Kenau; De paradox van de strijdbare vrouw

Haar naam is inmiddels een uithangbord geworden voor Filippijns stokvechten en andere cursussen zelfverdediging voor vrouwen. Maar hoe strijdlustig was Kenau Simonsdr. Hasselaer eigenlijk toen Haarlem dreigde te vallen? De mythe van de weduwe, de moeder, de manninne: "Kapitein Kenou, de Hollandse vrouw, die mannelijk onversaagd de trouweloze Spanjaarden bij Haarlem verjaagd'.

Mijn reis voert naar Haarlem, de stad waar Kenau Simonsdr. Hasselaer (1526-1588) volgens de overlevering een leger van driehonderd vrouwen aanvoerde in een vergeefse strijd tegen de Spanjaarden. In Haarlem is een Kenaubrug, een Kenaustraat, een Kenaupark. Ik loop langs statige, laat 19de-eeuwse huizen van hypotheekgevers, artsen, een enkele pianoleraar. Zichtbaar wordt de herinnering hier nergens, of toch wel? In het park verrijst een modern aandoend beeld van een staande vrouw, stevig geposteerd en met gestrekte armen menshoge panelen wegdrukkend, die haar dreigen te omsluiten.

Zo zou je vandaag de dag Kenau inderdaad kunnen voorstellen. Maar dan alleen uit de verte, want de in de sokkel gegraveerde tekst meldt: Vrouw in het verzet 1940-1945 en daaronder: Hannie Schaft. Hier is hooguit een late navolgster van Kenau vereeuwigd. Een standbeeld van Kenau zelf is nooit gemaakt, maar dit wordt ruimschoots gecompenseerd door de talrijke andere sporen die van haar resten, ook buiten Haarlem. Tot hele verse toe.

In Amsterdam, aan de Overtoom 270 huist het vrouwencentrum Kenau, dat - hoe kan het ook anders - cursussen zelfverdediging voor vrouwen en meisjes organiseert. Zeer eigentijdse, exotische vechtsporten zijn het, dat wel. Bij Filippijns stok- en straatvechten stel ik me thans heel wat anders voor dan het ouderwets Hollandse smijten met pekhoepels en kokende olie waarmee Kenau en haar gevolg in de overlevering geassocieerd worden. Van de ""pétroleuse-achtige bijgedachte'' die de naam Kenau weleer placht op te roepen, is in het Amsterdamse vrouwencentrum niets meer te bespeuren.

Kenau is een historische figuur waarmee collectieve herinneringen verbonden zijn geraakt, een lieu de mémoire bij uitstek. Zij representeert "de kleine krans' van vaderlandse heldinnen (aldus Van Sas destijds in het inleidende artikel), die getalsmatig in het niet valt bij het enorme leger helden. Vooral mannen hebben de status van nationale held verworven, vrouwen zijn in de minderheid gebleven en binnen de staatkundige geschiedenis zijn ze verstopt tussen de vele graven, stadhouders, vorsten en andere staatslieden, en de menigte Trompen, De Ruijters en Van Galens. De uit 1915 daterende tweedelige studie over De Vrouw van H.C.H. Moquette vermeldt in het deel Maatschappelijk leven maar een handjevol vrouwen "in zaken van staat en oorlog'. Na wat gravinnen, vorstinnen en enkele echtgenotes van stadhouders krijgt ook de vrouw uit het volk aandacht, vertegenwoordigt door Kenau en een klein aantal zusters in de strijd. Zo is er Trijn Rembrants of Remme uit Alkmaar, die volgens een contemporaine getuigenis ""de Spaansche tiranny weerstond, en Alkmaar met haar maagden naar krijgswetten ontzetten hielp''. Verder hebben we nog Maeyken in den Hert en Catharina Rose, beiden in 1587 kapiteinen van burgervrouwen in Sluis. En tenslotte, althans wat de 16de eeuw betreft, noemt Moquette de Utrechtse Trijn van Leemput of Bergers, de vrouw die als eerste het sein gaf tot de afbraak van het Vreeburg, de dwangburcht van de Spanjaarden. Na het tijdperk van Trijn van Leemput belanden we al heel snel in de late eeuw bij de Rotterdamse Kaat Mossel en haar vriendin Ruige Keet, tuk op relletjes en voor vroedschap en burgerwacht uiterst lastig.

