Laten we nergens over praten; Het beoordelen van beeldende kunst in commissies

Op de commissies die kunstwerken bekijken om te beoordelen of ze voor subsidie in aanmerking komen is nogal eens kritiek. Het zou er willekeurig toegaan, er zou vriendjespolitiek bedreven worden, wie in de ene commissie wordt afgewezen zou in de andere toegejuicht kunnen worden. Paul Hekkert en Piet van Weringen, twee psychologen van de Vrije Universiteit, hielden in opdracht van WVC het beoordelingsproces tegen het licht. Hun bevindingen zijn interessant: discussies moeten afgeschaft worden.

Paul Hekkert en Piet van Wieringen: Kwaliteitsbeoordelingen in de beeldende kunst. Onderzoeksrapport in opdracht van het Directoraat Generaal voor Culturele Zaken, Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Amsterdam, 1993

Kunstenaars vrezen het, leken verwonderen er zich over en de betrokkenen zelf willen er weinig over kwijt: het ritueel waarin deskundigen het werk van beeldende kunstenaars beoordelen die een subsidie hebben aangevraagd. Wie het wel eens heeft meegemaakt weet hoe het gaat. Er is een zaaltje met een grote vergadertafel waaromheen zes mannen en vrouwen zitten. Van elke kandidaat worden de personalia voorgelezen. Het licht wordt gedimd en een assistent projecteert dia's van vroeger en recent werk. Vervolgens wordt er wat gepraat en de commissie tracht tot een eensluidend oordeel te komen. Als dat niet lukt besluit de commissie vaak om de kunstenaar in zijn atelier te bezoeken. Vaak komt het dan wel in orde.

Bij dit systeem worden zo nu en dan vraagtekens geplaatst. In de eerste plaats natuurlijk door kunstenaars die zijn afgewezen. De teneur van hun kritiek is dat het stelsel tot vriendjespolitiek leidt en dat het er maar net van afhangt in welke commissie je werk terecht komt. Wat in de ene commissie wordt afgewezen, wordt in de andere toegejuicht.

Je kunt je inderdaad afvragen of het fundament waarop het beoordelingssysteem rust wel zo degelijk is. Dat fundament bestaat uit de volgende veronderstelling: door hun ervaring, opleiding en onderscheidingsvermogen zijn commissieleden in staat goede van slechte kunst te onderscheiden. Als bewijs voor die veronderstelling wordt vaak aangevoerd dat de commissieleden het opvallend vaak met elkaar eens zijn. Harde gegevens daarover zijn echter niet voorhanden.

Op een ander heikel punt is door de socioloog A. De Swaan gewezen. De professionele oriëntatie van de commissieleden - meestal zelf kunstenaar of op een andere manier werkzaam in de kunst - kan er volgens hem toe leiden dat de gesubsidieerde kunst zich steeds verder verwijdert van de smaak van het grote publiek, dat een veel ongecompliceerdere houding tegenover kunst inneemt. Dat draagt er weer toe bij dat de kloof tussen wat gewone mensen mooi vinden en wat door de overheid wordt gesubsidieerd zich verdiept. Uit een oogpunt van kunstspreiding een weinig aanlokkelijk perspectief.

Ook de minister zelf heeft wel eens geopperd dat het beoordelingssysteem - de minister sprak over "gepraat in achterafkamertjes' - de kunst niet vooruit helpt en weinig mogelijkheden tot verantwoording biedt. Instelling van "Rijkskeurmeesters' zou volgens haar heel wat beter zijn. Dat plan moest ze na een storm van kritiek intrekken.

Genoeg redenen voor twijfel dus, en alle aanleiding om daar eens een onderzoek naar te verrichten. Welnu, dat onderzoek is verricht. In opdracht van WVC hielden Paul Hekkert en Piet van Weringen, twee psychologen van de Vrije Universiteit, het beoordelingsproces tegen het licht. Hun bevindingen zijn zeer interessant.

Hekkert en Van Wieringen lieten 34 deskundigen de aanvragen beoordelen van 30 beginnende kunstenaars. Deze deskundigen, 18 kunstbeschouwers en 16 kunstenaars, waren wat betreft hun ervaring en professionele status te vergelijken met de smaakspecialisten die bijvoorbeeld bij het Fonds voor de beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst de aanvragen beoordelen. Het materiaal dat aan ze werd voorgelegd was levensecht: het bestond uit aanvragen voor startstipendia die in werkelijkheid al eerder door het Fonds beoordeeld waren. Startstipendia (tegenwoordig een bedrag van ƒ 35.000) kunnen aangevraagd worden door kunstenaars die net zijn afgestudeerd aan een academie.

