Het lijk in het keldermeer; Het ware verhaal van het spook van de Opera

Het eigenaardigste aan het Spook van de Opera is dat het er helemaal nooit is geweest. Er bestaat geen oude legende over een geest die rondwaarde door de Parijse opera. Een handige journalist die een boekje wilde schrijven heeft het spook uit zijn duim gezogen. Hij beschreef het ellendige lot van de lelijke Erik, de ongelukkige die tot spook werd. Verfilmingen hebben het mooier of erger willen maken, maar in de musical van Andrew Lloyd Webber die volgende week in Nederland in première gaat, is het verhaal weer zoals het was.

George Perry: The Complete Phantom of the Opera. Uitg. Pavilion Books, ƒ 34,45.

Gaston Leroux: The Phantom of the Opera. Uitg. Bruna (vertaling anoniem), ƒ 29,90.

Gaston Leroux: Het Spook van de Opera. Uitg. BZZTôH (vertaling Jean A. Schalekamp), ƒ 14,95, verschijnt 15 augustus, alleen bij Free Record Shop/Fame.

Het moment waarop het masker afgaat, daar is het altijd om te doen. Lon Chaney, het spook uit de allereerste verfilming van The Phantom of the Opera, gaat door het leven met een cape om zijn imposante gestalte, een deukhoed op het hoofd en lege etalagepop-ogen in een simpel mombakkes dat zijn oren en kin vrijlaat. In die uitdossing zet hij zich aan het orgel en speelt - geluidloos, want in 1925 zwegen de films nog - de ouverture uit zijn eigen opera Don Juan triumphant.

Christine, voor wie hij het stuk schreef, nadert hem van achteren. Ze steekt één hand uit naar zijn hoofd. Zal ze, of zal ze niet? Even trekt ze haar hand weer terug. De spanning is ondraaglijk. En dan, ja!... ze neemt hem het masker af. Ontzet draait het spook zich om. Haarslierten langs een torenhoog voorhoofd, brandende ogen boven een mismaakt wipneusje, verbrokkelde tanden in een mond als een grot. De camera maakt er een gruwelijke close-up van en Christine valt flauw, zo feeëriek als alleen actrices in de jaren twintig flauw konden vallen.

Ze zal niet de enige zijn geweest. In opdracht van de produktiemaatschappij was in de Amerikaanse bioscopen vlugzout aanwezig om in zwijm gevallen dames snel weer op de been te brengen. Nu het spook ontmaskerd was, begon voor Christine immers pas de ware kwelling. Door oog in oog te staan met zijn ware gezicht, had ze zichzelf veroordeeld tot een levenslang verblijf aan de zijde van dit monster. Nooit meer zou hij haar laten gaan. Of zou Raoul, haar geliefde, toch nog in staat zijn haar te redden uit de klauwen van dit gruwelijke en tegelijk deerniswekkende schepsel?

De in griezelfiguren gespecialiseerde Chaney had contractueel laten vastleggen dat er vóór de première van de film geen foto's in omloop zouden worden gebracht van zijn make-up. De schok moest optimaal zijn. Door oogdruppels had hij zijn oogbollen doen uitpuilen, met ijzerdraadjes was zijn neus opgetrokken, met celluloid schijven in zijn mond was de vorm van zijn wangen veranderd. De rest werd bereikt door schmink en lichtval. “Door het gebruik van make-up in de juiste kleurschakeringen en op de juiste plekken - niet de voor de hand liggende delen van het gezicht - ontstond die volledige illusie van verschrikking,” zei hij later. Het maakte, zo blijkt uit kranteverslagen, diepe indruk. Toen hij in 1930 stierf, werd The Phantom beschouwd als het onbetwiste hoogtepunt van zijn carrière.

