Het duel

Bello begroette de jonge hond die we hadden gehaald en begreep wat hem te doen stond. Niet omdat hij zo intelligent was, denk ik, maar omdat er in een hond nog een heleboel biologie zit. In onszelf trouwens ook.

Rekel had vier maanden in het asiel gezeten. Hij was een beetje vreemd. In de auto werd hij misselijk. Op straat liep hij te niezen van de uitlaatgassen. Als je een bal naar hem toerolde, sprong hij een meter in de lucht van schrik.

Rekel kon niet spelen. Bello wel. Bello dook op elke bal die naar Rekel werd toegerold. Bello rukte aan de oude sok, die Rekel voor zijn neus werd gehouden. Bello ging achter het eind hout aan dat voor Rekel werd weggegooid.

Hij was zo stijf als een plank. Hij hijgde als een schaap. Soms viel hij plat op zijn gezicht, de poten pijnlijk uitgespreid, als een berevel voor de open haard.

Maar hij leefde weer. Hij liep weer. Hij at weer. Hij kwam zijn kop weer in je schoot leggen. Hij keek je zoekend aan. Zijn ogen vonkten weer. Hij was weer partner in een oud verbond.

Puttend uit raadselachtige reserves vocht deze hond voor zijn plaats in de roedel, een plek onder de zon. Het was sinister. Het was mooi. Het was in elk geval iets anders dan het stille doven van het levensvuur.

Acht weken heeft dat zo geduurd. Later heb ik me gerealiseerd hoe ongelukkig Rekel in die tijd moet zijn geweest.