De verschrikkelijke terugkeer van Daan Schrijvers

Episode 6: Waarin Daan Schrijvers, alvorens hij kan overgaan tot het bundelen van twaalfeneenhalf jaar kapitale kwaliteitsjournalistiek, tot zijn eigen verbouwereerdheid zelf maar al te draagbaar blijkt.

Het was, wist ik, hoog tijd voor doortastende daden, Daan. Hier stond ik op een kruispunt zonder stoplichten, journalistiek gesproken dan. In mijn hand brandde de fikse zak met subsidie - zo ruimhartig en zonder dat ik erom had gevraagd mij toebedeeld door de Stichting Journalistiek Hors Catégorie. In mijn inborst knaagde mijn geweten, en in mijn hoofd tuimelden de virulente vingerwijzingen van de ballotage-commissie unisono met de commerciële commando's van de uitgever.

Alles draaide nu om de vraag hoe ik mijn eervolle opdracht, het samenstellen van De leesbare Boek in Beeld, de belangrijke bewaarbundel vol kapitale kwaliteitsjournalistiek ter gelegenheid van het twaalfeneenhalfjarig bestaan van onze toonaangevende periodiek, even gewetensvol als verkopelijk kon volbrengen. Hoe zou ik zonder mijzelf pijn te doen de juiste toonzetting vinden om lovend gerecenseerd te worden door dezelfde culturele kopmannen die de ballotage-commissie bevolkten, of misschien zelfs een klein interviewtje te krijgen, danwel een profilerend portretje van mijzelf als samensteller terug te zien in een Boekenrubriek, vervaardigd door dezelfde culturele kopmannen die de ballotage-commissie bevolkten en de lovende recensies schreven?

Deze daverende dilemma's speelden nog door mijn hoofd nu ik het subsidie-labyrint had verruild voor de veiligheid van de Railroad Bar, die pleisterplaats voor contemplatieve overpeinzingen van intellectuele snit waar het goed knopen doorhakken was. Hier voelde ik me thuis, hier kon ik de turbulente trammelant waarin ik verzeild was door mijn eervolle opdracht in serene rust van alle kanten wikken en wegen.

""Je bent laat, Daan'', had het gezellig gegalmd door de uitspanning, toen ik in mijn beduimelde regenjas, mijn vriend en trouwe medestrijder op de barricades van het vrije woord, die evenzeer aan twintig jaar pensioenopbouw leed als ik, aan een knaapje hing. Omdat journalistiek nu eenmaal in wezen een eenzaam vak was, schoof ik zonder tegenzin aan bij Perron 6, het deel van de toog waar de vaste cliëntèle doorgaans dagelijks uitrangeerde. Een knipoog was genoeg om een Waikiki Winker per expresse mijn kant op te laten stomen. ""Tuut-tuut'', riep de barman als altijd toen hij de verversing op de rails zette.

Ik plaatste de flinke zak met geld op de kruk naast mij en pakte mijn niet al te grote, zwarte aktetas waar net mijn opschrijfboekje, een pen en een Laptop-computer in konden. Zo bescheiden mogelijk zette ik naast de Waikiki Winker mijn andere vriend en trouwe medestrijder voor mij neer. "JOURNALIST VAN BOEK IN BEELD' stond er in krulletters op de klep van de portabele PC. ""Ha, daar is-t-ie! Dat is die journalist van Boek in Beeld!'', gonsde het rondom mij, ""En wat heeft-ie een mooie subsidie bij zich!'' Zonder te reageren nam ik een teugje van mijn Waikiki Winker, want ik hield ervan om een beetje onopvallend door het leven te gaan. ""Als ik wil opvallen doe ik dat liever door het stuk dat ik schrijf, Daan'', dacht ik, ""Of door een mooi boekje misschien...''

Ah, het boekje: de belangrijkste bewaarbundel! Daarvoor was ik hier. Om overzicht te krijgen in de kluwen van problemen, maakte ik op de draagbare Laptop-computer onder de file-naam "Strikt vertrouwelijk' twee kolommen: de ene noemde ik enerzijds, de andere anderzijds. Zo, dat stond, mompelde ik tevreden over zoveel stelligheid. Drie kwartier, vier Waikiki Winkers en twee goed gevulde kolommen later was het duidelijk. Alles overziende, besloot ik dat de gehele kwestie neerkwam op één cruciale vraag: hoe nu verder, Daan?

Voordat ik mijzelf ertoe kon zetten een begin van een antwoord te formuleren, schoof de barman mij de draagbare telefoon onder de neus: ""Voor jou, Daan.''

