Pure, diepzwarte afgunst; Pianiste Tatjana Nikolajeva over Sjostakovitsj en de talentloze fruitvliegjes

Niemand heeft het Sovjet-tijdperk in al zijn verscheurdheid aangrijpender op muziek gezet dan Dmitri Sjostakovitsj. Zijn leven was een continu gevecht tussen zijn werk en zijn omgeving. Pianiste Tatjana Nikolajeva windt zich nog steeds op over de tegenwerking die haar leermeester te verduren kreeg. Vorige week speelde ze in het Concertgebouw zijn eerste pianoconcert. “Ik wil Sjostakovitsj niet verburgerlijken. Hij was een genie.”

Op 20 augustus speelt Tatjana Nikolajeva met het Brabants Orkest het tweede pianoconcert van Tsjaikovski in het Concertgebouw. Ze vervangt Rian de Waal, die ziek is.

Als een trage tennisbal rolt Tatjana Nikolajeva de rode trap van het Concertgebouw af. Haar kleine ronde gestalte is gehuld in een lang geel-oranje gewaad met zilverdraad, daarboven prijken twee glitterende oorbellen en een parmantige grijze knot. Aan de vleugel steekt ze haar neus de lucht in, heft de vleermuismouwen op en laat de noten eruit rollen. Ze heeft duidelijk plezier in het humoristische vroege pianoconcert van Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975), met wie ze vijfentwintig jaar dik bevriend is geweest. De finale, die begint met een enorme ellebogendreun op de toetsen, speelt ze zelfs twee keer en daarna volgen nog twee toegiften uit Poppedans.

Het wordt niet vaak gespeeld, het eerste concert, op. 35 voor piano, trompet en strijkorkest van Sjostakovitsj, zei Nikolajeva eerder op de dag in haar hotelkamer op loopafstand van het Concertgebouw. Ze houdt van dat concert omdat het de Russische jaren twintig tevoorschijn tovert, met de foxtrot, een lach en een traan en een groteske trompet. “Het is een prachtvol werk. Kunst is eindeloos, het verveelt nóóit!” zegt ze stralend. Ten bewijze daarvan gaf Nikolajeva vorig jaar 92 concerten in de hele wereld.

Tatjana Nikolajeva werd in 1924 in Bezjitsa bij de midden-Russische stad Brjansk geboren. Over de bessen in de bossen van Brjansk kan ze nu nog lyrisch worden. Haar vader was apotheker en speelde viool, haar moeder speelde piano en zette in het provincieplaatsje een muziekschool op. De salon in huize Nikolajev was altijd vol muziek en wonderkind Tatjana kroop al op haar derde achter de toetsen. Toen ze dertien was stuurden haar ouders haar naar de Centrale Muziekschool van Moskou, waar Alexander Goldenweiser haar leraar werd.

“Er was bij ons in de provincie heus van alles aan muziek te horen. Ons huis was beroemd om zijn muziekuitvoeringen. Mensen lazen in die tijd ook veel meer dan nu. De gesprekken waren bepaald niet burgerlijk te noemen, ze gingen altijd over literatuur en muziek,” zegt Nikolajeva. “Natuurlijk was het tegelijkertijd een duistere periode. Net als iedereen wachtten mijn vader en moeder elke nacht op de klop op de deur. Het enige wat hen te verwijten viel was Kulturträgerstvo. Er werden elke nacht onschuldige mensen gearresteerd. Toch herinner ik me die tijd als heel plezierig. Russen zijn in moeilijke omstandigheden altijd heel sterk geweest.”

Kleinzielig

Op het conservatorium zag Nikolajeva Sjostakovitsj alleen in de verte. Het zat de componist op dat moment bepaald niet mee. Hij was met Sergej Prokofjev en anderen het mikpunt van cultuurcommissaris Andrej Zjdanovs beruchte decreet van 1948, waarin een aantal moderne componisten werd beschuldigd van "formalisme'. Dat scheldwoord trof die kunstenaars, die zich niet strikt genoeg aan de codes van het socialistisch realisme hielden. Hun muziek werd in de ban gedaan en ze verloren hun baan. Nikolajeva herinnert zich die dag, 10 februari 1948, nog precies. Ze zou die avond de eerste sonate van Prokofjev voor viool en piano uitvoeren in het Moskouse Conservatorium. “De violist belde me op en zei: er is een schandaal. We mogen Prokofjev niet uitvoeren.” Ze schrok er niet van, maar had gloeiend de pest in.

