GLUREN BIJ DE CONCURRENT

Friendly spies. How America's Allies Are Using Economic Espionage to Steal Our Secrets door Peter Schweizer 342 blz., The Atlantic Monthly Press 1993, f 50,80 ISBN 0 87113 497 7

Tijdens de recente internationale luchtvaartshow op Le Bourget bij Parijs liep een Franse fotograaf rond met op zijn petje de tekst ""French spy on duty''. Hij was vooral te zien bij Amerikaanse vliegtuigen en bij Amerikaanse persconferenties zat hij steevast vooraan. Niemand legde hem een strobreed in de weg; iedereen wist dat zijn optreden een ironische verwijzing was naar de opgeklopte berichten over Franse spionage-activiteiten bij de Amerikaanse luchtvaart- en defensie-industrie.

De Franse geheime DGSE zou op het dievenpad zijn en de collega's van de CIA hadden dat met een goed gevoel voor timing laten uitlekken. Enkele grote Amerikaanse concerns gebruikten de "spy-scare' dankbaar als excuus om de dure expositie op Le Bourget over te slaan. Show-directeur Serge Dassault sprak evenwel van ""een grote flauwekul'' en de meeste Amerikaanse deelnemers waren het daar mee eens.

De "Salon de l'Aeronautique' op Le Bourget is immers net als al die andere wapenshows in Farnborough, Abu Dabi, Singapore en tegenwoordig ook Moskou bovenal een verkoopbeurs. De nieuwste vindingen worden getoond om verkocht te worden. Het gluren bij de buren hoort erbij. Het enige dat men echt angstvallig geheim wil houden, is wat er niet deugt aan het eigen produkt.

Auteur Peter Schweizer van het recente Friendly Spies is een van de weinigen die in de Franse "fotospion' waarschijnlijk een nieuw bewijs ziet van zijn rotsvaste overtuiging dat de spionagediensten van Amerika's belangrijkste bondgenoten systematisch Amerikaanse commerciële geheimen stelen. Frankrijk, Duitsland, Israel, Zuid-Korea en vooral Japan - allemaal ""stelen ze ons blind'', zo citeert hij inlichtingendeskundigen.

Zijn boek verschijnt op het moment dat politiek Washington zich het hoofd breekt over de nieuwe taken voor het gigantische Amerikaanse "intelligence'-apparaat in het tijdperk na de Koude Oorlog. Aan de hand van een aantal (deels bekende) affaires schetst de auteur een boze zakenwereld die het gemunt heeft op het succes van Amerika's high-tech industrie. Geen middel wordt daarbij geschuwd: omkoping en afpersing van personeel, diefstal van documenten, inbraken in hotelkamers en het aftappen van telefoon- en faxverbindingen.

Doorgaans lijkt het te gaan om gevallen van ordinaire bedrijfsspionage, maar volgens Schweizer zijn het achter de schermen de nationale spionagediensten van bevriende regeringen die aan de touwtjes trekken. Bovenaan de toptien van economische spionnen na Zuid-Korea en Israel staat Japan. Schweizer citeert een CIA-rapport waarin zou staan dat Japan naar schatting tachtig procent van zijn inlichtingen-capaciteit gebruikt tegen de Verenigde Staten, meer dan elke staat ter wereld. Los van de geheime diensten steunt Tokio op een uitgebreid netwerk van instituten en organisaties, waarvan de activiteiten voor andere landen moeilijk zijn te doorgronden.

SPEERPUNTEN

Schweizer noemt het Japans Ministry for International Trade and Industry (MITI) en de Japan External Trade Organization (JETRO) als speerpunten van de jacht op Amerikaanse industriegeheimen. Deze organisaties met kantoren over de hele wereld staan in direct contact met de Japanse regering en met de ruim gefinancierde eigen spionagediensten van Japanse multinationals als Hitachi en Mitsubishi. Volgens de auteur vinden Japanse directies het heel gewoon op illegale wijze informatie te vergaren bij concurrenten. Buitenlandse bedrijven zijn een makkelijke prooi, omdat men er daar nauwelijks op verdacht is.

De Japanse regering zou bij haar economische beleid enorm profiteren van deze "corporate intelligence'. Schweizer staaft zijn beweringen met korte citaten die moeten aantonen hoe vreselijk gemeen de bondgenoten zijn en hoezeer de Amerikaanse ondernemer daardoor wordt geschaad. Bij alle voorbeelden - soms gedateerd en vaak niet echt bevestigd - gaat het volgens hem om verliezen van ""honderden miljoenen of zelfs miljarden dollars''.

