De Blije Terugkeer van het Meisjesboek

Waar zijn toch de meisjesboeken gebleven zoals ze in de dagen van weleer werden geschreven en gellustreerd? NRC Handelsblad nodigt deze zomer een aantal auteurs uit op zoek te gaan naar het klassieke meisjesboek en er zelf een hoofdstuk van te schrijven. Vandaag als zevende Mischa de Vreede.

Ik ben een gedroomd meisje. Iedereen houdt van me. Tenminste, dat zeggen ze en ik geloof ze graag. Ik geloof alles en ik vergeet veel: vandaar dat ik makkelijk te verrassen ben. Verder ben ik vrolijk en graag zo vriendelijk mogelijk. Niet al te slim maar ook niet dom: een heel gewoon meisje dus. Ik vind mezelf niet mooi maar mijn beste vriendinnen - daar heb ik er twee van, aan elke arm een! - zeggen dat ik prettig om naar te kijken ben, vooral prettig om in de ogen te kijken. En dat kan kloppen want als ik voor de spiegel sta en ik kijk mezelf aan dan kijk ik in ogen die violet-blauw zijn, net als die van mijn moeder. En dat vind ik prettig want ik houd veel van mijn moeder; ik hoop dat ik later, als ik zelf moeder ben, nog meer op haar zal lijken. Voorlopig zou mijn gezicht ook dat van jongen kunnen zijn en mijn lichaam is nog bottig en smal.

Mijn vader is precies zoals een vader zijn moet: groot, sterk, een rossige baard rondom en een fijn-getekende mond, opmerkzame ogen, donzige oortjes en hij ruikt lekker. Hij is altijd thuis want hij is schilder. En beroemd. En Zwitser. Hij is hierheen verhuisd omdat hij van mijn moeder hield en ook - maar dat is een grapje! - omdat de kans klein zou zijn om in zijn eigen land een beroemd schilder te worden. (Wij hebben een heel lieve hond die Hodler heet en onze kat heet Klee.) Het enige voordeel van Zwitser-zijn, zegt hij, is dat zijn land al heel lang geen oorlog heeft meegemaakt: “Mischien dat het er daarom zo saai is?” De ouders van mijn moeder woonden van 1936 tot 1946 in Montana; ook zij hebben nooit iets beleefd. Zeggen ze, en ik geloof ze. Ik vind ze heel aardig en absoluut niet saai: ze maken aan één stuk door wandeltochten, Oma met een rugzakje en Opa met een stok. Voorlopig gaan ze niet dood, denk ik.

We wonen ver in de velden in het huis dat mijn opa zelf heeft gebouwd - hij is architect - en waar mijn moeder geboren is. Het heet De Dageraad en het heeft een strodak dat als een muts tot aan de vensters reikt. Seringen, rozen en kamperfoelie tegen de muren en eromheen staan de bomen die werden geplant op de dagen dat er iemand geboren werd. In de beuk van mijn oom hangt een schommel, in die van mijn moeder zit nog steeds de hut die zij als klein meisje van haar vader kreeg. Mijn broers en ik hebben berken: vier zilverwitte stammetjes beschut door een manshoge haag van hulst. Als ik van school naar huis fiets - dit jaar voor het laatst! - en het al leger om me heen wordt en tegelijkertijd al mooier, komt na de laatste bocht Hodler me blaffend en kwispelend tegemoet en 's winters zie ik dan het theelichtje branden en weet ik dat er een warme kamer op me wacht waar Klee zich, zodra ik zit, zal nestelen op mijn schoot. “Hoe was je dag?” “Goed!” of “Mwoah!”: en dan moet ik - nee: mag ik! - vertellen. Wij luisteren altijd naar elkaar, bij mij thuis.

