CHARLES SANDERS PEIRCE; Losbol, junkie, filosoof

Charles Sanders Peirce. A Life door Joseph Brent 388 blz., gell., Indiana University Press 1993, f 77,50 ISBN 0 253 31267 1

Charles Sanders Peirce was een moeilijk mens. ""Hij beminde, haatte en ruziede met bijna iedereen met wie hij in contact kwam: echtgenoten, verwanten en collega's'', noteerde zijn neef Benjamin Peirce Ellis na zijn dood op 19 april 1914. Hij maakte zich het leven onmogelijk aan de Amerikaanse universiteiten en wetenschappelijke instituten, werd een uitgestotene en stierf in bittere armoede, ogenschijnlijk voorbestemd tot de vergetelheid.

Tijdens zijn leven publiceerde Peirce slechts één wetenschappelijk boek, Photometric Researches (1878), over astronomie. Na zijn dood werd begonnen met de uitgave van zijn Collected Papers, maar nog in 1959 kon de Scientific American hem omschrijven als een ""weinig bekende Amerikaanse wijsgeer''. Nu, ruim dertig jaar later noemt zijn biograaf Joseph Brent hem in het onlangs verschenen Charles Sanders Peirce. A Life ""ongetwijfeld de grootste filosoof die de Verenigde Staten ooit hebben gekend''.

Het leven en de persoon van Peirce hebben met die vergetelheid en postume herwaardering veel te maken en zelfs de lotgevallen van de nu verschenen biografie dragen daar de sporen van. Het boek werd al in 1960 als proefschrift verdedigd, maar kon niet worden gepubliceerd. De uitgebreide citaten uit Peirces correspondentie zou diens reputatie kunnen schaden, meende de rechthebbende Universiteit van Harvard, en zij gaf de voorkeur aan een biografie uit eigen huis. Toen daarvan dertig jaar later nog niet één deel verschenen was, was Harvard haar koudwatervrees kennelijk kwijtgeraakt en kon de fascinerende levensschets van Brent (inmiddels sterk uitgebreid en aangevuld) alsnog verschijnen.

Zo struikelde Peirce decennia na zijn dood nog altijd over zijn "reputatie', zoals hij dat ook tijdens zijn leven had gedaan. Hij heette een liederlijke losbol te zijn, een onverantwoordelijke dronkaard en een junkie avant-la-lettre. Hij werd door het gerecht gezocht wegens schulden en verduistering en leed bij vlagen aan een paranode achterdocht. Bijna vanaf zijn geboorte in 1839 droeg hij het odium van gewelddadigheid met zich mee en bezat een onovertroffen talent om zelfs de meest goedwillende vrienden van zich te vervreemden.

OVERSPELIGE REPUTATIE

Ironisch genoeg berustten veel van de geruchten die Peirce in het leven riep (en die door de geheimzinnigheid van Harvard nog werden versterkt) wel degelijk op waarheid, schrijft Brent, al zal een hedendaagse Europese lezer zich over sommige daarvan nauwelijks nog kunnen opwinden. Zo lijkt zijn overspelige reputatie voornamelijk terug te gaan op jaloezie van zijn eerste vrouw jegens de echtgenote van een collega - waarvoor Brent geen enkele substantiële rechtvaardiging heeft gevonden - en op een vijfjarig concubinaat met zijn tweede vrouw Juliette, voordat zijn eerste huwelijk ontbonden en het tweede officieel voltrokken werd. Dat tussen scheiding en nieuwe trouwplechtigheid slechts twee dagen verliepen, wekte nauwelijks minder verontwaardiging dan Juliettes onduidelijke Franse afkomst (men fluisterde over een verleden als fille de joie in de Derde Republiek) en het grote leeftijdsverschil tussen beiden.

Maar hoe weinig wetenschappelijk relevant ook, Peirce zag zich wel degelijk gedwongen zijn (dan nog aanstaande) scheiding in een sollicitatiebrief aan de Johns Hopkins Universiteit te vermelden, en toen zijn huwelijk met Juliette eenmaal een feit was, werd ook zijn tijdelijk contract niet langer verlengd. In een klimaat waarin puriteinse universiteitsbestuurders zich al zorgen maakten om de schadelijke invloed van "scepticisme' op hun pupillen, viel aan uitstoting van de zo openlijk "niet-correcte' Peirce waarschijnlijk moeilijk te ontkomen. De maatregel, die een aardig licht werpt op de achtergrond van het "politieke' neo-puritanisme binnen de Amerikaanse universiteiten van vandaag, betekende het einde van Peirces academische carrière.

