Een nieuwe fase in de strategie van de spanning

Hoe diep zit de rot in Italië? Eén voor één worden de lagen weggepeld van het kleurrijke masker waar een paar jaar geleden nog met een mengeling van bewondering en vermaak naar werd gekeken. Na de systematische corruptie komt nu de mega-corruptie aan het daglicht, met de chemie als speelbal. En tegelijkertijd worden in het puin na de autobommen in Florence, Rome en Milaan vingerafdrukken zichtbaar van een systeem dat terreur en intimidatie gebruikt om te overleven.

Over de daders van de bomaanslagen en hun beweegredenen weten we officieel nog niets. Niet wie het zijn, niet wat ze willen. De Gewapende Falange die heeft opgebeld, is niet geloofwaardig. Ook het idee dat dit het werk is van de mafia, wordt steeds onwaarschijnlijker. Bruno Siclari, de nationale anti-mafiaprocureur, heeft gezegd dat de mafia niet zelf op het idee zou zijn gekomen om aanslagen te plegen op monumenten met een symboolfunctie als het Uffizi-museum in Florence, de San Giovanni in Rome of het kleine Romeinse kerkje vlakbij de plaats waar volgens de legende Romulus en Remus, stichters van Rome, zijn gevoed door een wolvin.

Dit is politieke terreur, maar radicaal verschillend van de aanslagen zoals die door links-extremistische groepen zijn uitgevoerd. Dat was een aanval van buiten de staat, ertegen in. Deze aanslagen lijken van binnenuit te komen, van een oude garde die zich verzet tegen de radicale veranderingen die in gang zijn gezet. Zoals steevast is gebeurd op momenten dat zich politieke veranderingen aftekenen, ontploffen de bommen.

Italië beleeft een nieuwe fase van de zogeheten strategie van de spanning, de aanslagen door extreem rechts in de jaren zeventig. In 1969, toen studentendemonstraties en stakingen de dominerende rol van de christen-democraten in gevaar brachten, ontploft de bom op piazza Fontana in Milaan: zestien doden. Zes maanden later worden in het zuiden zes mensen gedood door een bomaanslag op een trein. In de jaren daarna volgen aanslagen in Brescia, op treinen in Toscane. De meest dodelijke is de bomaanslag in 1980 op het station van Bologna, die 85 levens eiste.

Tussen de aanslagen van toen en de autobommen in Florence, Rome en Milaan zijn twee belangrijke verschillen. Toen kon restauratie nog als doel worden aangevoerd. Nu is dat ondenkbaar. Het onderzoek naar de politieke corruptie en naar de banden tussen mafia en politiek is niet meer terug te draaien. Misschien komen niet alle betrokkenen in de gevangenis. Er wordt op gespeculeerd dat politici massaal in ballingschap gaan als er een nieuw parlement is gekozen en zij geen bescherming meer kunnen zoeken achter hun parlementaire onschendbaarheid. Aan geld voor een aardige villa op een tropisch eiland zal het weinigen ontbreken. Maar hun tijd is voorbij, onherroepelijk. Oud-premier Andreotti erkent dat hij deel uitmaakt van het oude testament. Iedereen weet dat de genadeslag komt bij de vervroegde parlementsverkiezingen. De bommen kunnen niets meer herstellen, niets meer restaureren. Zij zijn blind verzet.

Er is nog een ander verschil. De aanslagen van de jaren zeventig zijn in een internationaal-politiek kader te zien. Italië was in het Koude-Oorlogsdenken van toen de zachte onderbuik van Europa, een zwakke plek aan de buitenkant van het Navo-gebied. De Italiaanse communistische partij was de grootste communistische partij buiten het Oostblok en wedijverde met de christen-democraten om de eerste plaats in Italië.

De "verdediging van het Westen' is zeker een drijfveer geweest in het rechts-extremistische geweld van de jaren zeventig. Het is geen toeval dat daarbij steeds sporen van de geheime diensten opduiken. Harde bewijzen voor een directe rol van leden van de geheime diensten bij de aanslagen zijn er nauwelijks. Maar er zijn wel bewijzen tegen en veroordelingen van leden van de geheime diensten die het onderzoek naar aanslagen bewust op een verkeerd spoor hebben gezet, die op essentiële punten hebben gelogen tegen de justitie. Ook het taboe van justitiële onderzoeken naar de geheime diensten is gevallen. De justitie in Rome is een zaak begonnen tegen leden van de geheime dienst die miljoenen guldens van een geheim fonds voor zichzelf hebben gebruikt. En in Palermo loopt een onderzoek naar een topfunctionaris die ervan wordt verdacht met de mafia te hebben samengewerkt.

Daarom moest woensdag, een paar uur na de bomaanslagen, de kop rollen van Angelo Finocchiaro, de commandant van de civiele geheime dienst Sisde. Niet alleen omdat de Sisde de aanslagen niet heeft kunnen voorkomen. Maar ook in een poging orde te brengen in een chaotische situatie. De Sisde en de militaire geheime dienst delen in de inefficiëntie die het hele Italiaanse overheidsapparaat kenmerkt. Daarbij komt dat zij jarenlang in de rug zijn gedekt door de christen-democratische partij. Het ministerie van binnenlandse zaken, dat de geheime diensten moet controleren, is een bolwerk dat de partij nooit uit handen heeft willen geven.

In het verzet tegen verandering zijn leden van wat hier de "uit de koers geraakte' geheime diensten heet, zeker een factor. Hun belangen komen samen met die van andere machtige groepen. De mafia, die een hard antwoord wil geven op de recente successen van de politie. Politici van het oude regime, die hun macht, rijkdom en persoonlijke vrijheid bedreigd zien. Vrijmetselaars, die hun loge jarenlang hebben gebruikt als een kongsi en nu ook de hete adem van de justitie voelen, met name in het zuiden van het land. Al deze groepen vormen cirkels die elkaar zeker niet volledig overlappen, maar in ieder geval een aantal punten gemeenschappelijk hebben.

In die deelverzameling van mafia, politiek, vrijmetselarij, geheime diensten en gewone misdaad moeten de daders van de bomaanslagen worden gezocht. Daar is haast bij; hoe diep de rot ook zit, zij moet snel worden weggesneden. Want de recente autobommen zijn niet alleen symbolisch door de plaats waar ze zijn geparkeerd, maar ook door het tijdstip waarop ze tot ontploffing zijn gebracht. Steeds is hiervoor een tijdstip rond middernacht gekozen, een moment dat het niet druk is op straat. Het is als een waarschuwing, een poging tot intimidatie: in drie maanden zijn tien doden gevallen, het kan nog erger.