Met die film begon ook de wereldwijde faam van het Spook van de Opera. Want hoewel op de openingstitels een duidelijke bronvermelding stond (“from the celebrated novel by Gaston Leroux”), was die roman op dat moment helemaal niet zo gevierd als producent Carl Laemmle wilde suggereren. Sterker nog: het boek kwam in Amerika pas na de verfilming op de markt. Laemmle had het in Parijs, op zoek naar een nieuwe creatie voor Lon Chaney, in handen gekregen. Het was in Frankrijk redelijk verkocht, maar allerminst een bestseller geweest. Daarbuiten had het alleen als krantefeuilleton enige populariteit verworven. Leroux had allang weer een reeks nieuwe boeken geschreven; toen hij in 1924 met de Hollywood-producer in contact kwam, was Le Fantôme de l'Opéra al dertien jaar oud en goeddeels uit ieders herinnering verdwenen.

Misschien is dat het wonderlijkste aspect van de hele geschiedenis: dat het Spook van de Opera nooit een bestaande legende is geweest, maar uitsluitend het verzinsel van een nu vergeten ex-journalist die in het begin van deze eeuw een produktief en achtenswaardig auteur van mysterie-romans was. Geen voortbrengsel van theaterbijgeloof, niet ontsproten aan de fantasie van geëxalteerde zangers en zangeressen, nee, niets van dat al. Hij is bedacht door een schrijver die zo slim was zijn boek te beginnen met deze onwankelbare openingszin: “Het spook van de Opéra heeft werkelijk bestaan.”

Vuurspuwende krater

Op foto's oogt Gaston Leroux (1868-1927) als een gemoedelijke, ietwat gezette man met een artistieke kuif, een rossig sikje en een pince-nez. Hij was, als verslaggever van Le Matin, een ongedurige avonturier die verre reizen maakte en regelmatig met behulp van vermommingen en vervalste identiteitsbewijzen binnendrong op plaatsen waar het wereldnieuws een nieuwe wending kreeg. In de krater van de vuurspuwende Vesuvius, in het kantoor van de Britse minister voor de koloniën, temidden van de opstand in Odessa, aan het hof van de Russische tsaar - niets was teveel om zijn lezers het ware verhaal te vertellen. “De verslaggever is de uitkijkpost van de wereld,” riep hij uit. “Oh, wat houd ik veel van mijn beroep!”

En toch besloot Leroux van de ene dag op de andere zijn baan op te zeggen om boeken te gaan schrijven. Zijn grote voorbeelden waren Edgar Allen Poe en Arthur Conan Doyle, die hij trachtte te overtreffen door in Le mystère de la chambre jaune (1907) een moord te laten plegen in een hermetisch afgesloten kamer. Grotendeels bestaat zijn oeuvre uit detective-romans. Zijn vaste detective heette Joseph Rouletabille en was vroeger journalist geweest. Alleen in Le Fantôme de l'Opéra (1911) was hij zelf de ik-figuur, de verslaggever die de archieven doorzoekt en overlevenden interviewt om het raadsel van het spook op te lossen.

Jaren later, toen zijn spook wereldberoemd was geworden, vertelde Leroux waar zijn inspiratie vandaan was gekomen. Als theaterliefhebber was hij een geregeld bezoeker van de Opéra, het uit 1875 daterende praalpaleis aan het gelijknamige plein - het neobarokke pronkstuk in het nieuwe Parijse stratenplan van baron Haussmann. De schrijver had zich laten rondleiden door de spelonken onder het gebouw, de vele kelders die nodig waren om de metershoge decors van de grand opéra in te laten zakken, en het ondergrondse meer, sinister oplichtend in het duister. En in dat meer zag hij de vage omtrekken van een lijk.

Tijdens de bouw, bij de afgraving van het terrein, was een diepe waterpoel blootgelegd. Na zijn aanvankelijke schrik had Charles Garnier, de trotse architect van de belle époque, een oplossing bedacht: hij liet extra verstevigde heipalen onder het gebouw slaan en slaagde erin het waterreservoir een functie te geven bij de hydraulische machinerie voor de toneelinstallaties. Maar de uitvoering van zijn plannen stagneerde door het uitbreken van de arbeidersrebellie die Parijs tot Commune wilde maken. De half-afgebouwde Opéra werd door de opstandelingen gebruikt als wapenarsenaal, opslagplaats voor voedsel, fort en gevangenis. Het lijk in het meer was een gevangene van de Communards geweest.

