Gezin op drift (slot); Immigranten en de hoeksteen van Amerika

Nieuwe golven immigranten bedreigen de Amerikaanse economie en vooral de blanke Angelsaksische cultuur. Echtscheiding, ongehuwd moederschap, criminaliteit en druggebruik zouden door de toevloed van latino's en chicano's onaanvaardbaar stijgen. Maar is dat wel zo? Wie corrumpeert eigenlijk de essentie van het Amerikaanse burgerschap? Francis Fukuyama, auteur van het boek "Het einde van de geschiedenis', over de teloorgang van de traditionele "family values'.

"Immigrants and Family Values' verscheen in Commentary, mei 1993. Deze verkorte versie werd vertaald door Jaap Engelsman.

Op de Republikeinse conventie in Houston vorig jaar augustus kondigde Patrick J. Buchanan aan dat er een strijd van straat tot straat ophanden is voor de herovering van onze cultuur. Buchanan heeft gelijk: er staat ons een culturele oorlog te wachten, die, nu de koude oorlog achter de rug is, de volle aandacht van de Amerikanen zal opeisen. Wat hij minder goed begrepen heeft, is dat veruit de meeste niet-Europese immigranten die de afgelopen decennia dit land zijn binnengekomen, niet de vijand zijn. Sterker nog: velen van hen staan potentieel aan zijn kant.

Al geruime tijd heerst onder conservatieven scherpe verdeeldheid over de kwestie van de immigratie. Veel werkgevers en voorvechters van een vrije-markteconomie pleiten voor open grenzen, omdat immigranten een goedkoop reservoir van arbeidskrachten vormen en op den duur meer welvaart creëren dan zij verbruiken. Buchanan en andere traditioneel ingestelde Republikeinen van de rechtervleugel nemen daarentegen een ouder, xenofobisch standpunt in. Zij betwisten de economische voordelen van immigratie, en beschouwen immigranten bovendien als dragers van vreemde, minder gewenste culturele waarden.

De afkeer van immigratie heeft de onwaarschijnlijkste groepen in elkaars armen gedreven. De moeite die het de regering-Clinton heeft gekost om een minister van justitie te vinden die nooit eens een illegale immigrant op de kinderen heeft laten passen, toont ondubbelzinnig aan dat ook progressieve yuppies voor hun manier van leven aangewezen zijn op immigratie.

Anderzijds hebben verscheidene deelgroepen van de progressieve coalitie - zwarten en milieuactivisten - de laatste jaren in toenemende mate bezwaar gemaakt tegen verdere immigratie, vooral uit Latijns-Amerika. Het Black Leadership Forum, onder leiding van Coretta Scott King en het congreslid Walter Fauntroy, heeft gelobbyd voor handhaving van sancties tegen werkgevers die illegale immigranten in dienst nemen, met het argument dat anders banen worden afgepakt van zwarten en legale Mexicaanse immigranten. Milieugroepen als de Sierra Club verzetten zich tegen immigratie omdat deze economische groei, verbruik van grondstoffen en daarmee aantasting van het milieu meebrengt.

Maar terwijl het verzet van links tegen immigratie zich op economische aspecten concentreerde, richtte het verzet van conservatieve zijde zich op de dieperliggende culturele kwestie, en op dat punt zijn de argumenten die rechts aanvoert zeer verward. Aan symptomen van culturele aftakeling is waarachtig geen gebrek, maar de jongste lichting immigranten is wel de láátste groep die wij daarvan de schuld moeten geven.

II

De meest lucide aanval van conservatieve zijde op de immigratie verscheen vorige zomer in de National Review. Peter Brimelow, een ervaren redacteur van Forbes die zelf van Britse en Canadese afkomst is en tot Amerikaan is genaturaliseerd, betoogt daarin dat immigratie in het verleden alleen heeft gewerkt omdat vroegere golven van verzet tegen nieuwkomers ervoor hebben gezorgd dat slechts aantallen werden toegelaten die met succes in de dominante Angelsaksische Amerikaanse cultuur konden worden gentegreerd. Zijn voornaamste bezwaar ligt op het culturele vlak.

