Nationaal Jeugd Orkest klinkt spontaan en indrukwekkend

Concert: Nationaal Jeugd Orkest o.l.v. Roberto Benzi. Solist: Boris Belkin, viool. Programma: P.I Tsjaikofski: ouverture Romeo en Julia. Prokofjev, Tweede vioolconcert; C. Franck: Symfonie. Gehoord: 29/7, Concertgebouw, Amsterdam. Herh.: 30/7 De Doelen Rotterdam. Radio-uitz.: 12/9 Radio 4.

Verschillende generaties van jonge musici hebben het Nationaal Jeugd Orkest sinds de oprichting in 1975 gepasseerd. De bezetting is uiterst bewegelijk en om de tien jaar zit er een volledig nieuw orkest. Ondanks de voortdurende doorstroming blijft het spel toch constant op een hoog peil en is er in 36 jaar een traditie opgebouwd van professioneel orkestspel.

Indrukwekkend was gisteravond vooral de homogene strijkersklank in de Symfonie van César Franck en de onbekommerde virtuositeit waarmee de musici zich in Tsjaikowski's ouverture Romeo en Julia stortten. Dirigent Roberto Benzi weet met duidelijke gebaren en een extra lange dirigeerstok een grote precisie te bereiken terwijl hij met zijn charisma de musici inspireert tot gebundelde spontaniteit.

Dat Benzi mij desondanks niet helemaal kon overtuigen kwam doordat zijn visie op de muziek wat fragmentarisch was. Zowel Tsjaikowski als Franck leken nog het meest op een grote legpuzzel waarbij alle stukjes op hun plaats belandden maar de zichtbare randjes het beeld bleven verstoren. Benzi had kennelijk moeite om de klank van de blazers en de strijkers op elkaar af te stemmen en het koper ging hinderlijk luidruchtig te keer in de forte passages. Ook het muzikale discours had iets onevenwichtigs. Zo werd bij César Franck direct aan het begin al veel kruit verschoten terwijl er nog een kilometer symfonie moest volgen.

In tegenstelling tot de grote romantische orkestwerken is bij Prokofjev nu juist het fragmentarische tot stijl verheven. De Russische violist Boris Belkin voelde dat feilloos aan en bedreef een poëtisch spel met de snel wisselende stemmingen in Prokofjevs Tweede vioolconcert. Met bewonderenswaardige precisie diende het orkest onder Benzi hem van repliek; het strijkers pizzicato in het Tweede deel was spatgelijk en zo kon Boris Belkin boven de begeleiding van een perfect gemiteerd houterig draaiorgeltje zijn vleugels uitslaan.

Het uitbundige publiek werd tot slot onthaald op een fijnzinnig gespeeld toegift: het Adagietto uit Bizets Eerste Arlesienne suite.