"De "zwaren' in de SGP steeds moderner'

Het voorstel van het hoofdbestuur van de SGP om geen vrouwen als lid toe te laten, heeft deze week alom verontwaarding en onbegrip geoogst. Van een conservatieve terugslag is echter geen sprake, meent C.S.M. Janse, gepromoveerd op de achterban van de SGP en prominent lid van die partij.

DEN HAAG, 31 JULI. Opnieuw hebben de "zwaren' Nederland versteld doen staan. Vorig jaar vestigde een polio-epidemie de aandacht op de afwijkende inentingsgewoontes van de zwaarste en mystiekste der protestanten, de ongeveer kwart miljoen "bevindelijk-gereformeerden'. Deze week maakte een voorgesteld verbod op vrouwelijk lidmaatschap van hun politieke partij, de SGP, veel reacties los.

Vrouwen die zich benadeeld voelen moeten maar naar de rechter stappen, zei het Tweede Kamerlid A. Jorritsma (VVD). Onze steun hebben jullie, riep PvdA-parlementariër M. van der Burg namens de Rooie Vrouwenvereniging richting SGP-vrouwen. “Het is schandalig”, voegde ze er voor alle zekerheid aan toe. Een liberaal Tweede Kamerlid zei al aan het begin van de vorige eeuw: “Behandel hen (de afgescheiden bevindelijken, red.) als krankzinnigen, dus met zachtheid.”

Het citaat komt uit een proefschrift uit 1985 van dr. C.S.L. Janse over de emancipatie der bevindelijken in de tweede helft van deze eeuw. Janse is in het dagelijks leven hoofdredacteur van het in bevindelijke kringen veel gelezen Reformatorisch Dagblad. Hij is ook voorzitter van het wetenschappelijk instituut van de SGP.

Janse bestrijdt de indruk dat er een terugslag, zwarte reactie of iets van dien aard gaande zou zijn bij de achterban van de SGP. Dat beeld is ontstaan omdat het eerder niet verboden was voor vrouwen om lid te worden van de partij. E. van Middelkoop, Tweede Kamerlid voor het GPV en een electorale concurrent van de SGP, sprak afgelopen woensdag van een “conservatieve radicalisering” bij de bevindelijke broeders die al langer gaande zou zijn.

Janse daarentegen, beschouwt de discussie over de plaats van de vrouw als teken van groeiende moderne invloeden in de bevindelijke gelederen. “In de Grondwet van 1848 stond ook niet dat het verboden was voor vrouwen om te stemmen”, zegt hij. “Pas toen het niet meer vanzelfsprekend was dat vrouwen niet gingen stemmen, kwam dat verbod alsnog in de Grondwet te staan. Zo moet men de discussie op dit moment in de SGP ook verstaan.”

Groeiende welstand, een stijgend onderwijspeil, ontsluiting van het platteland, invloeden van de massa-media, ze hebben de laatste decennia zelfs de meest gesoleerde gelovigen van Nederland niet onberoerd gelaten. Steeds meer radio's werden aangezet in bevindelijke huiskamers, eerst bij de "lichte zwaren', later ook bij de "zware zwaren'. Op zondag met de auto naar de kerk mocht ook steeds meer. De assuradeur die eerder bij de voordeur was geweerd omdat God meer verstand van verzekeren had, mocht later toch binnenkomen. Een groeiend aantal vrouwen ging stemmen, zodat de vraag naar hun plaats in de partij aktueel werd.

Deze sociale emancipatie is echter zeer langzaam en zeer laat op gang gekomen, veel langzamer en later dan die van Abraham Kuyper en zijn gereformeerden, aldus Janse. Mede daardoor is de verzuiling in bevindelijke kring - eigen krant (Reformatorisch Dagblad), omroeporganisatie (EO) en scholen - pas in de jaren zestig van deze eeuw ontstaan. Om dezelfde reden komen volgens Janse pas in deze tijd bij bevindelijken de discussies los over de culturele gevolgen van die emancipatie: verslapping van geloof, vervlakking van de menselijke banden, een andere inrichting van de verhouding tussen man en vrouw.