Brimelow suggereert dat cultuur een van de voornaamste bepalende factoren is voor economische prestaties en dat daarom te verwachten valt dat mensen uit bepaalde culturen economisch minder zullen gedijen dan anderen. Sommige immigranten zijn bovendien door hun impulsiviteit meer dan anderen geneigd tot lukrake straatcriminaliteit, terwijl anderen verantwoordelijk zijn voor de georganiseerde misdaad, die naar zijn zeggen een etnische basis heeft. Ten slotte stelt Brimelow dat de komst van uiteenlopende niet-Europese culturen de huidige sfeer van multiculturalisme in de hand werkt en ook nog eens ongunstig is voor de verkiezingskansen van de Republikeinse Partij.

Soortgelijke overwegingen vinden wij terug in de publikaties en toespraken van Buchanan. Hij keert zich uitdrukkelijk tegen de opvatting dat democratie een speciaal gunstige bestuursvorm is, en zou dus bestrijden dat het geloof in universele democratische beginselen de kern behoort te vormen van de Amerikaanse nationale identiteit. Maar als je de democratie weglaat uit het Amerikaanse volkseigen, wat hou je dan over? Blijkbaar - al is Buchanan op dit punt minder duidelijk - een opvatting van Amerika als een christelijke, etnisch Europese natie met bepaalde culturele kernwaarden, waarvoor mensen uit andere culturen en beschavingen een bedreiging vormen.

De eerste de beste cursus burgerschapskunde geeft een simpel antwoord op de redenering van Brimelow en Buchanan. In tegenstelling tot andere Westeuropese democratieën en Japan is de Amerikaanse nationale identiteit nooit rechtstreeks gekoppeld geweest aan etnische afkomst of religie. In Amerika is de eigenheid van de natie altijd gegrondvest op universele, in theorie voor ieder mens bereikbare concepten als vrijheid en gelijkheid. Amerikaan te zijn heeft altijd ingehouden dat men een bepaald geheel van denkbeelden onderschrijft - niet, dat men afstamt van een oorspronkelijk volk van oer-Amerikanen. De thans zichtbare elementen van een gemeenschappelijke Amerikaanse cultuur - het geloof in de constitutie en de individualistisch-egalitaire principes die eraan ten grondslag liggen, aangevuld met de moderne Amerikaanse pop- en consumptiecultuur - zijn voor iedereen toegankelijk en aanlokkelijk, en maken de Verenigde Staten tot, zoals Ben Wattenberg het noemde, de eerste universele natie.

Deze redenering is tot op zekere hoogte correct, maar er is een ernstige tegenwerping mogelijk, die de kern raakt van het debat over de family values, dat afgelopen jaar oplaaide. Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw is Amerika namelijk naar zijn universalistische beginselen gaan leven. In de voorafgaande periode was het land in de ogen van zijn elites niet louter een op universele beginselen gebaseerde democratie, maar ook een christelijke, Angelsaksische natie.

Vrijwel alle serieuze denkers over de Amerikaanse democratie hebben opgemerkt dat haar welslagen sterk is bepaald door de aanwezigheid van zekere voor-democratische waarden of culturele kenmerken die geen officieel stempel droegen en al evenmin in wetten waren vastgelegd. Vormden de Onafhankelijkheidsverklaring en de grondwet de basis van de Amerikaanse Gesellschaft (samenleving), dan stond de christelijke, Angelsaksische cultuur aan de wieg van de Amerikaanse Gemeinschaft (gemeenschap).

Nergens in de grondwet staat dat ouders zich grote opofferingen moeten getroosten voor hun kinderen, dat arbeiders, willen ze het ver brengen, vroeg moeten opstaan en lange dagen maken, of dat mensen zich het succes van hun buren beter tot voorbeeld kunnen nemen dan het ondermijnen. Toch zijn dat trekken die de Amerikanen, door een christelijke cultuur gevormd, gedurende een groot deel van hun geschiedenis in hoge mate hebben bezeten, en die zonder twijfel aanzienlijk hebben bijgedragen tot het economisch welvaren en de sociale homogeniteit van het land.