Zoals Beethoven zijn Diabelli had en Mozart zijn Salieri, zo had Sjostakovitsj Tichon Chrennikov, de middelmatige voorzitter van de Componistenbond, die menige musicus in de Sovjet-Unie de voet dwars heeft gezet. “Wij verafgoodden Sjostakovitsj,” zegt Nikolajeva, “ondanks die campagne tegen hem. Wij begrepen heel goed dat dit de moderne muziek was, die de tragiek van ons leven weergaf. Bang waren we niet, nee. Per slot van rekening was het in Rusland niets nieuws. Rachmaninovs muziek was verboden als decadent, zelfs Tsjaikovski werd niet opgevoerd. Maar we waren ernstig teleurgesteld dat ze ons opnieuw in de wielen reden. Je moet goed begrijpen, dat alle kwaad altijd komt van je naaste collega's, die zelf niets presteren. Het waren allemaal nietswaardige, kleinzielige, talentloze mensen. Maar het krachtigste wapen tegen heel die mafiabende was doorgaan met componeren en dat deed Sjostakovitsj. Op elk verbod antwoordde hij met een nieuw werk. Dat belandde dan wel in de la, maar niemand twijfelde eraan dat het ooit zou worden uitgevoerd.”

In 1950 won Nikolajeva met Bachs Preludes en Fuga's het internationale Bach-concours in Leipzig. Sjostakovitsj zat in de jury en raakte zo onder de indruk van haar pianospel dat hij zelf in een oogwenk 24 preludes en fuga's componeerde, die hij aan haar opdroeg. Nikolajeva is er nog trots op. “Sjostakovitsj prees mijn Bach-vertolking en dat was voor mij heel belangrijk. Ik was nog jong, maar had mijn eigen opvatting over hoe je die oude muziek moest spelen. Er zijn verschillende stromingen. Velen spelen Bach "religieus", maar ik vind dat je hem levend spelen moet en niet als een museumstuk. Met name in Duitsland heerst nog een heel conservatieve Bach-opvatting, men speelt hem statisch, zonder uitdrukking, op klavecimbel. Ik heb daarover heel wat discussie moeten voeren.”

Hoofdkussen

Nikolajeva, van wie sommigen beweren dat zij als docent aan het Moskouse conservatorium collega's weleens de voet heeft dwarsgezet, heeft haar uiterste best gedaan het werk van Sjostakovitsj te propageren. De 24 preludes en fuga's componeerde hij praktisch in haar aanwezigheid. “Je had het gevoel dat hij altijd componeerde, het was fenomenaal. Hij was helemaal aangestoken door zijn eigen muziek. Hij góóide het als het ware op papier en wist zeker dat het zo moest zijn en niet anders.” Toen het werk af was, speelde hij het eigenhandig voor in de bomvolle zaal van de Componistenbond. “Hij was heel nerveus en speelde slecht. Toen vielen ze allemaal over hem heen en begonnen hem onderuit te halen. Sommige van die fuga's, zeiden ze, waren zo slecht dat ze helemaal niet uitgevoerd zouden mogen worden! Het was pure afgunst! De pianiste Joedina werd zo kwaad dat ze opsprong en zei: Wie van jullie kan iets maken wat hier ook maar in de verste verte op lijkt? Toen kwam bij mij het idee op het werk te rehabiliteren door het perfect uit te voeren. Sjostakovitsj gaf me zijn enige manuscript en het was gedaan met mijn rust. Ik legde het onder mijn hoofdkussen, sleepte het met me mee en schafte zelfs een safe aan. Nadat ik het had ingestudeerd, nodigde ik hetzelfde publiek uit en gaf een uitvoering op het ministerie van cultuur. Sjostakovitsj was er gelukkig niet bij, dat stelde me gerust. Ik moest immers niet alleen heel goed spelen, ik moest de critici ervan overtuigen dat het een schitterend werk was. Dat is me gelukt.” In 1991 kreeg Nikolajeva in Londen de Gramophone Award voor haar opname van de 24 preludes.

Er is waarschijnlijk geen Russische componist die het sovjet-tijdperk aangrijpender op muziek heeft gezet dan Sjostakovitsj. Zijn moeizame verhouding met de machthebbers dwong hem nu eens tot stilzwijgen, dan weer tot het maken van gelegenheidsmuziek voor propagandafilms, maar ondertussen componeerde hij gestaag door. De eerste echte klap kwam al in 1936, toen hij dertig jaar oud was. De Pravda publiceerde het artikel "Lawaai in plaats van muziek", waarin Sjostakovitsj' opera Lady Macbeth van Mtsensk wordt omschreven als epileptische, primitieve, vulgaire muziek, die "kwaakt, jankt, hijgt en naar adem snakt.' Zo'n artikel kon gelijk staan met een doodvonnis, maar Sjostakovitsj ontsprong de dans. De oorlog bracht wat ideologische verlichting, voor het eerst werd droevige muziek weer getolereerd. Sjostakovitsj componeerde zijn zevende symfonie over Leningrad. Zelf zei hij hierover: “Ze gaat niet over het belegerde Leningrad, maar over het Leningrad dat Stalin heeft vernietigd, een werk dat Hitler slechts heeft afgemaakt.” Na de oorlog kwam al gauw de campagne tegen het formalisme.