In zijn niet-academische werkzaamheden verging het hem niet veel beter. Enkele jaren na zijn ontslag van Johns Hopkins werd hem ook de wacht aangezegd bij de Amerikaanse Coast Survey, waar hij aardmeetkundig onderzoek verrichtte. Hij had er zich ongetwijfeld verdienstelijk gemaakt en met verfijningen in de techniek van slingerproeven tot in Europa bewondering geoogst. Maar zijn ordeloze manier van werken, rapportage en boekhouding maakte hem tot een gemakkelijk slachtoffer van bestuurlijke hervormers die, zoals Brent schrijft, meer genteresseerd waren in de administratie van de wetenschap dan in de beoefening daarvan.

Ongeschikt voor het papierwerk dat van hem werd verlangd, en dat een hedendaags onderwijsministerie nog altijd tot verrukking zou brengen, werd Peirce ook als wetenschapsman gediskwalificeerd. Ten onrechte, zo bleek bij een hertoetsing van zijn slinger-experimenten in 1969, maar die troost kwam voor hem te laat. Vanaf 1892 leefde Peirce zonder vaste bron van inkomsten, zich verliezend in wilde plannen die tot snelle rijkdom moesten leiden, variërend van waterkrachtprojecten tot nieuwe procédés voor chemische reiniging.

IN ROOK OPGEGAAN

Op zijn meest berooide momenten stal hij heimelijk zijn voedsel bijeen, wachtend op de volgende betaling voor het recensiewerk waarmee hij zichzelf en de aan tuberculoze lijdende Juliette in leven hield. Nadat zelfs een baan als hoofd-verkoper van encyclopedieën in rook was opgegaan, bracht een door zijn vrienden ingesteld hulpfonds enige verlichting. Om verspilling te voorkomen werd de steun tweewekelijks in kleine termijnen uitbetaald. ""Charles is nu eenmaal niet in staat met geld om te gaan,'' schreef zijn vriend, de filosoof en psycholoog William James, ""Van het verschil tussen één en honderd dollar heeft hij geen benul.''

Van jongs af aan had het hem aan elke praktische en sociale vaardigheid ontbroken. Toen hij als jong onderzoeker in opdracht van de Coast Survey een rondreis door Europa maakte, verstuurde hij al snel dringende telegrammen met verzoeken om meer geld. Dat bleef echter uit en zijn berichten werden steeds grimmiger en achterdochtiger, terwijl hij niet besefte dat hij zijn superieuren in Amerika voortdurend in het ongewisse liet over zijn verblijfplaats.

Zelf schreef hij zijn moeizame verhouding met de realiteit toe aan erfelijke en lichamelijke factoren: zijn linkshandigheid, en de zenuwaandoening die leidde tot heftige migraine en verlammingen, en ten slotte tot verslaving aan de morfine en cocane waarmee hij de de pijn trachtte te bestrijden. Maar Brent acht zijn opvoeding zeker zo schuldig. Al op de middelbare school gedroeg Charles zich als de blaag die zich van de bescherming van zijn invloedrijke vader verzekerd wist en wie nooit verantwoordelijkheidsgevoel of zelfbeheersing was bijgebracht. En invloedrijk was zijn vader zeker, als hoogleraar wiskunde en astronomie aan de universiteit van Harvard en één van de meest vooraanstaande wetenschapslieden in het Amerika van zijn tijd.

Ook Charles' vader was excentriek, en net als zijn zoon ging hij door voor geniaal. Met lange baard en manen deed hij denken aan een onwereldse profeet, maar dank zij zijn wijd vertakte connecties was zijn invloed in de Amerikaanse wetenschappelijke wereld zeer reëel. Aan die invloed dankte Charles zijn betrekking bij de Coast Survey, èn het feit dat hij daar dertig jaar lang gehandhaafd bleef. Toen zijn vader overleed, was ook het ontslag nog maar een kwestie van tijd, en zette het maatschappelijk verval onstuitbaar in.

ZIELEPOOT

Charles eindigde ten slotte als het tegendeel van zijn vader. Uiterlijk was hij dat altijd al: geen profeet, maar een dandy, die zich zelfs tijdens zijn armste jaren bleef kleden en gedragen als een grand seigneur. En geen spil in het academische leven, maar een vergeten zielepoot, zonder samenhangend oeuvre en met een fragmentarisch neergeschreven visie, waarvan de terminologie zo eigenzinnig was dat vooralsnog niemand er wijs uit leek te kunnen worden.