Moquette's oogst is bepaald niet groot, en het lijkt weinig aannemelijk dat moderne onderzoekers veel meer vrouwen in zaken van staat en oorlog zullen opsporen. Ze zullen er eenvoudigweg niet geweest zijn. Niet omdat vrouwen zich van nature minder in het openbare leven gemanifesteerd hebben dan mannen, want met natuur had (en heeft) die rolverdeling weinig van doen. Met cultuur des te meer, dat wil zeggen het algemeen gangbare cultuurpatroon dat door wetten, afspraken en gebruiken in stand gehouden wordt. Het geringere aantal heldinnen representeert niets anders dan een cultureel bepaalde hiërarchie van mannen boven vrouwen. Die culturele bepaaldheid is herkenbaar in alles wat aan de beeldvorming van heldinnen heeft bijgedragen, variërend van geschiedschrijving en literatuur tot beeldende kunst en herdenkingsmanifestaties. En in het geval van Kenau bovendien in de taal: Kenau is een spreekwoordelijk manwijf, dat vooral door de mannen als onaantrekkelijk geldt omdat het in strijd is met de ondergeschikte rol waarin vrouwen zich volgens hen horen te schikken.

Van alle vrouwen die Moquette vermeldt, is Kenau nog steeds de bekendste. Niet alleen omdat ze in de taal verankerd is of omdat er in verschillende Nederlandse steden straten naar haar genoemd zijn; ze wordt ook opgevoerd in moderne geschiedenismethodes voor het voortgezet onderwijs. Het jongste voorbeeld dat ik in handen kreeg, is de driedelige methode Sporen uit 1992, bestemd voor leerlingen uit de onderbouw. De bedoeling is dat zij een denkbeeldige reis door de tijd maken, waarbij per deel zes keer ergens op aarde in een bepaalde tijd voet aan land wordt gezet. In het tweede deel reizen de leerlingen van de Azteken in hoofdstuk 1 naar Nederland tussen 1550 en 1650.

In het verhaal is de uit 1939 stammende roman Kenau van Theun de Vries duidelijk herkenbaar. Net als bij De Vries begint het verhaal in december 1572. We vernemen hoe rondom Haarlem Spaanse troepen zich opmaken voor de belegering en hoe Kenau Simonsdochter, de weduwe van een scheepsbouwer, uit angstige overpeinzingen opschrikt als haar zoon Nicolaas komt vertellen dat de strijd aanvangt. Ziezo, de spanning zit erin en zal niet meer wijken. Weldra klinken de eerste kanonschoten. Na de eerste aanval en het herstel van de danig geteisterde stadswallen, snelt het verhaal in de richting van wat ook volgens De Vries Kenau ertoe brengt de stad eigenhandig te willen verdedigen: de dood van Nicolaas. Ze stapt naar Ripperda, bevelhebber van de stadsverdediging, en verzoekt hem in krachtige bewoordingen een vrouwenvendel te mogen vormen. Ripperda, die haar optreden uitzonderlijk vindt (""zelden of nooit is er zo door een vrouw gesproken, maar ik bewonder u'') stemt toe: ""ik begrijp dat u zich net als de mannen wilt verzetten tegen de tiran. Vorm het vrouwenvendel!'' Zo bevolen, zo gedaan. Na het eerstvolgende noodsignaal klinkt het tromgeroffel van hopmansdochter Aaltje Pruis en daarop ""marcheren de vrouwen naar de wallen, gekleed in rokken, maar bewapend met degens en pistolen''. Enzovoort.

De geciteerde tekst is bij De Vries vrijwel woordelijk terug te vinden. Het verhaal kenmerkt zich door wat ik als het bij uitstek cultureel bepaalde element van de legende beschouw: de paradox van de strijdbare vrouw. De verzwegen (want vanzelfsprekende) norm in het verhaal is dat vrouwen in het algemeen, in tegenstelling tot mannen, niet strijdbaar mogen zijn; zijn ze dat toch, dan gaat het om een tijdelijke, door buitengewone omstandigheden veroorzaakte afwijking van de norm. Daarom wordt Kenau onmiddellijk aangesproken op haar deviante gedrag en daarom staan in de beschrijving van de vrouwen de mannenattributen die zij dragen (wapens) en hun mannelijke gedrag (marcheren) tegenover hun typisch vrouwelijke kledij (rokken).