""Voor mij?'', riep ik verbaasd in de hoorn. Het was Eric Gerets uit Luxemburg, de getalenteerde televisiemaker wiens curieuze kwaliteitsprogramma's, die hij dreigde uit te zenden via zijn nieuwe satelliet DOS 6, hun schaduwen al vervaarlijk vooruit wierpen. ""Ik hoor dat je al heel ver bent, Daan, met De leesbare Boek in Beeld. We moesten maar eens babbelen over de serialization. Als jij ons nu een snerpende synopsis stuurt van je bundel, dan kan ik hier intern eens een balletje opwerpen.''

""Euhh...televisie?'', stamelde ik alsof de werkelijkheid te snel voor mij ging. En dat was ook zo. ""Kijk, Daan, je hoeft nog niks te zeggen,'' zei Gerets geroutineerd, ""Je hoeft alleen maar te zwaaien. Ik zit namelijk aan perron 7.'' Verbouwereerd keek ik naar de overkant van de toog, recht in het gezicht van een frisgewassen jongeman, die eruit zag alsof hij de prijs van een modale kwaliteitsjournalist uit zijn hoofd kende. In zijn ene hand hield hij een draagbare telefoon, en met zijn andere hand maakte hij een joviaal gebaar met zijn chequeboek. Halfhartig zwaaide ik terug, en dook nog dieper weg achter de portabele PC, waarop nog steeds de vraag ""Hoe nu verder?'' om antwoord schreeuwde.

Juist toen ik mijzelf opmaakte om een begin van een oplossing te formuleren en aldus de doortastende daad te stellen die ik mijzelf had beloofd, barstte er een hels kabaal los. Een fijne collega die de poëzierubriek in een concurrerende culturele kroniek verzorgde, drukte zijn kapotgeslagen bierglas vol onverholen haat in het gezicht van zijn vroegere vriendin. ""Dat is mijn regenjas!'', krijste hij, ""Het geeft geen pas / Dat jij hem pakt uit het rek / De regenjas is immers voor de journalist het attribuut bij uitstek!''

Grote Goden, was het alweer zo laat? Tijd om aan het werk te gaan. In één beweging dronk ik mijn Waikiki Winker leeg, stopte mijn portabele PC in de niet te grote zwarte aktentas, griste mijn fikse zak met geld van de kruk naast mij, plukte mijn beduimelde regenjas van het knaapje en zocht een goed heenkomen. Op weg naar de uitgang kapte ik mij een weg door flarden conversatie (""Chique zeg, dat jullie ook 50 jaar Mick Jagger op het omslag hadden!'') van de collegae, waarvan velen druk bezig waren elkaar te ondervragen voor hun diverse zomerseries (""Wat doen jouw cursiefjes nou, Jan?'' ""Twee ton in de knip, Peter.'' ""Oh, dan kunnen we elkaar de hand schudden.'') naar de uitgang.

Eindelijk vrij, dacht ik, toen ik buiten stond. Vastberaden stapten mijn benen naar links, maar: hola, wat was dat nu? - alsof de wassende wateren des onheils schuimend over de rand van ons tijdsgewricht kolkten, dreef ik als willoos wrakhout in tegenovergestelde richting, terwijl mijn voeten machteloos in het luchtledige bungelden. ""Gezellig dat je mee gaat kaasfonduen, Daan, zodat we eens even doortastend over de bundel kunnen praten en vooral over onze rol daarin'', klonk het alsof tegenspraak niet zou baten.

Het was de voltallige ballotage-commissie van de Stichting Journalistiek Hors Catégorie, mijn nieuwe vrienden, mijn geldschieters, waaronder menig vooraanstaand opinion leader van divers pluimage! Ze hadden mij onder de oksels opgetild, voortvarend de zak met geld van mij overgenomen en voerden mij nu doelbewust mee richting het cultureel eetcafé. ""Maar..euh..'', wierp ik stamelend tegen, ""Ik ben op dieet!''

""Is dat een bezwaar?'', snauwde Walter Decheiver, mijn hoofdredacteur van Boek in Beeld, wiens geduld geringer bleek dan zijn journalistieke overwicht dat lelijk op zijn broekriem drukte. Daantje, Daantje, dacht ik, terwijl ik nattigheid voelde, is het wel verstandig altijd maar tegen de stroom in te willen roeien? Ben je niet te oud om met vuur te spelen, journalistiek gesproken dan?

(Wordt vervolgd)