kocht ik voor $ 90,- een kaartje voor de volgende dag en opgelucht toog ik dinsdagavond naar het groene Disneyland-achtige eindstation van de Transsiberië-Express, een verzamelplaats van haveloze dronkelappen uit de hele voormalige Sovjet-Unie.

De conductrice nam mijn kaartje in en alles verliep probleemloos totdat een halve minuut voor vertrek een Rus zich op mijn bed nestelde en te kennen gaf dat het zijn plaats was. De conductrice volgde en zei dat er iets niet klopte met mijn kaartje, het was voor woensdag. “Dan heeft het station een fout gemaakt, niet ik”, was mijn reactie. Zij kon een nieuw kaartje uitschrijven, maar het oude niet terugnemen en ik moest nog eens $ 90,-- betalen, of de trein verlaten.

Ik zei dat beide opties uitgesloten waren. Zij kwam later terug met een Engelssprekende reisleidster van een Amerikaanse groep en dreigde dat ik op het eerstvolgende station met geweld uit de trein zou worden gezet. Mijn herhaalde vraag waarom het kaartje niet gewoon herschreven kon worden of ingewisseld, werd genegeerd. Toen kwam de redding: een jeugdige losse handelaar in Chatka-krabben benaderde mij met een stukje karton, waarop hij met behulp van zijn zakwoordenboekje had geschreven: “Sir, You can have my berth (place). Follow me.”

Hij had een eenpersoons-cabine met sleutel, die je van binnen ook nog dubbel kon grendelen. Ik sloot mij in totdat een uur later in Oessoerisk de conductrice kwam met de "trein-manager' en tolk, om mij uit de trein te werken. Zij hadden kennelijk geen zwaar materiaal bij zich om de deur te forceren en het werd een wedstrijd in decibellen, waarin ik alsmaar bulderde dat er maar een manier was om mij uit die trein te krijgen, namelijk hem opblazen. Na twintig minuten was het gevaar geweken.

De laatste vuurdoop volgde 's morgens vroeg op het vliegveld van Chabarovsk. Ik wilde mijn ticket naar Harbin betalen en legde twee briefjes van honderd dollar op het loket. Op het ene briefje zat rode inkt, waarschijnlijk van een telmachine en op het andere stond een ballpointkrabbeltje. De kassiere weigerde botweg zonder enige uitleg de biljetten te aanvaarden. Jezus! Het zweet brak me uit. Hier te stranden vanwege de stupiditeit van zo'n Russin. Zowel Chinezen als Russen in de rij hoonden haar uit, waarop ze dreigde het loket te sluiten. Een Amerikaan "redde' mij en wisselde de briefjes in voor twee "schone'.

Toen het vliegtuig anderhalf uur later Chinese bodem raakte op het vliegveld van Harbin, juichtte ik: “Terug in het Chinese paradijs!” Een Chinees achter mij voegde er uit volle borst aan toe: “Su-lian hundan!”, letterlijk:"Sovjet-Unie stinkdier'. Het is ongeveer het ergste scheldwoord in het Chinees en betekent vrij vertaald "schoftenbende'. Ik maande hem tot terughoudendheid, want er zaten drie Russinnen voor mij. Een van hen reageerde in het Chinees: “Spreek geen kwaad over ons.” “De waarheid moet gezegd mogen worden”, snauwde de kleine tengere Chinees tegen de drie baboesjka's van elk wel 200 pond.