Er is geen verschil tussen toen en nu; Hedendaagse kunstenaars en de kunstgeschiedenis

De 24 kunstenaars, onder wie Jeff Wall, Gerhard Richter en Thierry de Cordier, die Bart Cassiman bijeenbracht op de tentoonstelling "Het sublieme Gemis' in Antwerpen, lieten zich allen inspireren door beroemde kunstenaars uit het verleden. Maar wie zij nu precies als hun voorgangers beschouwen wordt op de expositie onthuld. Waarom niet? Beschouwt Cassiman dat als de keukengeheimen van zijn kunstenaars?

Het sublieme Gemis; over het geheugen van de verbeelding'. Museum voor Schone Kunsten, Leopold de Waelplaats, Antwerpen. T/m 10 okt. Boek 200 blz, prijs ƒ 69,50. Importeur Libri Arti.

Iedere tentoonstellingsmaker heeft een Ideale Expositie in zijn hoofd. Ook Bart Cassiman (1961), die voor de manifestatie Antwerpen '93 de evenementen betreffende hedendaagse kunst organiseert. Die droomtentoonstelling probeert hij gestalte te geven in de afgelopen zaterdag geopende expositie Het sublieme Gemis. Uitgangspunt is Cassimans constatering dat kunstenaars geen onderscheid maken tussen "toen' en 'nu', een Middeleeuws getijdenboek niet wezenlijk anders bezien dan een abstract schilderij. De neiging tot historiseren is bij kunstenaars inderdaad vaak afwezig, omdat ze zoeken naar overeenkomsten met hun eigen werk en niet naar verschillen.

Cassiman selecteerde 24 veelal internationaal bekende deelnemers wier werk op een "eigenzinnige' manier is verankerd in de geschiedenis'. Nadrukkelijk stelt hij dat het niet gaat om "eclectisch-postmodern uit de ruif van de geschiedenis eten", maar om een strict persoonlijke "echo' of "evocatie' van vroegere kunstwerken.

Of de kunstenaars daarbij concrete voorbeelden voor ogen hadden, laat hij echter in het vage. Cassiman vertelde mij dat hij door het creëren van een leegte (het "gemis' uit de titel) een stroom van referenties aan de kunstgeschiedenis wil oproepen. Ook de subtitel van de expositie zinspeelt daarop: "over het geheugen van de verbeelding'. Dat impliceert dat we moeten vertrouwen op ons innerlijk oog, op dat wat we in ons brein hebben opgeslagen aan beelden. In Cassimans concept zou de confrontatie met de reële inspiratiebronnen - die "zijn' kunstenaars kennelijk wel degelijk hebben - dat innerlijke oog vertroebelen.

Om de bezoeker vast in de juiste stemming te brengen voor die associaties met het verleden, wordt de expositie gehouden in het negentiende-eeuwse Museum voor Schone Kunsten. De voorname sfeer die uit gaat van de neo-classicistische architectuur en de roodpluchen zitbanken, ontbreekt helaas op de benedenverdieping waar de tentoonstelling wordt gehouden. Heel voorspelbaar heeft elke kunstenaar er een lege zaal tot zijn beschikking gekregen, waardoor toch weer het vacuüm wordt geschapen dat zoveel moderne kunst omringt. Een scherp contrast met de bovenverdieping, waar de barokke overdaad van Rubens en Jordaens de boventoon voert.

Lakens van gips

De meest expliciete, dat wil zeggen voor de toeschouwer te herleiden verwijzingen naar de kunstgeschiedenis worden gemaakt door Lili Dujourie, ook al verwijst ze niet naar bepaalde schilderijen. In haar installatie zijn vaak geschilderde religieuze thema's te herkennen. De theatrale fluwelen draperieën van voorheen heeft zij nu vervangen door eenvoudige witte lakens. Ze zijn over langwerpige lessenaars gelegd en blijken van flinterdun gips. De vouwen en plooien erin zijn zo perfect dat je ze wil aanraken om te verifiëren of het niet toch gesteven linnen of katoen is. Maar er gaat ook iets onaanraakbaars uit van dat zuivere wit over die zwarte tafels, je krijgt het gevoel binnen te zijn gekomen in een ruimte waar de voorbereidingen voor een ritueel worden getroffen. Het opbaren van een dode die in schone doeken wordt gewikkeld - een Bewening? Het dekken van de tafels voor een Laatste Avondmaal?

