Regen met muziek

Op de planeet Venus regent het altijd. Daarom hebben onze aardgenoten daar koepels gebouwd, "domes', waar altijd de zon schijnt.

Maar soms komt er een bende Venusianen om een koepel aan scherven te slaan. Als onze aardgenoten het er bij de overval al levend vanaf brengen, wacht een verschrikkelijke tocht door de zompige Venusiaanse vlakte. Bereiken ze niet bijtijds de volgende koepel dan sterven ze, hetzij door een bliksemstraal uit het eeuwige Venusiaanse onweer, hetzij doordat ze lopend verdrinken, want het menselijk organisme is niet tegen de eeuwige regen opgewassen. Wie wel eens te lang in het bad heeft gezeten en daarna zijn vingers bekeken, kan zich een beetje voorstellen hoe een aardbewoner op Venus eruit gaat zien. De werkelijkheid is veel erger. De Venusianen zijn tegen het klimaat op hun planeet bestand dank zij hun ademhalingsorgaan dat half kiew half long is.

Het lijkt wel alsof ik een reclametekst voor Center Parks zit te schrijven, maar de hoofdzaken van bovenstaande alinea ontleen ik aan een verhaal van Ray Bradbury uit zijn bundel The Illustrated Man. Iedere zomer denk ik er even aan, en deze zomer iedere dag.

Vakantie in de stad als je zelf geen vakantie hebt is een plezier. Op het ogenblik dat ik dit schrijf is het gisteren donderdag; een warme avond, hoge donkerpaarse bewolking met hier en daar in het westen een rose streep en weinig vocht in de lucht. Ik liep door lege straten met harde contouren, roerloos geboomte, alsof ik het bewegende deel was van een postmoderne kijkdoos. Op surrealistische schilderijen is zelden meer dan één mens te zien en nooit een menigte. Bij twee of meer zijn het altijd dwalenden. Ik zal me niet verdiepen in het vraagstuk van de vervreemding (die kleine compensatie van "het menselijk tekort'), maar dit is vervreemding in een van haar zuiverste vormen: de stad als een ontvolkte kijkdoos.

De volgende ochtend kwart voor acht: nog steeds een vakantiestad, nu weer met regen. De tram heeft vier passagiers, davert lege haltes voorbij en breekt een record: we bereiken de Dam nog voor de klok van het Paleis aan zijn acht slagen is begonnen. De Dam zelf dofglanzend grijs en paars. Een Japanse toerist kiekt een Japanse toerist die zijn vrouw kiekt terwijl ze het Paleis kiekt. Als dat gedaan is snellen ze giechelend op elkaar toe. Kent de Japanse cultuur het begrip vervreemding? Hoe zullen die plaatjes straks op een dia-avond in Osaka bekeken worden? Hoeveel is er waardoor ons oog toevallig wordt getroffen, waarvan we het vervolg wel willen weten terwijl we op dat moment zelf al beseffen dat dit voor ons voorgoed verloren is?

Bij langdurige Nederlandse regen hoort muziek. De beste begeleiding van onafgebroken stromende ochtendregen is onafgebroken trage koorzang uit de Middeleeuwen. Niet alleen de christelijke omroepen zetten het graag op hun programma; iedere omroep heeft 's ochtends koorzang uit de Middeleeuwen en des te meer naarmate het harder regent.

Tegen een uur of twaalf wordt die combinatie zo benauwend dat een mens hoe dan ook de straat op wil. Daar staat op de hoek van de Dam en de Kalverstraat de volgende muziekveroorzaker, het draaiorgel. Intussen zijn de toeristen komen opzetten, een in plastic gehuld leger dat op de aftocht is maar niet weet waarheen. De eerste honderd frieten zijn al op het asfalt vertrapt, het vuilnisbakje op de hoek van Kalverstraat en Papenbroekssteeg is vol, en ordelijke buitenlandse bezoekers leggen leeggegeten verpakkingen op de grond eronder. Voor wie onder alle omstandigheden op zoek is naar het absolute: klef vuilnis is beter dan droog vuilnis. Het liefst heb ik nu dat het draaiorgel een samba dreunt, of in ieder geval iets uit het Carabisch répertoire. Zoals op het ogenblik dat het binnen ondragelijk werd, denk je buiten: waarheen?

De beste middagmuziek bij onafgebroken regen vind ik een opera bij de buren. Twee vormen van machteloosheid: over wat er uit de hemel komt heb je niets te vertellen, en de radio van de buren kan je niet afzetten. Het is een inundatie van gedrein. Het nader uitleggen van wat gedrein is wordt zelf gedrein en daarom kom ik nu tot de avond.

De liefhebbers hebben geboft. Terwijl wolkbreuken opgejaagd door windstoten over het plaveisel zwiepten besteedde de radio alle aandacht aan het Wereld Muziek Concours in Kerkrade. Zo'n combinatie zul je in geen enkel buitenland aantreffen. De dapper erop los blazende HaFaBra (Harmonie, Fanfare en Brass), terwijl de goten slurpen en gorgelen en er op de vensterbank een Damduif zit, met zijn doorweekte verpiekte veren de junk onder de vogels.

Wie er op gaat letten zal merken dat er systeem in zit: van koorzang, via draaiorgel en burenopera naar Kerkrade is dramatischer dan een andere volgorde. Neem de proef: iedere herschikking verzwakt het geheel.

Om misverstand te voorkomen: ik ben een muziekliefhebber. Het draaiorgel is tot daar aan toe, maar Kerkrade is een belangrijke gebeurtenis aan de basis van de cultuur, en zonder brede basis is de kans op een hoge top kleiner. Dat geldt ook voor het schrijven en daarom ben ik voorstander van het vrije opstel in het VWO. Maar muziek in vereniging met onafgebroken regen moet je met andere maatstaven meten. Daartoe biedt de Nederlandse zomer van 1993 volop de gelegenheid.

PS. In mijn vorige stukje heb ik Polly Peachum tot koning der bedelaars in de Driestuiversopera gemaakt. Polly is zijn dochter. De echte koning heet Jonathan Jeremiah. Polly trouwt met Mackie Messer (niet officieel, want: "gibt's auch kein Schriftstück vom Standesamt' maar aanvankelijk wel gelukkig, want: "Mackie und ich, wir lebten wie die Tauben..'). Ik dank de Brechtkenners voor hun brieven.