Het onderzoek was verdeeld over drie zittingen, met tussenpozen van een maand. In de derde zitting werd het werk van de kunstenaars die in de eerste zitting al de revue waren gepasseerd, nogmaals aan de beoordelaars voorgelegd. Op die manier zou een indicatie kunnen worden verkregen van de betrouwbaarheid van het oordeel van de deskundigen. Dat viel mee, de meeste beoordelaars stemden de derde keer ongeveer zoals de eerste keer, maar er waren ongunstige uitzonderingen.

Wetenschappelijk onderzoek

Interessanter is de vraag of de oordelen van de deskundigen werkelijk zo overeenstemmen als altijd wordt beweerd. Deze vraag kon worden beantwoord omdat elke expert een individueel oordeel moest geven over alle aanvragen - zonder dat hij wist wat zijn collega's ervan vonden. Dat viel tegen, de oordelen stemden slechts in geringe mate met elkaar overeen. (De onderzoekers kwamen tot een gemiddelde correlatie van 0,27, wat gering is, als men bedenkt dat 1.0 een volmaakte samenhang is en 0.0 een verdeling die je zou krijgen als je het toeval liet beslissen). Hekkert en Van Wieringen tekenen hierbij aan dat hoe gering de overeenstemming ook is, zij niet geringer is dan die welke valt aan te treffen tussen beoordelaars van wetenschappelijke onderzoeksvoorstellen.

Oordeelden de experts uit het onderzoek nu net zo als de Fonds-commissies, die de aanvragen immers al hadden beoordeeld? Niet helemaal, zo kan men uit het rapport afleiden. Een kandidaat die door het Fonds was afgewezen, maakte ook in de sessies uit het onderzoek veel minder kans, toch kwamen de proefexperts in ongeveer 20% van de gevallen tot een andere conclusie dan de Fondscommissies. De kunstenaar die klaagt "dat het er maar net van afhangt in welke commissie je werk wordt beoordeeld' heeft dus niet helemaal ongelijk.

Een van de slimmigheden van Hekkert en Van Wieringen was dat ze de deskundigen zowel individueel lieten oordelen (ze moesten een vragenlijst invullen) als ook collectief: na een discussie. Ze constateren nogal wat discrepanties: in zes van de twaalf subgroepen bleek dat de leden hun mening bijstelden in de richting van één lid. Dit verschijnsel kwam de overeenstemming tussen de subgroepen niet ten goede: die overeenstemming zou groter zijn als men afging op het gemiddelde van de individuele oordelen. De onderzoekers concluderen dan ook dat beoordelingsprocedure betrouwbaarder kan worden gemaakt door de discussies maar te schrappen. Op die manier wordt voorkomen dat het eindoordeel van een commissie vooral het oordeel van één lid weerspiegelt.

Experts

Een pikant onderdeel van het onderzoek van Hekkert en Van Wieringen was een vergelijking tussen het oordeel van de deskundigen en dat van genteresseerde leken. Een groep van 26 betrekkelijke buitenstaanders, 12 amateur-kunstenaars en 14 deelnemers aan de kunstuitleen, bekeek hetzelfde materiaal als de professionele oordelaars. Evenals de echte deskundigen waren ook deze amateurs het niet al te zeer met elkaar eens, hun oordelen liepen nogal uiteen. Maar de centrale vraag was natuurlijk een andere: in hoeverre kwamen hun oordelen met die van de professionals overeen? Welnu, de leken waren het op sommige punten met de experts eens. Maar bij het belangrijkste criterium, de kwaliteit van het gebodene, bleek er geen enkele overeenstemming tussen leken en experts te zijn. De leken oordeelden aanmerkelijk positiever over de aanvragen dan de experts - een tamelijk verbazingwekkend resultaat.

Wat betekenen al deze bevindingen nu voor de beoordelingspraktijk en voor de rechtvaardiging ervan? Blijkens een bericht in deze krant van 19 mei vindt de directeur van het Fonds, dr. G. Dales, het onderzoek te beperkt om beleid op te baseren. Dat kun je je afvragen. In ieder geval leidt het onderzoek niet tot de conclusie dat het hele systeem maar het best terzijde kan worden geschoven. De alternatieven zijn immers onaantrekkelijk. Zowel de instelling van een Rijkskeurmeester, als ook overgaan op loting introduceren elementen van willekeur waar niemand echt gelukkig mee kan zijn.

Wel kan voortaan met iets meer reserve kennis worden genomen van de stellige beweringen van experts "dat ze het vrijwel altijd eens zijn'. Uit het onderzoek van Hekkert en Van Wieringen bleek dat er in feite maar een geringe overeenstemming was.