Wat zijn de feiten? In 1872 was het een Haarlemse arts en geschiedkundige, Dr. C. Ekama, die de overlevering kritisch onder de loep nam. Waarom zeiden tijdgenoten nog zo weinig over Kenau, waarom had zij Haarlem na de overgave gewoon kunnen verlaten, waarom was er niets bekend over gesneuvelde vrouwen? De tijd van ontluistering was aangebroken, niet alleen voor Kenau. Haar Leidse wapenzuster Magdalena Moons, de vrouw die de belegerde stad Leiden gered zou hebben door haar verloofde, de Spaanse legerleider Valdez van een bestorming af te houden, werd ongeveer tezelfder tijd door de historicus Fruin van haar roem ontdaan. Haar viel vergetelheid ten deel (hoewel ze weer voorkomt in de detectiveroman van Theo Joekes, Moord aan het Voorhout uit 1981), maar Kenau, wier heroëk langduriger en daardoor steviger geworteld was, heeft de aanval doorstaan.

De ultieme waarheid werd onthuld in de gedegen studie Kenu Symonsdochter van Haerlem (1956) van Dr. Gerda H. Kurtz, de voormalige archivaris der gemeente Haarlem. Kenau, die in de eigentijdse acten meestal Kenu heet, werd in 1526 geboren uit ouders die beiden afkomstig waren uit een geslacht van brouwers, dat wil zeggen ambachtslieden die tot de gegoede burgerstand behoorden. In 1554 huwde ze met een scheepsbouwer, bij wie ze drie dochters kreeg en een zoon (die overigens niet Nicolaas maar Gerbrandt heette). In 1562 overleed haar echtgenoot en sindsdien beheerde Kenau de scheepswerf zelf, wat voor een weduwe in het 16de-eeuwse Holland geenszins uitzonderlijk was. De zaken liepen goed: Kenau bezat naast haar bedrijf meerdere huizen in de stad en bovendien een boerenhofstede in het nabijgelegen Overveen.

Tijdens het beleg vocht ze niet tegen de Spanjaarden en ook een vrouwenvendel heeft niet bestaan. Vrouwen en meisjes hielpen mee aan de versterking van de stadswallen door aarde en hout aan te dragen en het is mogelijk dat ook Kenau hierbij assisteerde. In ieder geval heeft ze een zakelijk aandeel in de verdediging gehad. Als eigenaresse van de scheepswerf liet ze op bestelling van het Haarlemse stadsbestuur in februari 1573 een grote partij hout bezorgen, nodig voor de bouw van een der schepen die op het Haarlemmermeer ingezet moest worden voor de stadsverdediging. Dat is alles wat ze tijdens de belegering gedaan heeft. Van een vooraanstaande rol is geen sprake en dat verklaart ook waarom Kenau, nadat Haarlem gevallen was, de stad gewoon kon verlaten; dit in tegenstelling tot Ripperda en de zijnen, die met vele andere Haarlemse burgers over de kling zijn gejaagd.

In 1579 keerde Kenau naar Haarlem terug en nam ze het beheer van de scheepswerf, die ze zo lang aan haar zoon had overgelaten, weer op zich. De verhouding met haar zoon en vooral diens echtgenote werd nadien dermate slecht dat zij Kenau en haar dochters voor het gerecht daagden op beschuldiging van moord en hekserij. Op 62-jarige leeftijd stierf ze op zee. Haar schip, dat onderweg naar Noorwegen was om hout te halen, werd overvallen door zeerovers. Kenau's woonhuis in de Spaarnwouderstraat te Haarlem bestaat nog steeds. Volgens Kurtz zou het om huisnummer 59 gaan, maar het winkelierskrantje De Heemsteder van maart dit jaar houdt het op nummer 57. Het huis vormt een van de bezienswaardigheden in ""de eeuwenoude Spaarnwouderstraat met z'n vele gezellige winkels en ambachtelijke bedrijven''. Opvallend genoeg wordt het beschreven als de woning van ""scheepsbouwer Nanning Gerbrantsz Borst, die in 1554 trouwde met Kenau Symonsdochter Hasselaar''. Kenau mag nog zo beroemd zijn geworden en de scheepswerf nog zo lang geleden geleid hebben, de heer des huizes moet blijkbaar voorop.

Nog tijdens Kenau's leven is de legendevorming begonnen. Het oudste spoor vinden we in een gedrukt dagverhaal over het beleg, voortkomend uit de propagandamachine die tijdens de Tachtigjarige Oorlog op volle toeren draaide. Het lijkt er een beetje op dat iemand uit Kenau's familie er in eerste instantie voor verantwoordelijk is geweest dat juist haar naam in dit verhaal genoemd wordt. Dat zou dan haar geleerde zwager Hadrianus Junius (1511- 1575) geweest zijn, een in zijn tijd befaamd medicus en filoloog.