Met enige goede wil kun je in de gelithografeerde potloodtekeningen waarin Ettore Spaletti delen van ruimtes weergeeft, reminiscenties ontdekken aan vijftiende- en zestiende-eeuwse perspectief-tekeningen. Thomas Schütte's bijdrage bestaat uit een drietal houten maquettes waarin trappenstelsels zijn verzonken die herinneren aan de labyrinten van Piranesi. Bij beide kunstenaars vraag je je af of we kijken naar het inwendige van een gebouw of naar dat van het menselijk brein. Michelangelo Pistoletti lijkt Cassimans het idee voor de 'echo van het verleden' geleverd te hebben; de vijf manshoge putten die in het museum zijn opgesteld, zijn op de bodem bekleed met spiegels die de suggestie van water wekken. Wie zich voorover buigt, ziet zijn eigen beeltenis weerkaatst - als een geluidloze echo.

Maar bij de overige kunstenaars kom je met goede wil en een hoofd vol kunstgeschiedenis niet verder. Dat ligt soms niet aan hen maar aan de keuze uit hun oeuvre. Van Mitja Tusek hangen er bijvoorbeeld niet de contouren van landschappen die als vervaalde foto's een soort herinneringsbeelden vormen, maar abstract werk. Jannis Kounellis liet delen van een houten schip (de voorplecht, een stuk van de boeg) in zijn zaal zetten. Een Vanitas-beeld dat moet herinneren aan onze sterfelijkheid? Het is een suikerzoete romantische installatie die zelfs geen medelijden wekt met het arme karkas.

Wall en Géricault

Dè gemiste kans van deze expositie is het intrigerende oeuvre van Jeff Wall. De manier waarop hij "gewone' mensen groepeert op zijn levensgrote, in lichtbakken getoonde foto's, is volgens zijn zeggen rechtstreeks ontleend aan zeventiende-eeuwse genrestukken. In Abundance poseren twee zwerfsters, die zich zojuist gehuld hebben in de kleren die zij in een aan de straat gezette doos vonden. Wat zou het interessant geweest zijn om dit burleske werk geconfronteerd te zien met de zeventiende-eeuwse genrestukken van Teniers of Brueghel op de bovenverdieping! Helaas is er geen van Walls monumentale "historiestukken' in Antwerpen aanwezig, zoals de gruwelijke scène van stervende Russische soldaten in Afghanistan. Het zou een schitterende pendant zijn geweest van bijvoorbeeld Het vlot van de Medusa van Géricault, zoals de kunstenaar zelf eens heeft gesuggereerd.

Er zijn ook ronduit misplaatste stukken op deze tentoonstelling: met name de zaal vol namaak-zuilen, -sokkels en -timpanen die Fortuyn/O'Brien bijeenbrachten als was je in het depot van het British Museum beland. Hier stuiten we op de "postmoderne ruif' die Cassiman juist zegt te willen vermijden. Vreemd is ook de deelname van Gerhard Richter die vertegenwoordigd is met een zeegezicht, twee landschapjes, een Vanitas-beeld en een abstract schilderij. Richter verwijst hier volgens mij helemaal niet mee naar de kunstgeschiedenis. Hij lijkt daarentegen te beweren dat het onderscheid tussen abstract en figuratief arbitrair is en dat elk schilderij allereerst fungeert als een vrijblijvend projectiescherm voor onze eigen verlangens. Cassimans opzet was echter, het kunstwerk als "tabula rasa' te vervangen door een werk vol intrinsieke betekenissen.