Interessant is de nuchtere kijk van de onderzoekers op een van de heilige koeien van de beoordelingspraktijk: de discussie. Volgens de heersende beoordelings-ideologie, neergelegd in een artikel van C. Cramer, tot voor kort voorzitter van de beoordelingscommissies van het Fonds, leidt discussie tot een oordeel "dat meer is dan de som van zes afzonderlijke, subjectieve stemmen'. In die meerwaarde "ligt het objectieve element van het beoordelingsproces besloten'.

Uit het onderzoek blijkt het tegenovergestelde: allerlei groepsprocessen kunnen het oordeel flink benvloeden en omdat die processen in de ene groep wel en in de andere niet optreden, dragen ze niet bij aan de consistentie van de oordelen. Wie wel eens een beoordelingszitting heeft bijgewoond, kent dat verschijnsel. Het beoordelen van nieuwe kunst geschiedt in een sfeer van belangstelling en nieuwsgierigheid, maar ook in onzekerheid en twijfel. In die stuatie kan een mening die met enig aplomb onder woorden wordt gebracht de toon zetten voor de richting van de discussie, hetzelfde geldt voor de mening die als eerste ten beste wordt gegeven.

Hekkert en Van Wieringen pleiten daarom voor een procedure die bekend is van het kunstrijden en het schoonspringen: laat de oordelaars hun scores maar meteen geven, waarbij de laagste en de hoogste score eventueel buiten beschouwing kunnen blijven. Deze methode zou ook tot voordeel hebben dat de verantwoording ten opzichte van de buitenwereld en de betrokken kunstenaar doorzichtiger zou zijn. Tot nu toe krijgt een afgewezen kunstenaar een standaardbrief waarin vlakweg wordt meegedeeld dat de commissie zijn of haar werk "qua vorm en inhoud niet voldoende uitgesproken' acht en daarin ook "niet voldoende autonome beeldende kwaliteit' kan ontdekken. Inplaats daarvan zou de kunstenaar de scores kunnen ontvangen die hij heeft gehaald. Daar is iets voor te zeggen, maar er zijn ook nadelen. Dat kunst niet in cijfers uit te drukken zou zijn - het meest gehoorde bezwaar tegen dit soort beoordelingen - is maar ten dele waar. De hele procedure is er op gebaseerd de goede van de slechte kunst te scheiden en die overwegingen kunnen ook hun uitdrukking vinden in een cijfer - zoals de ƒ 35.000 die goedgekeurde kunstenaar ontvangt natuurlijk óók een cijfer is.

Meetinstrumenten

Maar kunst is toch iets anders dan kunstrijden. Het grootste verschil is dat in de kunst de opdrachten veel onduidelijker, en de mogelijkheden veel groter zijn. Dat betekent dat van geval tot geval de uitgangspositie moet worden bepaald en de meetinstrumenten moeten worden geijkt. Daarin te voorzien is een van de belangrijke functies van de discussie. Dat de uitkomst daarvan ongewis is en per commissie kan verschillen, is een van de onvermijdelijke bijverschijnselen van die onzekerheid. Toch zou het helemaal niet zo gek zijn als beoordelingscommissies wat meer gingen letten op de wijze waarop de discussie de individuele oordelen benvloedt.

De oordeelsvorming overlaten aan leken zou geen verbetering zijn, zo leert het onderzoek. Ze zijn minder streng dan de experts en ook zij zijn het onderling vaak niet eens. Je moet daar natuurlijk wel bij aantekenen dat deze "leken' geen echte leken zijn, ze zijn genteresseerd en op de hoogte. Ze hebben waarschijnlijk ook erg hun best gedaan de aangeboden kunst te begrijpen, en in die "positive grondhouding' zou de verklaring kunnen liggen voor het feit dat ze het werk positiever beoordeelden dan de experts - die sceptischer zijn en wat meer door de wol geverfd.

Verder was in het aangeboden materiaal al een scherpe selectie gemaakt, de aanvragers waren allemaal afgestudeerd aan een kunstacademie. Ze hadden dus al een jarenlange socialisatie achter de rug in dezelfde principes die door de experts ook zo hoog worden gehouden. Zou een zeer divers samengesteld kunstpakket zijn aangeboden, waaronder bijvoorbeeld ook striptekeningen, Pieck en Poortvliet, en zouden onder de beoordelaars ook vertegenwoordigers van het kalender- en reproduktiekopend publiek zijn opgenomen, dan zou het resultaat wel eens heel anders kunnen uitpakken. Maar daar zit niemand op te wachten. De experts al helemaal niet.