In februari 1573 verliet hij Haarlem, dus nog tijdens het beleg, tegelijk met de schrijver van het dagverhaal, Iohannes Arcerius Frisius. Deze was evenals Junius rector van een Latijnse school geweest en wellicht hadden ze contact met elkaar. Hoe dan ook, de heren reisden beiden naar Delft, waar Junius door Willem van Oranje was ontboden en Arcerius zijn journaal liet drukken. In het voorwoord zegt hij dat de trouw, vlijt en dapperheid der Haarlemmers een voorbeeld moeten zijn voor andere bedreigde steden in Holland en Zeeland. Dan volgt het journaal waarin uiteraard de Haarlemmers alle lof wordt toegezwaaid. Zo prijst hij in het algemeen de medewerking van vrouwen en meisjes aan het herstel van de stadswallen. Zij, ""de angstvalligste en vreesachtigste van alle creaturen'', waren zo verhard geworden dat ze dag en nacht werkten en met alle middelen het algemene belang dienden. Dan komt Kenau aan bod: ""in het bijzonder was er een zeer manlijke vrouw, die met recht een manninne genoemd mocht worden, genaamd Kenu.'' Deze al wat oudere vrouw, vervolgt Arcerius, heeft met eigen geld, werkkracht en wapens het algemeen welvaren voorgestaan en de vijand onophoudelijk getergd met gescheld en getier. Kenau en de andere vrouwen zijn dus niet bepaald vreesachtig, maar gevechtshandelingen worden hun niet toegeschreven. Nog niet.

Dat latere schrijvers het aandeel van de vrouwen sensationeler hebben kunnen voorstellen wordt begrijpelijk als we nagaan wat Arcerius verder vertelt. Even voor de passages over Kenau en de andere vrouwen staat er hoe de aanstormende vijand door de belegerden met brandende pekhoepels verwelkomd werd. Het ligt voor de hand zulke gevechtshandelingen ook op de vrouwen te betrekken. Zo wordt al in kort na het beleg verspreide Duitstalige nieuwstijdingen melding gemaakt van "mannhaftige Weiber' die daadwerkelijk meevochten, terwijl een ander dagverhaal, van omstreeks 1580, besluit met een afbeelding van een zwaar bewapende vrouw, in het onderschrift aangeduid als ""Kapitein Kenou, de Hollandse vrouw, die mannelijk onversaagd de trouweloze Spanjaarden bij Haarlem verjaagd''.

De verdere legendevorming in geschiedschrijving, literatuur en beeldende kunst is mede dankzij de studie van Kurtz goed te volgen. De vroegste prenten van Kenau presenteren haar als een zwaar bewapende vrouw op leeftijd, soms met een of meerdere afgehouwen koppen. De bijschriften noemen haar in het laatse geval Haarlemse of Hollandse Judith en anders bijvoorbeeld Kennemer Amazone. Afbeeldingen van Kenau met heldinnenschaar en in volle actie verschijnen in de tweede helft van de 17de eeuw. Een fraai voorbeeld is de bij dit artikel afgedrukte prent van Romein de Hooghe, een kopergeravure uit 1688. Het is een detail uit de randversiering van een grote plattegrond van Haarlem die als opschrift de Haarlemse wapenspreuk Vicit Vim Virtus draagt (de deugd overwint het geweld), waarvan de leuze boven de prent, Vicit Constantia Fatum (de standvastigheid overwint het noodlot), een variant vormt.

Het meest fantastische hoogtepunt, of zo men wil dieptepunt, is het 19de-eeuwse historieschilderij getiteld Kenau Hasselaar op de wallen van Haarlem. Het betreft het omvangrijke doek (ruim 3.5 bij 4.5 m) van J. Egenberger en D. Wijnveld uit 1854 waarop Kenau en haar schare met verwrongen gelaatstrekken en in onmogelijke houdingen Spaanse soldaten afweren met schiet- en steektuig, steenklompen en kokende olie. Het werd in het Haarlemse stadhuis gehangen, maar riep direct al verdeelde reacties op. Een eeuw later noemt Kurtz het het summum van verschrikkingen en volgens haar vond de directeur van het Frans Halsmuseum, waar het inmiddels op zolder lag, het te afgrijselijk om het nog te exposeren. Toch is dat sindsdien gelukkig nog wel gebeurd: in 1978 maakte het als een van ""de vergeten 19de-eeuwse schilderijen over onze geschiedenis'' deel uit van de tentoonstelling Het Vaderlandsch Gevoel in het Rijksmuseum.