Tot slot vond de samensteller het noodzakelijk een aantal "houdingen' van kunstenaars tegenover de wereld te tonen: de kritische kunst-over-kunst van Franz West, de teruggetrokken, kluizenaarachtige posities die Jan Vercruysse, Thierry De Cordier en Luc Tuymans innemen, en de kunstenaar als clown of entertainer zoals René Daniëls en Juan Muñoz die voorstaan.

Ik vind het verband tussen deze kunstenaars en het thema van de presentatie onduidelijk; wil Cassiman zeggen dat dergelijke houdingen altijd aanwezig zijn geweest in de kunst? Maar bij wèlke voorgangers dan?

Kaleidoscoop

Ik heb me vaak afgevraagd of er zoiets bestaat als een ideale expositievorm. Ik ben het met Cassiman eens dat dat een tentoonstelling zou zijn waarin kunstwerken niet ondergeschikt zijn gemaakt aan de smaak van de samensteller of aan saaie chronologie. Ook in mijn gedroomde expositie zou elk werk voor zichzelf spreken en tegelijk een niet opdringerig maar betekenisvol verband vormen met andere stukken. Maar het "innerlijke oog' is mij niet genoeg; ik zou willen weten of die schitterende voorstelling in het hoofd ook in werkelijkheid nog zo mooi zou zijn.

Zou het kriskras door elkaar heen hangen van stukken uit allerlei stijlperiodes inderdaad een kaleidoscoop van associaties mogelijk maken? Om dat te verifiëren is het nodig om moderne kunstwerken zij aan zij te tonen met oude meesters die hen op één of andere wijze hebben benvloed. In mijn voorstelling gaat het dan niet om rechtstreekse citaten maar om niet direct visueel herleidbare verwantschappen die nadrukkelijk door de kunstenaars zelf naar voren zijn gebracht.

Wat zou ik graag eens Het atelier van de schilder van Gustave Courbet zien naast een van de monumentale schilderijen van Barnett Newman. Newman zelf beweerde namelijk dat niet alleen de schaal van Courbets doek hem heeft genspireerd, maar ook diens socialistische levenshouding. Is het mogelijk dat je die sympathie zou kunnen ervaren door de Courbet en een Newman samen te brengen? (Er zijn nog vele andere combinaties denkbaar, bijvoorbeeld de spiraalsgewijze opbouw van Caravaggio's schilderijen naast de uitwaaierende kleuren van Frank Stella's wandbeelden; Dürers aquarellen en etsen naast die van Beuys; Da Vinci naast Max Ernst, of Rembrandt geflankeerd door Picasso.)

Kopieën

Desgevraagd komt Cassiman wel over de brug met een aantal leermeesters voor 'zijn' kunstenaars: Borromini voor Munoz, Goya voor De Cordier, Correggio voor Dujourie, Rodin voor Vermeiren. In mijn ogen zou het oneindig veel interessanter en gewaagder van Cassiman zijn geweest om de inspiratiebronnen van "zijn' kunstenaars wèl te onthullen om ze explicieter te laten meespelen in de tentoonstelling. Dat had hij bijvoorbeeld in kopievorm kunnen doen, of desnoods alleen in het begeleidende boek.

Waarom noemt hij die verwantschappen niet eens? Toch niet alleen omdat hij die bronnen beschouwt als de keukengeheimen van de kunstenaars? Cassiman hecht te weinig geloof aan de feitelijke ontmoeting van genspireerde en inspirator. Daarmee legt hij een te zware taak op de schouders van zowel kunstenaars als publiek. Om de dikwijls abstracte werken in verband te brengen met kunst(enaars) van vaak eeuwen her, is er meer nodig dan wat toevallige associaties in je hoofd. De kunstenaars van Cassiman hebben boeiende verhalen te vertellen over de manier waarop zij naar kunst van hun voorgangers kijken, maar die informatie wordt ons onthouden.

Cassimans poging zijn ideaal te verwezenlijken is lovenswaardig, maar hij heeft helaas slechts de helft van zijn verhaal verteld. Jammer dat hij ons steriele kunst voorschotelt waar we door de overvolle zalen van de verbeelding hadden kunnnen dwalen.