Ik ben nog steeds kwaad en blijf vechten voor de Waalse zaak

JOSE HAPPART, burgemeester van Voeren, was in de jaren zeventig en tachtig het symbool van de Waalse strijd tegen het steeds rijker wordende Vlaanderen. In 1988 werd hij afgezet en schikte zich mokkend in een nieuwe rol als schepen. Nog steeds is hij kwaad, al stelt de radicaal van weleer zich nu gematigder op.

'S GRAVENVOEREN, 31 JULI. Vanuit een grijs wolkendek jaagt de regen over het glooiende landschap van Voeren, met zijn weilanden, maisvelden, graanakkers, boomgaarden en meidoornhagen. Hier, in dit nog grotendeels ongerepte boerenland tussen Luik en Maastricht dat in het begin van de jaren zestig werd overgeheveld naar Belgisch Limburg en dus naar Vlaanderen, lag lange tijd het epicentrum van de taalstrijd in België.

Hier werd in de jaren zeventig en tachtig menige veldslag uitgevochten tussen Vlaamse militanten en Franstalige activisten die Voeren weer terug wilden brengen naar Luik. Op geregelde tijden werd hier voor het oog van draaiende camera's uit alle delen van de wereld met gepaste gretigheid ingegaan op provocaties van de tegenstander aan de andere kant van de taalgrens.

Inmiddels is het unitaire België de afgelopen maanden omgevormd tot een echte federale staat - met eigen parlementen en vergaande bevoegdheden voor Vlaanderen, Wallonië en het tweetalige gewest Brussel. Dat heeft - voorlopig althans - communautaire rust gebracht in België. En daarmee is ook Voeren nog weer een beetje meer verleden tijd geworden, dan de streek eigenlijk al was nadat in 1988 fruitkweker José Happart werd afgezet als burgemeester.

Op sommige betonnen viaducten en op de stenen muren rondom kerhofjes, zoals bij de Sint-Pieters-Stoelkerk in Sint-Pieters-Voeren, staan nog de kreten "Retour à Liège' en "Fourons Wallon', maar weer en wind hebben de actualiteit ervan ernstig aangetast. Van veel recentere datum is in ieder geval het "Ik ben verdwaald!', dat een verregende wandelaar ergens op een kruispunt tussen Moelingen en 's Gravenvoeren op een verkeersspiegel heeft geschreven.

Happart (46) is niet ontevreden met de “institutionele evolutie” die België de afgelopen tijd heeft doorgemaakt. Maar, legt hij uit, het zogeheten Sint-Michielsakkoord over de staatshervorming, dat nu het Belgische parlement is gepasseerd, is niet meer dan een tussenstap, een etappe, in een ontwikkeling die uiteindelijk, mogelijk over een jaar of twintig, zal uitmonden in “het Europa van de regio's”. In dat Europa is geen plaats meer voor afzonderlijke staten. “België zal verdwijnen, zeker. Maar dat geldt ook voor Nederland, voor Frankrijk, Duitsland. Dat zijn entiteiten die moeten wijken voor Europa”.

Happart maakt een onderscheid tussen autonomie voor regio's als Wallonië en Vlaanderen, en onafhankelijkheid. “Ik ben een autonomist, ik streef niet naar onafhankelijkheid”, zegt hij met nadruk. Onafhankelijkheid vereist soevereiniteit en daarvoor heb je een staat in de traditionele betekenis van het woord nodig. Dergelijke staten zullen juist worden ontmanteld. De bevoegdheden op het terrein van het leger, het buitenlands beleid en het monetaire beleid zullen naar Europa worden overgeheveld, omdat alleen Europa voldoende economische en geopolitieke dimensie zal hebben om de concurrentie met andere grootmachten in de wereld - Japan, de Verenigde Staten en ook China - aan te kunnen.

Alle overige bevoegdheden moeten in handen komen van de regio's. “Staten willen zich beschermen en ontwikkelen en staan dus automatisch in concurrentie met elkaar. Dat tijdperk van concurrentie is voorbij, we zijn nu aangeland in een tijdperk van complementariteit. In mijn visie zijn de autonome regio's complementair aan elkaar. Ze zullen zich in volle vrijheid kunnen ontwikkelen”.

Happart ontvangt zijn bezoek in een sober kamertje, met alleen een eenvoudig houten bureau en een flinke barst in het plafond, op het gemeentehuis van Voeren in het dorp 's Gravenvoeren. Een naambordje op de deur geeft aan dat dit de werkkamer is van burgemeester N. Droeven en eerste schepen J. Happart. Die formele taakverdeling is het rechtstreekse gevolg van het brede politieke compromis dat christendemocraten en socialisten in 1988, onder leiding van de toenmalige formateur (en tegenwoordig premier) Jean-Luc Dehaene, smeedden om de totstandkoming van het achtste en in feite laatste kabinet-Martens mogelijk te maken.

Vastgelegd werd dat burgemeesters van gemeenten op Nederlandstalig grondgebied (zoals Voeren) afgezet kunnen worden als ze geen Nederlands spreken. Voor schepenen (wethouders) geldt die regel niet. Voor Happart zat er toen niets anders meer op dan de sjerp van "maire' formeel over te dragen aan zijn compagnon Droeven. De Waalse socialisten offerden Voeren op voor het grotere belang van regeringsverantwoordelijkheid en Happart was razend. “Voeren is vandaag als een klein verkracht meisje. Ze lachen er mee, ze spotten er om, omdat ze denken dat het hun dochtertje niet is”, sprak hij tijdens de 1 mei-viering in 1988 in het gemeentehuis van Voeren.