In zijn omstreden memoires (Testimony), waarvan nog steeds niet vaststaat of ze nu echt uit zijn mond zijn opgetekend door Solomon Volkov, zegt Sjostakovitsj: “Muziek, en kunst in het algemeen, kan niet cynisch zijn. Muziek kan bitter en wanhopig zijn, maar niet cynisch. En in dit land verwarren ze cynisme met wanhoop. Als muziek tragisch is, noemen ze dat cynisch. Ik ben meer dan eens van cynisme beschuldigd en trouwens niet alleen door regeringsbureaucraten. Maar het is juist de muziek van bekrompen mensen die vaak cynisch is.”

In zijn inleiding vergelijkt Volkov de verhouding tussen Sjostakovitsj en Stalin met die tussen de joerodivy (de hofnar of volksdwaas die alles zeggen mag maar niet serieus wordt genomen) en de tsaar. Nikolajeva haalt er haar schouders over op. Ze is niet onder de indruk van het boek van Volkov. Ze heeft hem nooit bij Sjostakovitsj gezien en gelooft niet erg in de authenticiteit van de memoires. “Ik wil Sjostakovitsj niet verburgerlijken. Hij was een genie. Volkovs boek is met een bepaalde bevooroordeeldheid geschreven. Sjostakovitsj was trouwens een man van weinig woorden. Hij hield veel voor zichzelf. Natuurlijk heeft de politieke situatie een enorme rol gespeeld in zijn leven. Zijn muziek geeft een waarachtige weergave van zijn tijd. Neem de tiende symfonie, die hij in 1953 voltooide, de "Stalin'-symfonie. Dat is angstaanjagende muziek met hier en daar lichte toetsen. Dat is wat wij een "optimistische tragedie' noemen.”

Mangel

Sjostakovitsj was geen verzetsheld. Net als Nikolajeva, die vragen over dit onderwerp ontwijkend beantwoordt, was hij keurig lid van de communistische partij. Als het zo uitkwam, gebruikte Stalin hem als paradepaardje, om hem vervolgens weer door de mangel te halen. Nikolajeva, zelf winnares van ettelijke staatsprijzen en drager van de officiële titel Volksartiest van de Sovjet-Unie: “Natuurlijk was hij bang, maar tegelijkertijd was hij niet laf. Hij was niet zozeer bang voor de dood, denk ik, maar voor hele gewone dingen, dat hij de huur niet meer kon betalen, dat hij zijn gezin niet meer zou kunnen onderhouden. Voor ons was hij juist een toonbeeld van moed: zijn eerste strijkkwartet werd niet uitgevoerd, de cyclus joodse liederen werd verboden, maar hij ging gewoon dóór, met het vijfde strijkkwartet, de tiende symfonie. Dat was zijn sterkste wapen tegen zijn vijanden en ze wisten het, die fruitvliegjes, die talentloze kleine geesten.”

Hoewel Nikolajeva een enorm repertoire beheerst, blijft Sjostakovitsj voor haar altijd iets heel speciaals. “Zijn muziek komt voor mij diep uit de ziel. Ze wordt met de jaren steeds begrijpelijker. In zijn tijd hebben velen hem niet begrepen, maar ik merk het nu aan de jeugd. Die zijn verrukt van hem. Zijn muziek gaat over de problemen van het leven en hoe je die te boven komt. Hij is Gogoliaans: een lach door tranen heen, humor en tragedie tegelijkertijd. Je kunt niet onaangedaan naar hem luisteren. Hij is een rusteloze componist.”

Nikolajeva trad vorige week in Amsterdam op met het Litouwse Kamerorkest onder leiding van Saulius Sondeckis. Ze kent het orkest al twintig jaar en nu moet ze opeens een visum aanvragen als ze naar Litouwen moet. “Ik begrijp dat ze het niet gemakkelijk hebben gehad, de Baltische landen, maar ik word hier diep treurig van. Wij zijn als internationalisten opgevoed, ik heb nooit van mijn leven onderscheid gemaakt tussen een Rus, een jood of een Georgiër. Ik vind het erg dat de Sovjet-Unie uiteen is gevallen. We hielpen elkaar. Hoeveel mensen uit de republieken zijn er niet aan het Moskouse conservatorium afgestudeerd! Onze professoren namen in alle republieken examens af. En kijk nu eens wat een puinhoop. Ons land is ziek, ik lijd daaronder, maar het is mijn huis, ik kan niet buiten Rusland leven. Er is hier een bepaald fludum. Maar als er bloed gaat vloeien, dan zal ik ook wel ergens heen vluchten. Ik ben te oud voor oorlog.”