De eerste geschiedschrijvers maken rond 1600 melding van Kenau, en in een schoolboekje uit 1621 figureert zij als kapitein Kenau, die met andere vrouwen veel "mannelijke' daden verrichtte door te schieten, te steken en met pekhoepels te gooien. In 1642 roemt P.C. Hooft haar in zijn Neederlandsche Historien (1642) als ""een moedig mannin, weduwe van zesenveertig jaren, onbesproken van leven en van de beste huizen, die niet schroomde met spies, bus en rapier, in vrouwengewaad de vijand te keer te gaan.'' Hooft is niet de eerste die de sterkte van haar vrouwenbataljon op driehonderd vaststelt (op grond waarvan weten we niet), een gegeven dat geschiedschrijvers na hem klakkeloos overnemen.

In de literatuur dringt Kenau betrekkelijk laat door. Een Geuzenlied uit 1573 maakt weliswaar al melding van Haarlemse vrouwen die de Spanjaarden vanaf de stadsmuren met stenen en pek te lijf gaan, maar Kenau komt er niet in voor. Het eerst vinden we haar naam in een uit 1621 daterend lofdicht op Haarlem van de aldaar gevestigde predikant Samuel Ampzing. Op zeker moment beschrijft Ampzing hoe "onze' vrouwen als mannen de vijand een kopje kleiner maakten en met pek en zwavel tekeer gingen en haalt hierbij de 46-jarige Kenau naar voren als "heldin van 't Nederlandt'. Hiermee, zegt Ampzing dan, is voor onze stad bewezen dat in tijd van nood de vrouwen als mannen strijden. Haar debuut als toneelpersonage maakt Kenau in 1660: in een in Haarlem gedrukt en opgevoerd treurspel treedt ze op als "Hollandsche heldinne', een qua omvang nog zeer bescheiden rolletje van een niet daadwerkelijk vechtende, maar wel verbaal strijdlustige heldin. Haar herosche status bevestigd ze zelf door zich te vergelijken met twee beroemde bijbelse voorgangsters, Judith en Jaël, vrouwen die beiden eigenhandig een vijandige legeraanvoerder ter dood brachten en daarmee de bevrijding van hun volk bewerkstelligden. ""Al ben ik maar een vrouw, ik vrees de Spanjaard niet'' zegt Kenau over zichzelf en onder het motto ""het mannenhart dat geldt en niet de dracht van kleren'' schort ze haar rokken op om zich aldus "geharnast' in het strijdgewoel te begeven.

Ook hier blijkt weer hoezeer de legende van Kenau de legende van een paradox is, de paradox van de strijdbare vrouw. Aanvankelijk gaat het om het type vrouw dat er weliswaar als vrouw uitziet, maar waarin de voor vrouwen kenmerkend geachte vrees onder druk van de omstandigheden heeft plaatsgemaakt voor de aan mannen toegekende moed. Dat zagen we net in het oudste toneelstuk met Kenau en eerder al bij Hooft, Ampzing en Arcerius, de auteur van het 16de-eeuwse dagverhaal. Vrouwen gingen door voor bange schepsels en Kenau verdiende de haar tot uitzondering bestempelende kwalificatie "mannin' vanwege haar moedig optreden. Vanaf de 18de eeuw wordt vooral in de literatuur geprobeerd de strijdbare vrouw te vervrouwelijken. Zo zien we Kenau in 1739 als kuise Amazone opereren, in een toneelstuk waarin ze eigenhandig een Spaanse bevelhebber doorsteekt. In 1770 speelt zij de rol van treurende weduwe en moeder, bevreesd voor het heil van haar dochter, die gevangen is genomen door de vijand. Die noodlottige gebeurtenis brengt haar moederliefde in conflict met haar liefde voor het vaderland, die haar gebiedt door te strijden. Latere liberatoren krijgen het er steeds moeilijker mee in Kenau ""de fierheid van Heldin en de beminnenswaardigheid van Vrouw'' te verenigen, zoals de Haarlemse uitgever en schrijver A. Loosjes Pz. het formuleert in het voorbericht bij zijn treurspel Kenau Hasselaar of de heldin van Haarlem (1808). Dat beminnenswaardige staat namelijk voor het zachte, tedere, verzorgende en huiselijke, kortom alles wat maar met ingetogenheid te maken heeft. En zo moet H.A. Spandaw in zijn lofdicht De Vrouwen (1807) wel concluderen dat het weliswaar prachtig is dat vrouwen als Kenau door moed bezield raakten toen het vaderland in nood was, maar de "bestemming' van vrouwen is toch bovenal die van verzorgende moeder en echtgenote: ""zij zal 't huisbestuur als eerste taak betrachten, den werkkring, dien Natuur haar voorschreef'. Kenau is blijkbaar een Kenau geworden.