Max Pam Catastrofe

Het gebied van de IJ-polders heeft nog het onbestemde van een niemandsland. Op de een of andere manier zijn de planologische diensten er niet in geslaagd dit gebied volledig in hun greep te krijgen en dat heeft het landschap alleen maar goed gedaan. Natuur en industrie zijn hier na een lang gevecht een eigenaardig verbond aangegaan, ogenschijnlijk zonder dat er een ambtenaar van de ruimtelijke ordening aan te pas is gekomen. Ik houd van deze grimmige landschapsanarchie.

Neem vanaf Amsterdam de oude weg richting IJmuiden. Eerst ziet u aan uw rechterhand een uitgestrekt terrein met donkergroene olietanks. Daar achter ligt de dijk van het Noordhollands Kanaal. Parkeer uw auto in de berm en wacht op het surrealistische schouwspel dat optreedt wanneer de bovenbouw van een vrachtvaarder langzaam door het landschap schuift.

Dan neemt u de afslag Ruigoord. Eerst volgt u een lange rechte weg door het zijkanaal en dan gaat u linksaf de wildernis in. Even voorbij Ruigoord stapt u uit en maakt een kleine wandeling naar het dorp. Onderweg komt u twee vrouwen tegen in Indiase jurken. U groet vriendelijk. Bij het huis met de rode deur houdt u halt. Als u voorzichtig door het raam naar binnen gluurt, kunt u Gerben Hellinga zien zitten. Hij zit achter een tekstverwerker en tikt. Hij werkt aan een toneelstuk. Laat hem rustig werken. Dan wandelt u terug langs de meuk van tuintjes en schuurtjes.

Inmiddels loopt het tegen de avond. Een onheilspellende schoonheid trekt over het gebied, wanneer u tenminste de richting IJmuiden blijft volgen. Na een paar kilometer doemen in een rode gloed de Hoogovens op. Het is nu zaak de linkeroever van het Noordhollands Kanaal aan te houden. U rijdt nu IJmuiden binnen, passeert de visopslag en rijdt door tot aan het strand bij de nieuwe vuurtoren.

Op dit strand vindt u zo'n beetje alles wat nog echt Nederlands is. Tussen de twee pieren varen de schepen traag het zeegat uit. Aan de overkant ligt het feeërieke inferno van de Hoogovens. Vuur en rook stijgen op boven het landschap, een groot hijgend beest van machines. Tegen het duin staan rijen vakantiehuisjes, houten bouwsels die je in een dag kunt opbouwen en afbreken. In de zomer wonen de mensen hier als in een dorp.

Op het strand zijn volleybalvelden en tennisbanen aangelegd. Er worden echte competities gehouden. Even verderop is een soort winkelstraatje, opgebouwd uit diezelfde houten huisjes. Ik kom hier graag om 's avonds langs het strand te wandelen. Bij mooi weer kun je de pier aflopen, tot zover dat het lijkt alsof je midden in zee staat. Dit is een van de laatste stranden waar het modern toerisme nog niet is doorgedrongen.

Maar inmiddels is ook hier de catastrofe begonnen. Een projectontwikkelaar heeft zich van het strand meester gemaakt. Grote borden melden dat in samenwerking met Economische Zaken en Natuurbeheer het gebied eindelijk tot ontwikkeling wordt gebracht. Over tientallen vierkante kilometers is het zand al opgespoten om een kunstmatig strand aan te leggen. De trefwoorden hebben zich al in dienst gesteld van een megalomane droom: Plaza, Marina en Seaport.

Er komt een binnenzee en aan de pier zal een Golden Tulip Hotel verrijzen. Een ander bord toont hoe het hotel er uit gaat zien: de zoveelste versie van de internationale architectenpulp, die ook al de boulevards van Zandvoort en Noordwijk heeft verpest. Het is vreemd - ik ben een levenslustig en ambitieus mens - maar bij het zien van al die grootschalige activiteiten voelde ik plotseling een huivering die misschien nog het meeste leek op wat je een doodsverlangen zou kunnen noemen.

Wat met al die houten huisjes gaat gebeuren, laat zich raden. Maar wat mij eigenlijk nog het meest interesseert is de vraag hoe zoiets tot stand kan komen. Wie een schuurtje achter zijn huis wil bouwen moet zeker een jaar uittrekken om de benodigde vergunningen te krijgen. Naast gemeentelijke en provinciale raden zijn er nog allerlei instanties die zich met zo'n zaak bemoeien. Het is beklemmend dat in dit hele raderwerk kennelijk niemand is opgestaan die heeft gezegd: “Nee, dit moeten wij maar eens niet doen.”