Happarts woede was begrijpelijk. Hij was niet zomaar een taalactivist, een soort Robin Hood van de lokale franskiljons en gefinancierd door Luikse kringen, maar hij was in de loop van de jaren zeventig vooral uitgegroeid tot een symbolische figuur voor heel Wallonië. Hij was de man die in verzet kwam tegen "le déclin Wallon', de dwarsligger die "nee' durfde te zeggen tegen de arrogante Vlamingen die economisch steeds sterker werden, en tegen het Brusselse (Franstalige) establishment dat zich niets aantrok van het industriële verval in Wallonië. De grootste verdienste van Happart is dat hij Wallonië en de Walen weer hoop heeft gegeven, oordelen publicisten als Guido Fonteyn en Denise van Dam.

Die José Happart werd in het begin van de jaren tachtig door de intellectuele strateeg Guy Spitaels de Waalse Parti Socialiste (PS) binnengevoerd. Daarmee kwam een "historische' verbintenis tot stand tussen het Waals socialisme en het Waals regionalisme. Een samensmelting die de PS electoraal geen windeieren heeft gelegd. Als PS-kandidaat verzamelde Happart (“J'ai un rendez-vous avec l'histoire”) bijna een kwartmiljoen voorkeursstemmen bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in 1984. Maar vier jaar later moest hij ervaren dat “het Waalse Volk van Voeren geen gerechtigheid wordt aangedaan”, omdat de PS de zaak-Happart niet op de spits wilde drijven.

“Ik heb het daar moeilijk mee gehad. Ik ben nog steeds kwaad en ik blijf vechten”, zegt Happart anno 1993, om vervolgens een betoog te houden waaruit blijkt dat hij genuanceerder aankijkt tegen de Vlaams/Waalse verhoudingen dan vroeger. Hij streeft niet langer naar "Retour à Liège', maar hij wil een "bi-regionaal' statuut voor Voeren, waarbij - uitgaande van het Franse "droit du gens' alle burgers in vrijheid kunnen kiezen voor bestuurlijke aanhankelijkheid bij Vlaanderen of bij Wallonië. Maar die eis, vorig jaar nog kracht bijgezet door het organiseren van een referendum in Voeren, stuit op het door Vlaanderen aangehangen "territorialiteits-beginsel', dat uitgaat van duidelijk afgebakende grenzen. Onder andere bezoeken aan Franstalig Québec en aan de Jura heeft Happart doen inzien dat dat zogeheten "droit du sol' niet alleen wordt gekoesterd door de Vlamingen. “Overal in de wereld waar minderheden zijn en mensen zich bedreigd voelen, streeft men naar het "droit du sol'. Dat inzicht heeft me geholpen om te onderhandelen, om oplossingen en compromissen te aanvaarden die ik vroeger nooit zou hebben geaccepteerd”, zegt hij.

Volgens Happart hebben de gebeurtenissen in 1988 niet geleid tot een blijvende breuk tussen hem en de PS of diens leider Guy Spitaels. Het beste bewijs daarvan is wel de spectaculaire stap die Spitaels vorig jaar maakte, door de voorzittershamer van de PS in te ruilen voor het premierschap van Wallonië. Daarmee gaf "Dieu' duidelijk aan dat voor de Waalse socialisten Wallonië voortaan belangrijker is dan België. “Natuurlijk praat ik regelmatig met hem. We hebben vrede gesloten, zeker. Door minister-president te worden heeft Guy Spitaels een stap van grote betekenis gezet, en dat heeft hij kunnen doen omdat ik me politiek heb gedragen. Als ik was gaan dwarsliggen, had hij zich niet kunnen terugtrekken als partijvoorzitter, dan was de partij gebroken”, aldus Happart.

Als lid van het partijbureau van de PS zorgt Happart er wel voor dat hij zijn onafhankelijke en uitgesproken opvattingen blijft ventileren - vaak tot woede van de anti-Happartisten in de partij die vinden dat de boerenactivist Happart met zijn gezeur over Voeren en zijn pleidooi voor “complementariteit tussen kapitaal en arbeid” alleen maar de aandacht afleidt. “Ik streef naar een rechtvaardige samenleving, maar ik ben geen egalitarist”, legt Happart geduldig uit. “Als men zegt: er moet gelijkheid zijn tussen mannen en vrouwen, dan is mijn antwoord: mensen zijn niet gelijk en er is zeker geen gelijkheid tussen de man en de vrouw. Ik geloof dat onze maatschappij een rechtvaardige samenleving moet zijn, een samenleving waarin de sterken de zwakken helpen. En niet, zoals nu gebeurt, de sterken aan de zwakken hun wil opleggen om sterk te blijven. Ik trek een vergelijking met de dierenwereld. In elke kudde, of het nu om bizons gaat of wolven, is altijd een leider. Uitgekozen op grond van zijn kracht, intelligentie, sluwheid. Maar de rol van de leider is niet om de zwaksten van de kudde te verplichten om voor hem te werken, maar zijn rol is om de gehele kudde verder te helpen. De leider vecht om de zwakken te beschermen”.

En, zegt Happart: “De vraag of Happart wint in Voeren of niet, is voor mij niet het belangrijkste. Wat voor mij wel belangrijk is, is de institutionele evolutie van de staat en de opbouw van Europa, want ik heb een veel groter, breder perspectief. Voeren is een microcosmos, die laat zien hoe moeilijk het is om mensen te laten samenleven. Voor mij is Voeren een hele grote leerschool geweest”.