Jaarverslag

Onlangs heeft de Europese Commissie haar jaarlijkse rapport over de stand van zaken in het mededingingsrecht voltooid.

Traditiegetrouw heeft zij het rapport al aan het Europees Parlement aangeboden; in het najaar verschijnt de voor het grote publiek bestemde versie. Aldus brengt de Europese Commissie in een soort jaarverslag de belangrijkste ontwikkelingen in beeld die zich op het terrein van de mededinging hebben voorgedaan. Sedert 1971 doet de Commissie dat elk jaar. Ditmaal is de balans opgemaakt per 31 december 1992. In het verslag worden natuurlijk de nodige algemeenheden gedebiteerd; ook Brusselse ambtenaren is een zekere wolligheid niet vreemd. Toch is het jaarverslag altijd weer de moeite waard. Het biedt een overzicht van nieuwe wetgeving. De belangrijkste uitspraken van de Europese rechter zijn genventariseerd en worden besproken. En ook de uiteenlopende activiteiten van de Europese Commissie passeren natuurlijk de revue: fusiecontrole, beoordeling van steunmaatregelen en bestrijding van concurrentiebeperkende overeenkomsten of gedragingen van ondernemingen. Ook wil de Commissie in het jaarverslag nog wel eens vooruitblikken door de terreinen aan te geven waaraan zij in de komende jaren extra aandacht denkt te gaan schenken.

In 1992 heeft de Commissie ruim 400 gevallen van steun onderzocht. Tevens beoordeelde zij 61 fusies; géén daarvan werd ontoelaatbaar geacht. Eind 1991 waren bij de Commissie bovendien nog 2287 zaken aanhangig die verband hielden met (mogelijke) inbreuken op artikel 85 (verboden afspraken) of artikel 86 EEG Verdrag (machtsmisbruik). Van deze hoeveelheid blijkt de Commissie in 1992 1124 zaken te hebben afgewikkeld. Er kwamen in de loop van het jaar evenwel 399 nieuwe zaken bij. Aldus bedroeg de werkachterstand per 31 december 1992 ruim 1500 dossiers. In de 1124 gevallen dat de Commissie een zaak daadwerkelijk afwikkelde, kwam het overigens maar in 20 zaken tot een formele beslissing. In vier gevallen verleende de Commissie een ontheffing voor een overeenkomst, d.w.z. keurde zij die goed. In tien gevallen keurde zij een bepaalde overeenkomst af, waarbij zij in vijf gevallen aanleiding zag tot het opleggen van geldboetes. Verder deelde de Commissie in drie gevallen boetes uit omdat de betrokken ondernemingen naar haar oordeel misbruik hadden gemaakt van een machtspositie. Tenslotte legde de Commissie nog drie bedrijven een boete op, omdat deze zouden hebben nagelaten de Commissie, ondanks herhaald verzoek, nauwkeurige informatie te verstrekken. Op een totaal van 2287 zaken kwam het in 1992 dus in slechts 11 gevallen tot een geldboete. Zo bezien valt het met de tanden van de Brusselse waakhond nogal mee.

In het verslag geeft de Commissie duidelijk te kennen wat in de naaste toekomst speerpunt van haar beleid zal zijn: demonopolisering van - wat zij noemt - de gereglementeerde sectoren. Het gaat hierbij niet om de minder belangrijke bedrijfstakken: telecommunicatie, postdiensten, vervoer, financiële diensten en de distributie van gas en elektriciteit. Deze sectoren kennen een lange traditie van staatsinmenging en reglementering die een kunstmatige verdeling van de gemeenschappelijke markt aan de hand van landsgrenzen tot gevolg heeft gehad. De betrokken sectoren zijn door bijzondere privileges en monopoliestructuren lange tijd tegen concurrentie beschermd gebleven, aldus de Commissie. Zij blijkt het nu tot haar taak te rekenen deze sectoren in elk geval meer toegankelijk te maken voor nieuwe concurrenten en nieuwe produkten of diensten. Voor een enkele sector, zoals die van energie, steekt de Commissie in het jaarverslag haar ongeduld zelfs niet langer onder stoelen of banken: ”de zich opstapelende klachten terzake zijn een factor waarmee de Commissie rekening dient te houden'. Bij wijze van voorbeeld noemt de Commissie het geval van een Franse elektriciteitsproducent die was aangesloten op het Italiaanse netwerk. Het Franse bedrijf mocht zijn energie evenwel niet rechtstreeks verkopen aan het Italiaanse staatsenergiebedrijf, omdat die bevoegdheid naar Frans recht bij uitsluiting van anderen is toegekend aan het Franse staatsenergiebedrijf EDF. Het gevolg van een en ander was dat de Franse producent aan EDF moest leveren tegen de (lagere) Franse tarieven, ofschoon de betrokken energie voor Italië bestemd was en een rechtstreekse Italiaanse vergoeding ook hoger zou zijn uitgevallen. In dit geval kwam het niet tot een formele beschikking van de Europese Commissie, omdat EDF na enig aandringen besloot de Franse energieproducent overeenkomstig het hogere Italiaanse tarief te vergoeden.

Toekomstgericht zijn ook de passages gewijd aan de totstandkoming van de Europese Economische Ruimte, die per 1 januari 1994 een feit moet zijn. De Europese Commissie zal dan ook zeggenschap gaan krijgen over mededingingszaken waarbij Noorwegen, Zweden, Oostenrijk en IJsland betrokken zijn. Hoofdregel is dan dat de Commissie ook bemoeienis zal gaan hebben over gevallen waarin de handel tussen één van die landen en een EG-lidstaat aan de orde is en de Europese omzet van betrokken ondernemingen voor meer dan 67 procent op het grondgebied van de EG wordt gerealiseerd. Naar verwachting zal deze uitbreiding van de bevoegdheden van de Commissie haar werklast op het terrein van de mededinging aanzienlijk vergroten.

Al met al vormt het jaarverslag een indrukwekkend overzicht van bedrijvigheid en activiteiten. De daarvoor verantwoordelijke diensten tellen 407 personeelsleden (in 1991: 373). Alle verhalen over bureaucratisering ten spijt is daarmee nog steeds een kleiner aantal ambtenaren gemoeid dan op bij voorbeeld het stadhuis van München werkzaam is.