Dit soort overwegingen vormde de achtergrond van het debat over family values tijdens de verkiezingen van vorig jaar. Ze komen er in wezen op neer dat, bij overigens gelijke omstandigheden, kinderen beter af zijn wanneer ze opgroeien in stabiele, heteroseksuele gezinnen met twee ouders. Zo'n gezinsstructuur vormt, met het net van morele verplichtingen dat ze meebrengt, de basis voor goede prestaties in het onderwijs, economisch succes, goed staatsburgerschap, karakter en nog een hele reeks andere maatschappelijke deugden.

De kwestie van de betekenis van het gezin is door de Republikeinen zeer slordig behandeld en door de pers en de Democraten (waartussen veelal geen verschil te bekennen viel) opzettelijk verdraaid. Alleen al het noemen van de term family values lokte honende beschuldigingen uit van bekrompen homohaat of vijandschap jegens alleenstaande moeders. Toch zal niemand ontkennen dat het gezin en de gemeenschap op dit moment in een diepe crisis verkeren. Vooral de onttakeling die het zwarte gezin de laatste paar generaties in de Amerikaanse binnensteden heeft doorgemaakt, illustreert op schrille wijze de maatschappelijke gevolgen van de teloorgang van bepaalde culturele waarden. En wat onder de zwarten is gebeurd, is slechts de extreme voortzetting van een proces dat ook onder blanken in volle gang is.

Het gaat er uiteindelijk niet om of de kwestie van cultuur en culturele waarden van belang is, en of het legitiem is haar aan de orde te stellen, maar wel of immigratie die waarden werkelijk bedreigt. Want hoewel de waarden die wij essentieel achten voor economisch welslagen dan wel sociale samenhang uit een christelijke, Angelsaksische cultuur kunnen zijn voortgekomen, is toch duidelijk dat ze niet tot die bepaalde sociale groep beperkt blijven. Bepaalde groepen, zoals joden en Aziaten, zouden zich die waarden wel eens in hoge mate eigen kunnen maken, terwijl de blanke, Angelsaksische protestanten ze wellicht kwijtraken. De vraag moet dan ook luiden: door welke etnische groepen worden die essentiële culturele waarden op dit moment in Amerika bedreigd, en door welke groepen worden ze versterkt?

III

Het idee dat niet-Europese immigranten een bedreiging vormen voor het traditionele gezin en andere culturele wezenstrekken van de Amerikaanse samenleving, is eigenlijk nogal eigenaardig. De onttakeling van de aloude familiestructuren - van het samengestelde gezin tot het kerngezin - wordt immers al lang beschouwd als een kwaal van hoogontwikkelde industrielanden, niet van naties die zich nog maar recent van hun agrarische verleden hebben losgemaakt.

Het zou wel eens kunnen dat de treurige ontbinding van fundamentele sociale relaties die zich in de Amerikaanse binnensteden voordoet en die zelfs de intiemste morele banden tussen ouders en kinderen aantast, in de geschiedenis van het mensdom vrijwel zonder precedent is. Bij de economische omstandigheden die in de meeste Derde-Wereldlanden heersen zou een sociale groep een zo volslagen ineenstorting van de gezinsstructuur eenvoudigweg niet overleven; zonder vaders en zonder inkomsten, of met aan drugs verslaafde moeders, zouden de kinderen de volwassenheid niet halen.

Van de factoren die in de laatste paar generaties het gezinsleven van de Amerikaanse middenklasse hebben gesloopt - snelle economische veranderingen met de bijbehorende sociale ontwrichting; de opkomst van het feminisme en de weigering van de vrouw om haar aloude maatschappelijke rol nog langer te vervullen; de legitimering van alternatieve levenswijzen en de daaruit voortvloeiende sterke verbreiding van rechten en uitkeringen op individueel niveau - zijn de meeste in de Derde Wereld niet van toepassing. Immigranten uit traditioneel ingestelde ontwikkelingssamenlevingen zijn doorgaans armer, en intellectueel en ambachtelijk minder geschoold, dan die uit Europa, maar ze hebben meestal wel een sterkere familieband en zijn op zedelijk gebied terughoudender. Bovendien valt aan te nemen dat de immigranten een zichzelf selecterende groep vormen, waarvan de leden qua energie, ambitie, uithoudingsvermogen en flexibiliteit ver boven de middelmaat uitsteken.