De laatste vijftien jaar werkte Peirce vrijwel zonder contacten met de wetenschappelijke wereld, maar het was in die jaren dat zijn belangrijkste filosofische ideeën ontstonden. Hij ontwierp er een eigen begrippenapparaat voor, dat door academici niet werd verstaan, zoals hijzelf alleen nog maar fragmentarisch van hun discussies kennis nam. Wat hij las, las hij in de boeken die hij ter recensie kreeg toegestuurd. Wat hij schreef, verscheen als bespreking van boeken over de meest uiteenlopende onderwerpen, van wiskunde tot wijncultuur.

In de jaren dertig verscheen een eerste zesdelige reeks Collected Papers of Charles Sanders Peirce. Maar pas in 1982 is een begin gemaakt met de volledige uitgave van de duizenden gedrukte en vele tienduizende geschreven bladzijden die Peirce naliet en die zo'n dertig banden moeten vullen. Ergens halverwege die twee data begon Peirces naam voorzichtig op te duiken in de internationale discussies - des te voorzichtiger omdat maar weinigen leken te weten hoe je die naam eigenlijk uitsprak (antwoord: "purse').

In Europa gebeurde dat vooral als antwoord op de Franse semiologie uit de jaren zestig en zeventig: de leer der tekenen, die zich voornamelijk baseerde op de theorieën van de Zwitserse lingust Ferdinand de Saussure. Niet alleen bleek Peirce al enkele tientallen jaren vóór Saussure een tekentheorie te hebben ontwikkeld, maar deze was ook veel omvattender en fundamenteler, omdat ze ontwikkeld was vanuit de logica en zich niet beperkte tot de taal en de lingustiek. ""Alles wat werkelijk is, is een teken'', schreef Peirce, en dat was precies wat de semiologen wilden horen.

Peirces "semiotiek' (waarop Aart van Zoest in 1978 een verhelderende inleiding schreef) vormde het sluitstuk van een filosofisch en wetenschappelijk systeem waarvan de samenhang ook voor Brent nog altijd een raadsel is. Zelfs zijn trouwste vriend William James vond Peirces voordrachten en opstellen vaak "obscuur', maar gaf ze graag de gunst van de twijfel als uittingen van peilloze genialiteit. Zijn eigen filosofie van het pragmatisme was, zo verklaarde hij, voornamelijk aan Peirce ontleend; zelfs de naamgeving schreef hij hoffelijk aan de laatste toe, hoewel de term in Peirces geschriften pas laat en dan als "pragmaticisme' voorkomt. Radicaal anti-metafysisch als het pragmatisme is, slechts genteresseerd in wat dingen doen en niet wat hun wezen is, geldt het nog steeds als de belangrijkste, misschien wel enige filosofie van zuiver Amerikaanse makelij, met Richard Rorty als meest recente vertegenwoordiger.

Maar ondanks alle hoffelijkheid van zijn vriend James vond Peirce die kwieke zakelijkheid van het pragmatisme veel te simpel. Het sloot - meende hij - de ogen voor de nieuwe werkelijkheid die ontstaat wanneer de gedachte in relatie treedt met het ding. Die nieuwe werkelijkheid noemde hij thirdness, en de hele architectuur van Peirces systeem berust, schrijft Brent, op de eindeloze herhaling van deze drieslag, en roept sterke herinneringen op aan de dialectiek van de Duitse filosoof Hegel.

Peirce was zich van de ironie van zijn "pragmaticistische' positie en zijn verwantschap met het ""monsterlijke mysticisme van het Oosten'' wel bewust. ""De atmosfeer van Cambridge [Harvard] bevatte heel wat antiseptica tegen dit [Europese] transcendentalisme,'' schreef hij in 1892. "'Toch is het mogelijk dat zich een goedaardige vorm van deze ziekte in mijn geest genesteld heeft en dat deze nu, na lange incubatietijd, aan de oppervlakte komt, gemodificeerd door wiskundige begrippen en natuurkundig onderzoek.''

Niet verwonderlijk zou Bertrand Russell deze speculaties in 1946 hoofdschuddend afdoen als ""unduly metaphysical'' en het grootste deel van de Angelsaksische wijsbegeerte schudde met hem mee. Pas in de jaren zeventig zou een onverdachte denker als Karl Popper opnieuw de reële zelfstandigheid van de wereld van de geest benadrukken en spreken over een nieuwe drieslag: Wereld 1 (de dingen), Wereld 2 (het brein) en Wereld 3 (de inhoud van het denken). Maar de naam Peirce zoekt men daarbij vergeefs.