Maar waarom, dacht Leroux, zou het niet het slachtoffer van een spook kunnen zijn geweest? Lag het niet voor de hand dat in dit doolhof van ondergrondse gangen, kelders, deuren en luchtkokers een geestverschijning had gehuisd die er heerste over een infernaal rijk van dood en verderf? Zou dat niet ook een verklaring kunnen zijn voor het ongeluk in 1896, toen aan het slot van de eerste acte van Thétis et Pélée de 2000 kilo wegende kroonluchter naar beneden was gevallen en een dame van middelbare leeftijd had verpletterd? Stel nu eens dat zulks niet was veroorzaakt door slijtage in de ophanging van het contragewicht, maar door de toorn van het spook?

Goedgelovig

In drie maanden schreef Gaston Leroux het manuscript voor Le Fantôme de l'Opéra. Hij schreef het boek als een reportage over een journalistieke speurtocht - even omslachtig en wijdlopig als alle reportages in het begin van deze eeuw werden geschreven - en paste ter verhoging van de geloofwaardigheid een uitgekiende kunstgreep toe, door net te doen alsof oudere lezers zich nog wel zullen herinneren hoezeer Parijs rond de eeuwwisseling in de ban was van de speculaties over een spook in de Opéra-spelonken. Eindelijk, suggereerde Leroux, kon hij nu het mysterie ontrafelen. Met meesterhand liet hij feiten en fictie versmelten tot een verdichtsel waarin ook het lijk in het meer een nieuwe rol te spelen kreeg. “Men zal zich herinneren,” schrijft hij (en veel van zijn zinnen beginnen met die woorden), dat het stoffelijk overschot volgens de kranten een slachtoffer van de Communards was geweest. Tja, de goedgelovigheid van de kranten...!

Met het raffinement van de aartsverteller "onthulde' Leroux het bestaan van de mismaakte Erik, die reeds als jongeman het ouderlijk huis had verlaten “omdat zijn lelijkheid bij zijn ouders alleen maar afschuw en schrik opwekte”. Hij had zich verhuurd als vreeswekkende kermisattractie, reisde later de wereld af als goochelaar en buikspreker, specialiseerde zich in verdwijntrucs, zag toevallig de funderingswerkzaamheden van de Opéra en was op de gedachte gekomen zich daar, in de diepte, voorgoed een onderkomen te verschaffen - ver van de boeren, burgers en buitenlui voor wie hij anders het eeuwige mikpunt van spot zou zijn gebleven.

Niets dan vrede en rust hadden Erik op dat moment voor ogen gestaan. Maar toen hij eenmaal in het gebouw huisde, was daar het beginnende zangeresje Christine geweest - en zij werd zijn muze. Gemaskerd lokte hij haar zijn wereld binnen. Hij inspireerde haar tot grootse prestaties en dwong de directie van de Opéra, door in het gebouw angst en verdoemenis te zaaien, ertoe háár de hoofdrol in Faust te laten zingen. Aanvankelijk beschouwde Christine hem als niets anders dan haar Engel der Muziek, met wie ze graag een pact wilde sluiten zoals Gretchen dat met de duivel had gedaan.

Tot de ongelukkige Erik ook haar liefde eiste. Ach, hoe klopte er een menselijk hart onder zijn onmenselijke gestalte: “Ik wil een rustig huis hebben, met normale deuren en ramen en een fatsoenlijke vrouw erin, net als iedereen. Dat zou je toch moeten begrijpen, Christine, dat zou ik toch niet iedere keer weer opnieuw tegen je moeten zeggen. Een vrouw, net als iedereen, een vrouw van wie ik zou houden, met wie ik op zondag uit wandelen zou gaan, en die ik de hele week aan het lachen zou maken.” Arm spook van de opera - hij wilde alleen maar op zondag uit wandelen! Maar de angstige Christine riep haar amant te hulp, de vicomte Raoul, en na een reeks bloedstollende gebeurtenissen in de catacomben van het operahuis wist hij haar te bevrijden. En het lijk in het meer? Dat was Erik. “Arme, ongelukkige Erik! Moeten we hem beklagen? Moeten we hem vervloeken? Hij vroeg niets anders dan iemand te zijn, net als iedereen te zijn. Maar hij was te lelijk.”