Deze intutieve conclusies worden door de beschikbare empirische gegevens ruimschoots bevestigd, vooral wanneer wij de componenten van de immigrantengemeenschap afzonderlijk beschouwen.

De traditionele kracht en waarde van het gezin is vooral onder de immigranten uit Oost- en Zuidoost-Azië evident. Daar geldt de onderlinge steun van familieleden sinds lang als de basis van hun economisch welslagen. Volgens statistische gegevens van het Census Bureau (Bureau voor Volkstellingen) waren 78 procent van de uit Azië en het Grote-Oceaangebied afkomstige leefeenheden in de Verenigde Staten gezinshuishoudens. Bij blanke Amerikanen is dat 70 procent. Terwijl Aziaten even vaak trouwen als blanken, scheiden ze maar half zo vaak. De meeste Aziatische immigranten zijn erop gebrand snel in de Amerikaanse samenleving op te gaan en dringen niet speciaal aan op bijzondere culturele voorrechten.

De meeste blanke Amerikanen zijn wel bereid de grote sociale kwaliteiten van de Aziaten te erkennen; hun eigenlijke vrees voor een culturele invasie betreft de latino's. De Aziaten vormen nog altijd minder dan 3 procent van de bevolking van de VS. Het aantal immigranten uit Latijns-Amerika is daarentegen tussen 1980 en 1990 gestegen van 14,6 tot ruim 22 miljoen; dat is 9 procent van de bevolking. Maar ook hier wijzen de beschikbare gegevens erop dat de meeste Latijns-Amerikaanse immigranten de status van het gezin niet aantasten, maar versterken.

De latino's vormen tegenwoordig een uiterst heterogene groep. Het is zeker zo dat een deel van de Latijns-Amerikaanse gemeenschap in vele opzichten met dezelfde sociale problemen kampt als de zwarten. Dit geldt met name voor de eerste grote Latijns-Amerikaanse gemeenschap in de VS: de Portoricanen, die kort na de oorlog naar het vasteland zijn gekomen, waar zij zich in hoofdzaak in New York en andere steden in het noordoosten hebben gevestigd. In 40 procent van de Portoricaanse gezinnen is het gezinshoofd een vrouw, tegen 16 procent bij de niet-latino's; slechts 57 procent van de Portoricaanse leefeenheden zijn gezinnen, terwijl het percentage buitenechtelijke kinderen in deze groep bijna dubbel zo hoog ligt als bij niet-latino's.

Ook andere groepen Latijns-Amerikanen hebben sociale problemen meegebracht: de evacuatie van Cubanen via de havenplaats Mariel in 1980, waarbij Castro zijn gevangenissen en psychiatrische inrichtingen leegde, had een meetbaar effect op de criminaliteit in de VS. Vele door de oorlog geharde immigranten uit El Salvador en andere roerige Middenamerikaanse landen hebben de misdaadcijfers opgevoerd, en de bendes chicano's (Amerikanen van Mexicaanse afkomst) in Los Angeles en andere steden in het zuidwesten zijn inmiddels zeker zo berucht als de zwarte Bloods en Crips. Tijdens de rellen in Los Angeles vorig jaar was de helft van de arrestanten van Latijns-Amerikaanse afkomst.

Zulke in het oog lopende verschijnselen versterken bij blanke Amerikanen de indruk dat de latino's als groep de zwarten in de binnensteden zijn komen versterken tot één machtige, gevaarlijke onderklasse. Er bestaan echter grote verschillen tussen de diverse groepen Latijns-Amerikanen. Zo is het aantal vrouwelijke gezinshoofden bij latino's van Cubaanse en Mexicaanse afkomst, die samen 65 procent van de Latijns-Amerikaanse gemeenschap vormen, de helft van dat bij de Portoricanen: 18,9 en 19,6 procent tegen 38,9 procent. En waar bij de Portoricanen het percentage buitenechtelijke kinderen dat van de zwarten benadert (53,0 tegen 63,1 procent van de levendgeborenen), liggen de cijfers voor Cubaanse en Mexicaanse immigranten met respectievelijk 16,1 en 28,9 procent dichter bij het cijfer voor de blanken: 13,9 procent.