Lange tijd waren de bevindelijk-gereformeerden de "kleine luyden' onder de "kleine luyden'. Anders dan Kuyper die zijn gereformeerden voorging naar een eigen plaats in het maatschappelijk leven, leefden de bevindelijken lange tijd in grote afzondering van “de wereld die in het boze ligt”, zoals Janse het omschrijft. Pogingen tot emancipatie werden geassocieerd met het doorkruisen van de door God gegeven orde.

Doordat de gereformeerden van Kuyper sneller emancipeerden dan de bevindelijken hadden de gereformeerde politici meer vrijheid in hun omgang met het vrouwenvraagstuk dan de SGPers nu, zegt Janse. “De ARP kon van 1922 tot 1952 het toelaten dat vrouwen lid van de partij werden, maar tegelijkertijd verbieden dat ze op de kandidatenlijst kwamen voor onder meer de Tweede Kamer.” Nu zou zo'n aanpak waarschijnlijk getroffen worden door een gerechtelijk verbod, bijvoorbeeld op grond van artikel 1 van de Grondwet (het non-discriminatie-artikel), verwacht Janse.

De bevindelijke laatkomers zitten nu met de gebakken peren. Zij zouden misschien ook wel zo'n regeling willen als de ARP destijds. Maar de Jorritsma's en Van der Burgs zitten overal, de Grondwet en de Wet op de gelijke behandeling in de aanslag. Dat dwingt de SGP tot een minder "genuanceerde' opstelling dan de ARP destijds, aldus Janse, tot een totaal verbod namelijk. En laat de rechter niet denken dat hij dat kan doorbreken. Janse, licht dreigend: “Er wordt binnen de SGP tevens gesproken over een aanscherping van het beginselprogramma, namelijk dat vrouwen geen regeermacht behoren uit te oefenen.” Vrouwen die dit beginsel niet onderschrijven kunnen dan alsnog geweerd worden; daar helpt geen lieve Wet op de gelijke behandeling aan. Die laat namelijk de vrijheid van vereniging intakt.

Leuk vindt Janse het allemaal niet. Openlijk over elkaar heenvallende broeders en zusters zijn geen aangenaam gezicht. Het zal de SGP volgend jaar zeker stemmen kosten, verwacht hij. Bovendien worden de nadelen van de verzuiling met hun strakke organisatie duidelijk. Bevindelijken die te ver van de rechte leer zijn afgedwaald, blijven daardoor te lang in huis. In zijn proefschrift waarschuwde Janse al voor de gevolgen: aantasting van de zuiverheid van de leer en van de stabiliteit van de gemeenschap.

“Iemand die ergens burgemeester is voor de SGP kan zich moeilijker uit de partij terugtrekken dan een directeur van een bank”, zegt Janse. “Maar die SGP-burgemeester wil wel graag carrière maken. Daarom staat hij in Den Haag liever bekend als een gematigde SGPer dan als iemand die de puntjes op de i zet. Op dat soort verschijnselen moeten we wel alert zijn.” Onder de SGPers die zich verzetten tegen het voorgestelde verbod op het lidmaatschap van vrouwen, is A.C.Ph. Hardonk, burgemeester van Barneveld.

Voor Janse staat vast dat de SGP de komende tijd de vrouwelijke achterban bij de partij zal blijven betrekken, al kan dat niet door ze het partijlidmaatschap aan te bieden. Familiedagen zoals dit jaar rond het vijfenzeventigjarig jubileum zijn georganiseerd, vormen een mogelijkheid. Verder wijst hij erop dat veel bevindelijke vrouwen in hun kerkelijke bonden druk in de weer zijn met discussies over medisch-ethische zaken. “Dat is al gauw ook politiek”, zegt Janse. “Misschien kan er zoiets komen als een symphatiserend Vrouwenberaad. Hadden ze vroeger bij de ARP ook niet zoiets?”