Boekenkast

Op een ochtend deed ik de keukendeur open. Bello lag in een normale houding, met zijn kop op zijn voorpoten, onder de appelboom. Ik zag meteen dat hij dood was. Dat niemand hem meer een spuitje hoefde geven. Dat ik hem zo gauw mogelijk kwijt moest, want ik was met een boek bezig.

Nu moet ik even rekenen. Daan is geboren in 1972. Het jaar daarop hebben we een hond genomen. Bello is twaalf geworden. September '85 dus.

Nu loop ik even naar de boekenkast. Het boek waaraan ik in '85 heb gewerkt, moet in '86 zijn verschenen. Het verhaal, kleine roman over een gestorven oom.

Nu volgt echter een ingreep van het geheugen zelf. Want vlak vóór dat boek had ik gewerkt aan een jammerlijk mislukte roman over tweelingen, later vereenvoudigd tot Sterk water ('87).

Dat verklaart de druk waaronder ik die ochtend stond. Plus dat ik net ontslag genomen had bij Nieuwe Revu. Het contact met de NRC was gelegd, maar nog heel fragiel. En slecht geslapen, neem ik aan. Slaap meestal slecht wanneer ik werk. Werken is niet goed voor mij.

We hebben Bello in een kleed gewikkeld en naar een verzamelpunt voor dode huisdieren gebracht. Ik had best nog wat tegen hem kunnen zeggen. Dat had mijn loopbaan heus geen kwaad gedaan. Maar ja. Hij was dood. Ik denk niet dat je doden iets tekort kunt doen. Maar jezelf natuurlijk wel.