De gezinsstructuur van de latino's als groep staat ergens tussen die van de blanken en die van de zwarten in.

Armoede is een kruis voor ieder gezin, ongeacht het ras; het hogere percentage vrouwelijke gezinshoofden onder Latijns-Amerikanen wordt ten dele veroorzaakt door het feit dat er in die groep nu eenmaal meer arme gezinnen zijn. Bij gezinnen onder de armoedegrens ligt het percentage vrouwelijke gezinshoofden in de Latijns-Amerikaanse groep zeer dicht bij dat van de blanken (45,7 tegen 43,6 procent), terwijl het vergelijkbare cijfer voor zwarten veel hoger is (78,3 procent). Aangezien in de omvangrijke Portoricaanse gemeenschap een veel hoger percentage van de gezinnen uiteenvalt, wijst dit erop dat in dezelfde inkomensklasse het percentage eenoudergezinnen onder mensen van Cubaanse of Mexicaanse afkomst in feite lager is dan onder blanken. Latijns-Amerikanen maken bovendien gemiddeld iets vaker dan blanken en zwarten deel uit van een gezin.

Wie de immigratie uit de Derde Wereld ziet als een gevaar voor de Anglo-Amerikaanse culturele waarden, heeft de ware oorzaken van de culturele neergang blijkbaar niet opgemerkt. De ideologische aanvallen op de traditionele gezinsnormen - de seksuele revolutie, het feminisme en de onttroning van de man als heer des huizes, het enthousiasme voor alternatieve samenlevingsvormen, de pogingen om alle aspecten van het openbare leven in Amerika rücksichtslos te seculariseren, de aanvaarding van de schuldeloze echtscheiding en de daarmee gepaard gaande opkomst van het eenoudergezin - zijn niet het werk van de kort geleden aangekomen Mexicaanse boeren of de bootvluchtelingen uit Hati, laat staan van de Chinese of de Koreaanse immigranten. Ze zijn voortgekomen uit het hart van Amerikas gezeten Angelsaksische gemeenschap. De Hollywood-elite, die de befaamde Murphy Brown heeft gecreëerd, vertegenwoordigt evenmin als de media-elite, die de Republikeinen zo graag aan de kaak stellen, de waarden of de belangen van de jongste groepen immigranten uit de Derde Wereld.

Het komt erop neer dat de traditionele cultuur in de Verenigde Staten op dit moment wordt overschaduwd door een elitecultuur die geheel andere waarden in het vaandel voert. Het werkelijke gevaar is niet dat deze elites zullen worden aangetast door de gewoonten en praktijken van immigranten uit de Derde Wereld, maar dat zij de immigranten zullen corrumperen. En die kant gaat het inderdaad op.

De eerste generatie immigranten in de Verenigde Staten eerbiedigt doorgaans de gevestigde autoriteiten en streeft naar economisch succes. Hun kinderen en kleinkinderen krijgen daarentegen oog voor materiële en immateriële rechten, worden politiek bewuster en leren het politieke systeem te benutten om die rechten te verdedigen en te vergroten.

Gemeten naar historische maatstaven mag de immigratie in de afgelopen tien jaar noch in absolute noch in relatieve zin buitengewoon omvangrijk heten. Wat met betrekking tot de immigratie in de huidige situatie wél nieuw is, en hoogst verontrustend, is dat de ideologie van omstreeks de eeuwwisseling, die aanpassing aan de dominante Angelsaksische cultuur bevorderde, heeft plaatsgemaakt voor een multiculturele ideologie, die blijvende culturele verscheidenheid goedkeurt, ja zelfs stimuleert.

Ofschoon de intellectuele en sociale wortels van het multiculturalisme ingewikkeld zijn, is één ding duidelijk: het is niet zomaar een westerse uitvinding, het is een Amerikaanse uitvinding. De Verenigde Staten zijn gesticht op basis van bepaalde, tot de Verlichting behorende opvattingen over de gelijkheid en vrijheid van alle mensen. In combinatie met de relativistische denkbeelden van Nietzsche en Heidegger, die Amerika halverwege deze eeuw bereikten, heeft het vlotte gelijkheidsdenken niet alleen geleid tot de overtuiging dat culturele verdraagzaamheid noodzakelijk is, maar zelfs tot de uitdrukkelijke stelling dat alle culturen moreel gelijkwaardig zijn.