Krioelende mieren

Aldus het Spook van de Opera: een beetje La belle et la bête, een beetje Faust, een tot de verbeelding sprekende lokatie, enkele bestaande gebeurtenissen en de ongebreidelde fantasie van Gaston Leroux. In de eerste verfilming kon regisseur Rupert Julian dichtbij het boek blijven. Op het terrein van de Universal-studio's verrees een kopie van het Parijse operahuis met de majestueuze, metersbrede trap in de grote hal, waar hij massascènes kon aanrichten zoals ze nog zelden waren vertoond. Nu ik ze zie, op het schermpje van een montagetafel in het Nederlands Filmmuseum, is die hal een mierenhoop geworden met honderden - iets te snel - krioelende mieren, op weg naar de zaal waar de geluidloze aria's zullen worden gezongen. Maar de taferelen in de duivelse diepte, door Julian verbeeld als een middeleeuwse kerker, zijn nog even dreigend als ze bijna zeventig jaar geleden moeten zijn geweest. En als het Parijse gepeupel ten slotte, gewapend met flakkerende fakkels, de jacht op het Fantoom inzet, klopt het hart in de keel. Ja, de menigte vangt hem, slaat hem dood en werpt hem in het water - de enige afwijking van het boek, want daarin wordt zelfmoord gesuggereerd.

Naar deze oer-Phantom werd vaak verwezen toen er in 1942 een tweede verfilming werd gemaakt, nu in Technicolor en mèt geluid. Hoewel regisseur Arthur Lubin de beschikking had over dezelfde set op het Universal-terrein, slaagde hij er maar half in om de onheilspellende kwaliteit uit 1925 te evenaren. Claude Rains (de latere politie-inspecteur uit Casablanca) speelde het spook, maar om commerciële redenen ging de meeste aandacht uit naar de geliefde filmtenor Nelson Eddy in de rol van Raoul. Daarna kwam er nog een horror-versie van de Engelse produktiemaatschappij Hammer (1962) en ten slotte maakte de Amerikaanse televisie in 1983 een Phantom met Maximilian Schell en Jane Seymour, een naar Boedapest overgeplaatst misbaksel dat hier op video verkrijgbaar is.

Merkwaardig hoe, na Rupert Julian, geen van de verfilmers meer genoegen kon nemen met de aangeboren lelijkheid van Erik. In de versie van 1942 was hij een mislukkend componist wiens gelaat vervormd werd toen hem tijdens een vechtpartij ten kantore van een muziekuitgever een bak bijtend zuur naar het hoofd werd gesmeten. Twintig jaar later was hem buiten zijn schuld een ongeluk overkomen en Maximilian Schell was vroeger de dirigent van het opera-orkest geweest die namens zijn zingende echtgenote verhaal had gehaald bij een verzuurde criticus en daarbij met het gezicht in 's mans open haard was beland. Wraak werd in elk van die gevallen Eriks voornaamste motief. “Her triumph will be my revenge!” galmt Schell als hij Christine's carrièreplanning ter hand neemt. Aan het slot van die laatste film vindt hij de dood onder de neerstortende kroonluchter - ook weer een eigen verzinsel.

Zo is het spook steeds gewoner en begrijpelijker geworden, en steeds minder een mysterieus wezen met een melodramatisch levenslot. Pas in de musical van Andrew Lloyd Webber is Erik zijn raadselachtigheid weer teruggegeven.

“Ondanks al zijn misdaden heb ik bij zijn stoffelijk overschot gebeden dat God toch erbarmen met hem zou hebben,” schreef Gaston Leroux in de epiloog van zijn boek. “Waarom heeft God ook een mens gemaakt die zo lelijk was?”

Zelden schiep iemand een mooiere maskerade dan hij.