Vijf bundels van Renate Rubinstein verzameld; Mevrouwen die op hun rechten staan

Renate Rubinstein: Namens Tamar; Met verschuldigde hoogachting; Jood in Arabië, Goi in Israël; Sta ik toevallig stil; Tamarkolommen en andere berichten. Uitg. Meulenhoff, 842 blz. Prijs ƒ 69,50 en ƒ 95,- (geb.).

In de zomer van 1963 schreef de toen 33-jarige Renate Rubinstein in het weekblad Vrij Nederland een column over de ziekenverpleging. Zoals op de eerste bladzijde van haar zojuist verschenen Verzameld Werk (deel 1) is na te lezen, was het een sympathiek en grappig stukje. Ze vertelt hoe een vriend vakantiewerk doet in een ziekenhuis en daar op het vooroordeel stuit dat boenen en verzorgen vrouwenwerk is. Rubinstein noemt dat "kinderachtig'. Ze vindt schoonmaken juist een hele mooie bezigheid en ze ziet ook niet waarin het verschilt van de meeste andere mannenberoepen. Schoonmaken, zo schrijft ze opgewekt, geeft de schoonmaker de gelegenheid om na te denken. Het is goed voor zijn scheppende vermogens.

Eén van de laatste stukken uit het nu verschenen verzameldeel gaat eveneens over de verpleging. Maar meteen valt het verschil op. In de tien jaar die sinds het grappige stukje uit 1963 zijn verstreken moet de schrijfster haar goede humeur volledig zijn kwijt geraakt. In 1973 deugt er plotseling niets meer van de verpleging. Met de artsen is alles mis, de verpleegsters doen maar wat, het ziekenhuis deugt van geen kant, ja zelfs op de mede-patienten is nog zeer veel aan te merken.

Wat is er in die tussenliggende tien jaar met de schrijfster gebeurd? Het vreemde van het nu verschenen boek, een bundeling van Rubinsteins eerste vijf bundels, is dat je daar niet goed achter komt. Zeker is dat de schrijfster zelf patiënt is geworden, ze heeft inmiddels zeer veel gereisd, gepraat en geschreven, ze is twee keer terug in Israël geweest, ze is de nodige keren verliefd geweest, en ze maakt toespelingen op een boedelscheiding, maar voor zover we op het boek zijn aangewezen, blijft het gissen.

Ook de uitgever heeft er alles aan gedaan om ons niets wijzer te maken dan we misschien zijn. Het boek mist een flaptekst, er is geen inleiding, geen nawoord, en er zijn geen verklarende aantekeningen of noten toegevoegd. Het enige wat de lezer te zien krijgt is de selectie die Rubinstein indertijd maakte van haar stukken uit Vrij Nederland, dezelfde selectie die de lezers in respectievelijk 1964, 1966, 1970, 1973 en 1988 kregen voorgezet.

Deze beperking doet de nu begonnen onderneming geen goed. Veel stukken gaan nu eenmaal over actuele gebeurtenissen en ze zijn geschreven in de wetenschap dat de lezer van toen de schrijfster kende en volgde. Dertig jaar na dato gaat dat niet meer op. Er is nu een groeiende groep lezers die niet precies weet wie de personen zijn die in het boek worden genoemd. Belangrijker is nog dat wij nu waarschijnlijk andere accenten zouden leggen. Onderwerpen die in hun tijd belangrijk waren kunnen inmiddels, terecht, vergeten zijn. Andere thema's kunnen daarentegen belangrijker zijn geworden.

Wat ons nu bijvoorbeeld in de stukken over de verpleging vooral zal opvallen is dat Rubinstein het beide keren voor dezelfde groep opneemt: het lagere mannelijke ziekenhuispersoneel. Weten de patiënten volgens haar in 1963 de hulp van haar aardige werkstudent niet naar waarde te schatten, in 1973, als Rubinstein zelf patiënt is, worden de gastarbeiders die de vloeren boenen beklaagd, blijkbaar leidt dat boenen bij hen niet tot meer creativiteit. Rubinstein ziet er eerder moderne slaven in. Ook elders in het boek neemt Rubinstein het bij voorkeur op voor de mannen. Ze heeft het niet zo op "de luipaardvrouwen achter het stuur, de balsemdruppelaarsters in de boutiques, de bridgende klessebessen met de gespoelde pruikebollen, de mevrouwen die op hun rechten staan en de poesjes die ze per flirt wel af zullen troggelen'.

Wat mij in de nu verschenen selectie daarom het meest verbaasde is het feministische geluid dat er tegelijkertijd uit opklinkt. Ik moet Renate Rubinstein in het begin van de jaren zeventig in Vrij Nederland zijn gaan volgen, en ik kan me eigenlijk niet anders herinneren dan dat haar meningen in die tijd altijd ingingen tegen alles wat uit de vrouwelijke hoek kwam. Uit de nu herdrukte stukken blijkt echter dat ze voor die tijd toch ook een soort feministische periode heeft gekend.

Het zelfde gaat op voor haar houding tegenover links. Ik kan me de schrijfster alleen maar herinneren als iemand die met de jaren steeds rechtser werd. Maar in 1964 schrijft ze nog: "Ik ben in de loop der jaren steeds rooier geworden'.

Dat is even wennen. Het geeft ook aanleiding tot misverstanden. Als ze ergens schrijft dat haar mening over de oorlog in Vietnam enorm is "geradicaliseerd', ga ik er eigenlijk automatisch van uit dat ze dus steeds pro-amerikaanser is geworden. Dat blijkt een vergissing. Onder invloed van Amerikaanse intellectuelen keert ze zich juist tegen de Amerikaanse inmenging in Vietnam, en dat verzet wordt, in ieder geval de eerste jaren, steeds sterker.

Het is dit element, de omslag van populair links naar dwars rechts, die de nu verschenen bundeling zo interessant maakt. Het roept de vraag op hoe iemand zich omstreeks het midden van de twintigste eeuw kan ontwikkelen van een provo en anarchist tot de Carmiggelt-adept en hof-biografe die ze op het eind van haar leven zou worden.

Het nu verschenen eerste deel geeft op deze vraag geen antwoord. En ik weet ook niet of dat in één van de volgde drie delen nog komt. Rubinstein heeft haar ommezwaaien nooit echt tot een thema gemaakt. We zien hoe haar ideeën in de loop der jaren veranderen, maar de oorzaak daarvan geeft ze niet prijs. Heeft ze andere vrienden gekregen? Andere vijanden? Is ze andere kranten en boeken gaan lezen? Of was het de in dit eerste deel beschreven aankoop van een eigen huis, die haar steeds behoudender maakte?

De bundeling geeft in ieder geval een kleurig beeld van wat er in bepaalde kringen in de jaren zestig speelde. Rubinstein heeft in haar columns altijd een zeer breed spectrum bestreken. En, wie weet, misschien zou ze zelf wel heel gelukkig zijn geweest bij het idee dat het nageslacht geen duidelijk beeld van haar zou kunnen krijgen. Niet voor niets koos ze als titel voor haar vierde boek de bekende dichtregel "Sta ik toevallig stil' van Jan Emmens. Want Een wiel, dat draait. Ik niet, / ik stuntel op twee benen / en noem dat Lopen, Gaan./ Sta ik toevallig stil, dan heet dat / het standpunt dat ik inneem.