De oorsprong van het multiculturalisme moet worden herleid uit de specifieke maatschappelijke omstandigheden in de Verenigde Staten. Anders dan de pleitbezorgers van het multiculturalisme beweren, was het geen noodzakelijke aanpassing aan de pluralistische realiteit van onze samenleving. In 1910 was het openbaar onderwijs in New York zeker zo kleurrijk als thans, maar niemand kwam toen op het idee de inheemse culturen van de Italianen, de Grieken, de Polen, de joden of de Chinezen in die stad op te hemelen en te beschermen.

De verschuiving in de opvattingen over culturele verscheidenheid dateert van de nasleep van de burgerrechtenbeweging in de jaren zestig, toen duidelijk werd dat de integratie van de zwarten niet werkte. De schuld van de mislukte assimilatie werd gelegd bij de oude, traditionele, Angelsaksische cultuur van de meerderheid; de term Wasp (White Anglo-Saxon Protestant) kreeg een ongunstige klank, en de Amerikanen van Afrikaanse origine begonnen zich te beroemen op de eigenheid van hun tradities. De ironie van het lot wil dat deze ervaring van de African-Americans een voorbeeld is geworden voor latere groepen immigranten als de latino's, die zeker zo gemakkelijk als gewone burgers in de samenleving hadden kunnen opgaan als vroeger de Italianen en de Polen.

Alhoewel de organisaties van Latijns-Amerikanen thans deel uitmaken van de multiculturalistische coalitie, en met kracht hebben aangedrongen op tweetalig en bicultureel onderwijs, komen er steeds meer aanwijzingen dat de doorsnee immigrant veel sterker geneigd is tot traditionele aanpassing dan sommige van zijn activistische voormannen. In het algemeen zijn de Latijns-Amerikanen - meer dan bijvoorbeeld Chinese of Russische immigranten - voorstanders van tweetalig onderwijs, maar een onthullend onderzoek heeft onlangs uitgewezen dat ook hier de overgrote meerderheid van de Spaanstalige ouders tweetaligheid eerder ziet als een middel om Engels te leren dan om de Spaanse cultuur te bewaren. Hetzelfde onderzoek geeft aan dat de meeste Latijns-Amerikanen zich sterk met de Verenigde Staten identificeren en binnenshuis het Spaans maar matig in ere houden. Daar staat tegenover dat het multiculturalisme sterker wordt gesteund door tal van andere groepen - zwarten, feministen, homo's, inheemse Amerikanen enzovoort - wier voorouders van het begin af aan in het land aanwezig zijn geweest.

Brimelows artikel in de National Review suggereert dat zelfs als de immigranten niet verantwoordelijk zouden zijn voor ons - tegen aanpassing gerichte - multiculturalisme, we nog geen olie op het vuur zouden moeten gooien door meer immigranten uit niet-westerse culturen toe te laten. Maar deze stelling kan ook worden omgedraaid: zelfs als de immigratie morgen tot nul zou dalen en de laatste vijf miljoen immigranten naar huis zouden worden gestuurd, zouden wij in dit land nog altijd met een enorm probleem kampen door de ontbinding van een fundamentele cultuur en door het gedweep van de onderwijswereld met een modieus educatief beleid.

De strijd zou dan ook eigenlijk moeten gaan over de aanpassingskwestie zelf: menen wij dat onze westerse, rationele, egalitaire, democratische beschaving zo geslaagd is dat wij nieuwe bewoners van dit land mogen dwingen zich onze taal en regels eigen te maken, of gaan wij in ons respect voor andere culturen zo ver dat de Amerikanen geen gemeenschappelijke stem overhouden om met elkaar te spreken?

IV

Het is niet zo dat immigratie in de toekomst in de Verenigde Staten geen grote economische en sociale problemen kan veroorzaken. Op ten minste drie terreinen is er reden tot zorg.