Het is al met al een wonder dat geen enkel Amerikaans bedrijf tot nu toe bankroet is gegaan door deze bedrijfsspionage. Sterker nog: ondanks de spionage bij IBM van Service 7 van de Franse inlichtingendienst DGSE heeft dit het Franse staatscomputerbedrijf Bull niet minder noodlijdend gemaakt. Toch houdt Schweizer vol dat Amerikaanse bedrijven doorgaans alarmerend naëf zijn. ""Het past niet bij onze cultuur om bij vrienden te spioneren. Dus doen we het niet.'' Als de ondernemingen de spionage al ontdekken, beseffen ze niet dat ze slachtoffer zijn van een systematische actie van andere landen om Amerika economisch de loef af te steken.

Met die onbenulligheid valt het in werkelijkheid wel mee. Schweizer meldt zelf dat veel Amerikaanse concerns als Eastman Kodak, Motorola, AT&T, Ford en McDonnell Douglas de afgelopen jaren voormalige medewerkers van inlichtingendiensten hebben gehuurd om informatie te verzamelen over concurrenten. Meer en meer Amerikaanse bedrijven vormen zelfs echte spionagediensten met voormalig medewerkers van CIA, FBI en de militaire inlichtingendienst DIA. Zo kwam Kodak door bedrijfsspionage achter de plannen van Fuji voor een nieuwe weggooicamera - overigens nadat het Japanse bedrijf eerst soortgelijke geheimen van Kodak had afgesnoept.

STRATEGISCHE GEGEVENS

De grote vraag - die door de auteur ook niet echt wordt beantwoord - is natuurlijk: wat doet het land dat zelf beschikt over het grootste en meest moderne spionage-apparaat ter wereld? Het budget van de Amerikaanse inlichtingendienst - circa 28 miljard dollar - is ondanks het einde van de Koude Oorlog nauwelijks verminderd. De nieuwe directeur van de CIA, James Woolsey, zei in februari van dit jaar bij de aanvaarding van zijn functie dat de regering Clinton zal onderzoeken of de inlichtingendiensten commerciële informatie kunnen doorgeven aan Amerikaanse bedrijven om hun concurrentiepositie in de wereld te verbeteren. Woolsey sprak van ""het heetste hangijzer van het huidige inlichtingenbeleid''. Overigens maken de CIA en de afluisterdienst National Security Agency (NSA) er geen geheim van dat zij al jaren strategische gegevens verzamelen over de economische positie van potentieel vijandige staten.

De antenneparken, vliegtuigen en satellieten van het NSA kunnen probleemloos het telefoon-, fax- en televerkeer van duizenden commerciële bedrijven onderscheppen. Volgens Schweizer filteren de computers van Amerika's grootste geheime dienst elke dag 53.000 verbindingen op basis van geselecteerde "keywords'. Wat in de woordzeef blijft hangen, wordt geregistreerd en nader geanalyseerd. Het kraken van relatief eenvoudig gecodeerde economische berichten zal de supercomputers van het NSA weinig problemen opleveren. Daarnaast startte het Defense Intelligence Agency (DIA) in 1984 Project Socrates voor het in kaart brengen van technologische doorbraken bij economische concurrenten in Europa en Japan. Socrates is in 1990 door president Bush gestaakt, maar de activiteiten gaan gewoon door.

Volgens Schweizer zijn er zeker zeventig landen die op hun beurt met hun elektronische oren het berichtenverkeer van Amerikaanse bedrijven uit de ether plukken. Nederland komt in Friendly Spies niet voor, maar een van de belangrijke (en misschien wel belangrijkste) officiële taken van de volgend jaar op te heffen Inlichtingendienst Buitenland (IDB) was het verzamelen van "politiek-economische' informatie.

Desalniettemin wordt uit Friendly Spies duidelijk dat traditionele geheime diensten oprecht worstelen met het lonkende perspectief van economische spionage. In het algemeen zien de Amerikaanse inlichtingendiensten in het gebruiken van hun eigen middelen voor commerciële spionage meer na- dan voordelen. Zo verklaarde voormalig directeur van de CIA admiraal Stansfield Turner aan Schweizer: ""Spionnen willen voor hun land wel hun leven riskeren. Maar ze doen dat niet voor General Motors of IBM''.