Peter Hoeg over crisis, verval en ondergang; De gebruikscoefficient van de liefde

Peter H⊘eg: Nachtvertellingen Vertaald door Gerard Cruys. Uitg. Meulenhoff, 224 blz. Prijs f34,50.

Jason Toft, een van de hoofdpersonen in de bundel Nachtvertellingen, is vijfentwintig en al behoorlijk over het paard getild. Terwijl hij door Kopenhagen wandelt, stelt Jason zich voor hoe het centrum eens zal volstromen met Denen die hem, de grote schrijver, komen gelukwensen met het winnen van de Nobelprijs. Onwillekeurig heft Jason zijn arm en zwaait hij naar de massa, en pas minuten later merkt hij dat hij vrijwel geheel alleen is.

In de figuur van Jason Toft geeft de Deen Peter H⊘eg op ironische wijze zijn eigen schrijversloopbaan weer. Nachtvertellingen, oorspronkelijk in 1990 verschenen en nu door Meulenhoff in Nederland uitgebracht, is zijn tweede boek. In 1988 debuteerde hij met Forestilling om det tyvende ©1Arhundrede (Voorstelling van de twintigste eeuw), een grillig, wonderbaarlijk en ten onrechte nog niet in het Nederlands vertaald epos dat hem met één slag beroemd maakte. Inmiddels is er alweer een lijvige roman van zijn hand verschenen, Fröken Smillas Fornemmelse for Sne (Juffrouw Smilla's zintuig voor sneeuw), een thriller en liefdesgeschiedenis over een Groenlandse in Kopenhagen.

Voordat hij begon te schrijven kwam de nu 35-jarige Peter H⊘eg aan de kost als danser, toneelspeler, schermer, zeeman en berggids - voor zover je hem geloven kunt althans, want waarom zou hij over zichzelf niet net zoveel fabeltjes rondstrooien als over zijn personages? Zijn Nachtvertellingen worden bevolkt door hoogbegaafde, buitengewone mensen, die ook een beetje naëf zijn, doordat dromen en hersenspinsels hun zicht op de werkelijkheid vertroebelen.

De gedreven wiskundige in het openingsverhaal bijvoorbeeld begint al te blozen zodra hij met een vrouw moet praten. Net als alle andere verhalen in de bundel speelt "Reis naar een donker hart' zich in 1929 af, het jaar van de economische crisis en het opkomende fascisme. De feestelijke stemming aan het begin van de vertelling suggereert echter een glorieus Europa, bruisend van gemeenschapszin en ondernemingsgeest. Staatslieden en militairen heffen met elkaar het glas om de opening van een spoorlijn te vieren die langs de rivier de Kongo naar het hart van Afrika leidt. De volgende dag, tijdens de eerste treinreis door de jungle, deelt de Deense wiskundige een salonwagen met een Duitse generaal en met de Brits-Poolse journalist Joseph Korzeniowski, in wie men zonder veel moeite de schrijver Joseph Conrad herkent.

De nacht valt en een zwart dienstertje ontsteekt het haardvuur. Dan vertelt het meisje dat de rebellen uit het oerwoud, van wie zij de aanvoerster is, van plan zijn de trein met de blanke kolonialen te laten verongelukken. Nu is voor de auteur het moment gekomen om in de conversatie van de drie geleerde heren iets van zijn cultuurpessimisme te laten doorschemeren. "Het lijkt allemaal [-] op Venetië, alles is aan het zinken. En in die omstandigheden scheppen we een droom, een droom om samenhang in de chaos te krijgen, een coherente theorie, zodat we het wegzakken in de modder kunnen stoppen', zegt de jonge wiskundige.

Alle Nachtvertellingen gaan op een of andere manier over crisis, verval en ondergang, van mensen, emoties, ideeën en culturen, maar dat is voor Peter H⊘eg nog geen reden om in geweeklaag uit te barsten. Zijn reizen door het verleden zijn tevens reizen door de fantasie en soms lijken het zelfs wel reizen door de boeken van andere schrijvers. Zo leunt de "Reis naar een donker hart' zwaar op Conrads Heart of Darkness en ook op Out of Africa van de Deense schrijfster Karen Blixen. Het exotisme en de buitennissigheid van de gebeurtenissen, de historische entourage en de opdringerige symboliek - in al die opzichten refereren de Nachtvertellingen aan het werk van H⊘egs beroemde landgenote.

Bizar

Om de natuur in bedwang te houden stellen H⊘egs natuurwetenschappers ijzeren wetten op, maar hun knappe bezweringsformules bieden slechts een beperkte bescherming tegen de bizarre werkelijkheid. In "Experiment met de duur van de liefde' bijvoorbeeld gaat de fysicus Charlotte Gabel haar angst voor lichamelijk contact met "drie hoofdwetten van de liefde' te lijf. "De gebruikscoëfficiënt van de liefde", zo luidt een van deze wetten, "is van dien aard, dat de mens alleen de eerste keer met volle kracht liefheeft. Elke daaropvolgende keer is zwakker dan de eerste.'

'Openleggen en doordringen': dat is het motto van de blanke veroveraars in het verhaal over de noodlottige treinreis. En Charlottes naaste medewerker, een arts die gespecialiseerd is in "de strikt wetenschappelijke bestudering van het vrouwelijke bekken', maakt op een congres bekend dat hij zich voortaan met name aan de psychoanalyse wijden wil, om "nog dieper door te stoten'. Ontdekkingsreizen, wetenschappelijk onderzoek en ook de kunst - stuk voor stuk zijn het manieren om de seksuele driften een aura van heiligheid te geven. De danser in "Hommage à Bournonville' is smoorverliefd op zijn vaste danspartner, maar zij heeft hem een leugen verteld over haar verleden als prostituée die hem ervan weerhoudt haar aan te raken. Alleen op het podium mag hij haar minnaar zijn. "Elke avond', zegt zij tegen hem, "dans je op het toneel als de deugdzame ridderlijke jongeman die alles doet om de vrouwelijke zedigheid niet te krenken, en je danst je rol als heilige in een broek die zo strak zit dat iedereen in de zaal kan zien wat je tussen je benen hebt, en ze komen onder andere naar het theater om dat te zien.' Had zij hem niet belogen, dan had hij nooit zo goddelijk mooi gedanst. Als Peter H⊘eg iets met dit verhaal wil aantonen, dan is het wel dat kunst in het ideale geval het verhevene en het banale in zich verenigt.

H⊘eg heeft een voorliefde voor woorden als "God', "paradijs', "hemel' en "eeuwigheid', en door de opeenhoping van zulke woorden krijgt zijn proza iets plechtigs. Zijn personages zijn geen mensen van vlees en bloed, maar zinnebeeldige figuren zoals we die in dromen en sprookjes tegenkomen. De schrijver, de danser, de wetenschapper en al die andere archetypen lijken naar een hogere orde te verwijzen, maar achter hun priesterlijke voorkomen gaan ordinaire driften schuil.

Dat dit dubbelzinnige en hoogst gekunstelde proza nergens gaat vervelen, is vooral te danken aan H⊘egs aanstekelijke plezier in het vertellen. In de Nederlandse versie is veel van die oorspronkelijke frisheid bewaard gebleven, al permitteert de vertaler zich soms een kreupele zin of een on-Nederlandse uitdrukking als "vergangen tijd' in plaats van "voorbije tijd'. Maar dat zijn slechts kanttekeningen bij een verzameling sprankelende verhalen over een thema dat als een rode draad door het oeuvre van Peter H⊘eg heen loopt: de confrontatie met een vreemde cultuur en met een vreemd, chaotisch en eeuwig onvervuld verlangen.