Het eerste betreft de gevolgen van immigratie voor de inkomensverdeling, vooral onderaan de ladder. De toename van de inkomensongelijkheid in Amerika in het afgelopen decennium komt voort uit de mondialisering van de Amerikaanse economie: laaggeschoolden moeten meer en meer opboksen tegen laaggeschoolden in Maleisië, Brazilië, Mexico en elders. Ze moeten bovendien concurreren met laaggeschoolde immigranten die vanuit de Derde Wereld het land binnenkomen. Dit verklaart waarom de Latijns-Amerikanen zelf zich tegen verdere Latijns-Amerikaanse immigratie verzetten. Mogelijk zal het land als geheel bij voortgezette immigratie economisch baat vinden, maar de mensen voor wie de immigranten rechtstreekse rivalen zijn, hebben ervan te lijden. In een stad als Los Angeles hebben de Latijns-Amerikanen, met hun sterkere sociale banden, de zwarten uit allerlei bescheiden baantjes verdrongen en zo de problemen van de toch al zwaar beproefde zwarte gemeenschap vergroot.

Het tweede probleem heeft te maken met de regionale concentratie van de laatst aangekomen Latijns-Amerikaanse immigranten. Iedereen weet dat de 25 miljoen latino's in de Verenigde Staten niet gelijkmatig over het land verdeeld zijn, maar zijn geconcentreerd in het zuidwesten. Het openbaar onderwijs in Los Angeles staat thans op instorten, want het moet een tomeloos groeiende groep nieuwkomers zien te scholen, terwijl de middelen als gevolg van de recessie drastisch zijn geslonken.

Het derde probleem betreft de tweetaligheid en de Latijns-Amerikaanse elites die haar stimuleren en er hun brood mee verdienen. Zoals eerder opgemerkt, lijkt de doorsnee Latijns-Amerikaan behoorlijk gemotiveerd om zich aan te passen, wat van de leiders van die gemeenschap niet kan worden gezegd. Tweetaligheid is in de ogen van vele van haar pleitbezorgers een middel om een afzonderlijke Spaanse taal en cultuur in stand te houden. Tal van onderzoekingen hebben aangetoond dat deelnemers aan tweetalige lesprogramma's minder goed Engels leren dan zij die er geen gebruik van kunnen maken, en dat vele Spaanstaligen die zich voor zulke cursussen inschrijven, al voortreffelijk Engels spreken. In steden als New York en Los Angeles, met hun vele Spaanssprekende inwoners, is de tweetalige bureaucratie een soort monster geworden, dat hardnekkig leerlingen opspoort zonder zich aan hun wensen of die van hun ouders te storen. De New York Times maakte onlangs melding van het geval van een kind met een Spaanse achternaam dat in de Verenigde Staten was geboren en uitsluitend Engels sprak, dat door New-Yorkse gemeenteambtenaren werd gedwongen lessen Engels als tweede taal te volgen. Het is bekend dat tweetaligheid - slechts een symptoom van een veel bredere crisis in het Amerikaans openbaar onderwijs - de aanpassingsmoeilijkheden vergroot.

Dat zijn problemen die met gerichte beleidsveranderingen kunnen worden aangepakt. De fundamentele moeilijkheid van de immigratieproblematiek ligt echter op het culturele vlak en valt daarom minder gemakkelijk te manipuleren. Die moeilijkheid zit hem niet in de vreemde cultuur die de immigranten meebrengen uit de Derde Wereld, maar in de heersende elitecultuur van de Amerikanen - Amerikanen als Kevin Costner, die meent dat het met Amerika bergafwaarts is gegaan sedert de blanken hier voet aan wal zetten, of Ice-T, nog zo'n Amerikaan, wiens voorouders waarschijnlijk langer in dit land hebben geleefd dan die van Costner, en die vindt dat vrouwen sletten zijn en dat de politie de voornaamste vijand van zijn generatie is. In de komende culturele oorlog van straat tot straat zal de vijand geen bruine huid hebben of Spaans spreken. Zoals de stripfiguur Pogo zei: Hij is ons.