Drie broers dus: twee die ouder zijn dan ik en zij beschermden mij op het schoolplein, toen ik eigenlijk voor het eerst onder vreemden was. Zij leerden mij ook wat geplaagd worden is en hoe je moet stoeien. Ze studeren nu in de stad maar in de weekeinden brengen ze belangwekkende vrienden mee en dan praten ze over zaken waar ik eigenlijk nog te jong voor ben, geloof ik, maar ik mag er bij zitten en als ik zo nu en dan ook wat zeg gaan ze daar serieus op in. Mijn jongste broertje is een nakomertje; zijn berkje is het kleinst. Ik heb hem van zijn geboorte af aan kunnen knuffelen en verzorgen en nog steeds doe ik hem geregeld in bad en dan bekijk ik hem goed: wat zijn jongetjes toch grappig tussen hun benen! Mijn vader en moeder zijn nog steeds verliefd op elkaar; soms gaan ze overdag even hand in hand naar boven en naar bed. Dat is heel bijzonder volgens mijn vriendinnen; ikzelf dacht dat vrijen even normaal was als water drinken: je doet het als je dorst hebt.

We gaan nooit naar de kerk maar als mijn vader 's avonds aan tafel zegt dat hij een goede dag heeft gehad omdat hij bij het schilderen het gevoel had dat Hij zijn hand vasthield en stuurde, dan horen wij de hoofdletter van God. Er zijn maar drie geboden bij ons thuis waaraan we geacht worden ons te houden: Spreek zoveel mogelijk de waarheid en houd je aan je woord; Maak niks stuk en doe niemand pijn of verdriet: Heb Uw naaste lief als Uzelf. Dit laatste gebod komt uit de Bijbel die we kennen zoals we de sprookjes van Grimm en Andersen kennen en de Griekse en Romeinse mythen en sagen. Van jongs af aan dus, want uit dat soort boeken worden wij aan tafel, tijdens het dessert, voorgelezen door mijn moeder die terwijl ze kookt zoveel van haar puddingen proeft dat ze voor toe aan een enkel klein hapje genoeg heeft. Ze heeft een heel mooie stem; ze leerde mijn vader kennen toen haar ouders haar Montana lieten zien en daar stond ze op een Alp en ze zong naar de ondergaande zon. “En dat was geen jodelen...”, mijn vader lijkt daarover nog steeds verbaasd, “... dat was Brahms: het Geistliches Wiegenlied! Ernstig, zuiver en sensueel, zo is ook zij.” Hijzelf zingt ook en hij geeft mij les: staande achter zijn ezel zingt hij me voor en ik kijk naar het uitzicht en zing hem na. Dikwijls zingen we met het hele gezin, vierstemmig, a capella, uit volle borst en dat het een lieve lust is. Mijn kleine broertje heeft nog een engelenstem.

Mijn oudste broer bracht laatst een vriend mee naar huis die graag met ons mee wilde zingen. Zijn stem mengde zich makkelijk tussen de onze en hij komt sindsdien vaker mee. Ik zie hem graag en ik geloof dat hij heel goed bij me past. Hij is ietsjes groter dan ik maar veel wijzer, hij ruikt net als mijn vader, zijn gezicht kan ook dat van een meisje zijn, hij heeft een heel lief plooitje bij zijn lippen als hij lacht en als hij naar me kijkt lijkt het of zijn ogen aan me trekken. Eerst keek ik dan meteen van hem weg maar ik ben er nu aan gewend en ik laat het gebeuren en laatst liep ik zelfs naar hem toe terwijl ik hem aan bleef kijken en hij omhelsde mij voorzichtig en zei dat hij me graag wat beter zou leren kennen en of ik hem over mezelf zou willen vertellen. “Waarom?” vroeg ik. Hij zei dat hij schrijver zou worden en dat hij daarom graag naar waar gebeurde verhalen luisterde. “Misschien schrijf ik dan wel een leuk boek over je!” zei hij en dat klonk als een bijzondere aanbieding. “Een boek?” vroeg ik, verrast. “Over mij? Wat zou daar dan in moeten staan? Ik heb nog nooit iets meegemaakt!”

Hij begon zachtjes te lachen. “Daarom juist”, zei hij. “Het moet een boek worden dat iedereen zal willen lezen en mooi vinden. Het zal heten: Geluk heeft geen verhaal.” Toen ging hij me weer zoenen en ik zoende hem terug maar wilde ook nog wat zeggen, alleen wist ik niet precies wat en daarom ging ik maar zingen, woordeloos maar met open mond, en hij keek me aan en luisterde even en zong toen met me mee: “Ladida, ladida.”