Peking kan de Olympische Spelen van 2000 wel vergeten

Twee maanden voordat het Internationaal Olympisch Comité (IOC) de stad aanwijst waar in het jaar 2000 de Olympische Spelen zullen worden gehouden, lijkt Peking, een eerdere favoriet, kansloos geworden. Het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden aanvaardde deze week een resolutie waarin de enige Amerikaanse vertegenwoordigster in het IOC, de voormalige roeister Anita de Frantz, wordt gevraagd tegen de kandidatuur van Peking te stemmen wegens de ernstige schendingen van de mensenrechten in China. Een oproep die mevrouw De Frantz èn andere IOC-leden nauwelijks ruimte laat voor een objectieve vergelijking van de verschillende aanbiedingen. Het IOC mag zich in woord wars van politieke daden tonen, in de oproep van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden klinkt de echo door van het gevreesde machtswoord boycot. En die echo zou krachtiger worden als de resolutie van het Huis van Afgevaardigden tot Amerikaans regeringsbeleid zou worden verheven.

Als de keus nu toch op Peking zou vallen zouden zeven lange jaren van onzekerheid aanbreken over de vraag of de VS de politieke ontwikkelingen in de Volksrepubliek zodanig gewijzigd achten dat een ploeg naar die Spelen kan worden afgevaardigd. In die onzekerheid zullen de grote sponsors aarzelen en in hun spoor de belangrijkste televisiemaatschappijen, die het overspannen en opgeklopte sportevenement in leven houden.

Het IOC, onvoorspelbaar in zijn beslissingen maar door voorzitter Samaranch wel zo geregisseerd dat er geen rampzalige besluiten kunnen vallen, beseft terdege wat een uitverkiezing van Peking zou betekenen: niet alleen een lange weg naar een onzekere toekomst maar ook een stap terug in het voorzichtige politieke gemanoeuvreer dat onder Samaranch vorig jaar leidde tot de eerste boycotvrije Spelen. Zelfs het verscheurde ex-Joegoslavië deed mee, marcheerde achter een Olympische vlag het stadion van Barcelona binnen en stemde ermee in dat bij een overwinning de Olympische hymne gespeeld zou worden.

Dat streven naar eenheid is al lang geen toonbeeld meer van Olympisch idealisme - de jeugd van de wereld die zich in vriendschap sportief met elkaar meet - maar een harde financiële onafwendbaarheid. Kandidaatsteden beseffen zeer goed dat wat niet in hun bid book staat ten minste even zwaar weegt als wat er wèl in wordt aangekondigd. Om de Spelen te krijgen is meer nodig dan tekentafelplannen en een betrouwbare financiële dekking - de goedkeuring van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden is nu ook vereist.

De aanbeveling van het Amerikaanse Huis is overigens een opmerkelijke stap. Leden van het Internationaal Olympisch Comité zijn niet door hun land aangewezen als vertegenwoordiger in dat college, maar op persoonlijke titel gevraagd. Op die manier hoopt het IOC de a-politieke status te waarborgen. Toen het Amerikaanse Huis zich enige tijd geleden rechtstreeks tot het IOC richtte, wees Samaranch nog eens op de onafhankelijkheid van zijn organisatie, die geen politieke inmenging in de beslissing over toewijzing van de Spelen duldt.

Anders ligt die politieke bemoeienis wanneer het gaat om de sportmensen die naar de Olympische Spelen worden uitgezonden. Ook al zal de sport erop wijzen geen instrument te willen zijn in een politiek machtsspel, sportmensen vertegenwoordigen op de Spelen wel degelijk hun land; ze danken hun prestatieniveau voor een deel - afhankelijk van het systeem waarin ze zijn opgegroeid voor een groot of klein deel - aan de mogelijkheden voor sportbeoefening die de betrokken overheid heeft gecreëerd.

Als er grote belangen mee gemoeid zijn is het ook wel te rechtvaardigen dat een oproep wordt gedaan om als vorm van protest de sportmanifestatie te mijden. Dat gebeurde in 1980 voorafgaand aan de Olympische Spelen in Moskou. De kandidatuur van die stad had zes jaar eerder geen enkel verzet gekregen in de race met Los Angeles. De Russische inval in Afghanistan, enkele maanden voor de openingsceremonie, bracht een boycot-actie op gang die leidde tot een "laagte-record' in aantal deelnemende landen: 81; Sinds Melbourne in 1956, toen de internationale spanningen hoog opliepen door de Russische inval in Hongarije en het conflict rond het Suezkanaal, was dat aantal niet meer zo gering geweest. Vier jaar na Moskou meldde de Sovjet-Unie zich af omdat de veiligheid van de sporters niet gewaarborgd zou zijn; vrijwel alle bondgenoten volgden het voorbeeld. Een sportboycot is een vergeldingsmaatregel of een pressiemiddel, in elk geval een zichtbare provocatie. De geschiedenis heeft bewezen dat het een kettingreactie teweegbrengt.

Door via een appel op één IOC-lid het stemgedrag van een heel college zo te benvloeden, kan die pijnlijke, escalerende afwezigheid worden vermeden. Nooit zal met zekerheid te achterhalen zijn hoe groot de invloed van de Amerikaanse resolutie is geweest. Sydney was immers, blijkens een recent rapport van een Olympische onderzoekscommissie, favoriet. Met Peking op de tweede plaats. Het is overigens begrijpelijk dat slechts lauw is gereageerd op de morele druk die het Amerikaanse Huis op het Amerikaanse IOC-lid heeft gelegd. Het motief, een gebaar tegen de schending van de mensenrechten, leent zich nu eenmaal niet voor een scherpe afkeuring.

Wat men ook van de effectiviteit van een eenmalige sportboycot mag denken, het gastheerschap van een evenement waar de ogen van de wereld op gericht zijn lijkt niet remmend te werken op democratiseringsprocessen. Het schrikbewind van generaal Videla was bekend voordat de wereldkampioenschappen voetbal in 1978 in Argentinië werden gehouden, maar de publieke opinie werd pas door het WK werkelijk gemobiliseerd; de aanhoudende berichtgeving tijdens die WK over de wantoestanden was voor de voetballiefhebber die zich slechts zijdelings voor Argentinië had genteresseerd een schep peper door zijn dagelijkse dessert. De oppositie in Zuid-Korea zou aanzienlijk minder publiciteit hebben gekregen als de Spelen van 1988 niet in Seoul waren gehouden.

Dat in die landen de ommekeer is gekomen, kan bezwaarlijk alleen aan "de sport' of aan een sportevenement worden toegeschreven; het zou te veel eer zijn de conservatieve sportwereld te betitelen als de schaarploeg voor politieke omwentelingen. Maar dat de schijnwerper op een vlekkeloos georganiseerd sportfeest louter propaganda voor foute machthebbers zou zijn, is een theorie die door de geschiedenis is achterhaald.

Een sportboycot brengt bijna altijd een kettingreactie teweeg