Bredase fabrikant deelt in buitenland gevoelige klap uit

BREDA, 30 JULI. De eikehouten tafel waaraan hij acht jaar geleden als vijfentwintigjarige, nieuwbakken directeur voor het eerst vertegenwoordigers van de Nederlandse Spoorwegen ontving, staat nog steeds in zijn kantoor. Ook maken de twaalf werknemers die hij toen in dienst had, op een enkele vutter na, nog steeds deel uit van het inmiddels 72-koppige personeelsbestand. Bob Scholte jr. heeft zijn vader niet teleurgesteld als directeur van het metaalwarenfabriekje EMSTA, dat is uitgegroeid tot Nederlands enige producent van treinstoelen.

Vorige week werd bekend dat EMSTA twee orders voor ruim zestigduizend stoelen met een totale waarde van 47 miljoen gulden heeft binnengehaald. De opdrachtgevers zijn de Nederlandse Spoorwegen èn de bouwer van Belgische treinen, Brugeoise et Nivelles (BN) in Brugge. De order uit België betekent een gevoelige klap voor de gevestigde Frans/Belgische "zetelfabriek' Compin en is voor EMSTA een welkome compensatie voor de dramatische daling in de vraag naar busstoelen, die volgens Scholte ongeveer nog maar eenvierde van vroeger is.

Vorig jaar maakte EMSTA 32 duizend zitplaatsen voor tram, metro, trein en bus. Orders die goed waren voor een omzet van ongeveer 18 miljoen gulden. Scholte vraagt zich af of zijn bedrijf de vraag had aangekund als de busproducenten hen niet in de steek hadden gelaten. Het personeelsbestand is in de afgelopen acht jaar verzesvoudigd en het kapitaal vervijfvoudigd, een snelle expansie die in de praktijk zowel op het personele- als produktieve vlak gemakkelijk tot problemen leidt.

Scholte senior begon in de jaren '60 een eigen bedrijfje als reviseerder van waterpompen voor auto's en breidde dat uit met de handel in trekhaken. Deze bleken bijzonder populair maar het viel niet mee leveranciers te vinden die aan de vraag konden voldoen. Scholte besloot daarom zelf de produktie ter hand te nemen. Onder de naam Tobo (in Made) veroverde hij een groot deel van de Nederlandse markt, maar personeelstekort vertraagde de groei. Daarom nam hij in 1976 het vier jaar oude metaalwarenfabriekje EMSTA over met de bedoeling de produktie om te schakelen op trekhaken. Zover is het nooit gekomen, maar het bedrijfje kreeg een goede klant aan autobusfabrikant Den Oudsten die metalen stoelenframes nodig had.

Al in 1978 benaderde Scholte sr., op zoek naar nieuwe klanten, de Nederlandse Spoorwegen. Kort na zijn aantreden zeven jaar later, plukte zijn zoon daar de eerste vruchten van. De NS hadden slechts één leverancier voor hun stoelen en vonden dat geen gezonde situatie. Scholte jr. kreeg te horen dat de NS best met EMSTA in zee wilden, als het bedrijf volledig over zou schakelen op de produktie van zitmeubelen.

Scholte had hier wel oren naar, want bij zijn aantreden als directeur had hij zich voorgenomen het bedrijf minder afhankelijk te maken van autobusfabrikant Den Oudsten. Om een volwaardige stoelenfabrikant te kunnnen worden, nam EMSTA in 1989 de bekledingsafdeling van de busproducent over. Scholte herinnert zich lachend hoe zijn inkoper, gepokt en gemazeld waar het de aanschaf van metalen betrof, ontdaan over het grote aantal soorten verkrijgbare garens bij hem kwam.

EMSTA kreeg van de NS de opdracht zitplaatsen te ontwerpen die qua onderhoud, reiniging en duurzaamheid het oude produkt zouden overtreffen. Na zeven jaar ontwikkeling rolden in 1992 de eerste gifgroene EMSTA-bankjes voor dubbeldekkers uit de produktiehal. Nieuwe ontwerpen en nieuwe orders volgden.

Het idee voor de expansie richting België kwam van de inmiddels over de grens wonende vader Scholte die in de Gazet van Antwerpen las dat de Belgische Spoorwegen van plan waren hun treinenpark flink uit te breiden. De contacten richting treinenfabrikant BN verliepen redelijk soepel, omdat EMSTA ook al stoelen leverde voor de door hen geproduceerde Haagse tram (HTM). Bovendien kon Scholte het als “echte Brabander” prima vinden met zijn Belgische onderhandelaars.

Het is echter niet alleen de overredingskracht van Scholte die BN heeft overtuigd van de kwaliteit van EMSTA. Als criteria noemt hij de prijs, kwaliteit en leverbetrouwbaarheid. Om de prijs te drukken zonder de marge in het geding te brengen, is EMSTA met “een slim ontwerp” gekomen dat minder kost. De afdeling ontwikkeling vormt meer dan 10 procent van het personeelsbestand, maar ook vanuit de produktie-afdelingen wordt meegedacht. “Op de één of andere manier wordt dat een soort wedstrijd, je moet er een sport van maken. Met één van mijn medewerkers wed ik steeds om een reep chocola of iets lukt of niet”, verklapt Scholte het succes van zijn ideeënbus.

Om BN te overtuigen van de betrouwbaarheid van EMSTA heeft Scholte “enorme logistieke plannen” moeten uitvoeren. Bij de treinenfabriek komt een afdelinkje van tien man dat de assemblage en misschien ook de bekleding van de stoelen moet verzorgen.

Op dit moment zijn de afkorterij, buigerij en lasserij verlaten, zijn de haken die de metalen onderdelen door het poedercoatingcircuit transporteren leeg, zit er niemand achter de naaimachines in de stikkerij en is in de beklederij en de eindmontage geen mens te zien. “De vakantie breekt vandaag aan en dan mogen ze van mij altijd een pilsje pakken”, verklaart Scholte de rust. Het enige bedrijfsonderdeel dat zich nog niet bezighield met de stoelenproduktie is verkocht en zal na de vakantie verdwenen zijn. Er moet plaats gemaakt worden voor nog eens elf nieuwe werknemers.

Scholte verwacht dat de uitbreiding van de capaciteit hem 2,5 miljoen gulden kost, maar hij ziet alweer nieuwe orders in het verschiet. Momenteel is hij bezig in Frankrijk, waar treinen en metro's in Parijs voorzien moeten worden van stoelen met een vandalisme-bestendige bekleding. “De Fransen zijn heel formalistisch in hun eisen”, verzucht hij. Op een Europese regelgeving rekent hij niet. “Wat betreft de spoorwegen is er altijd een prestigeslag tussen verschillende landen. "Per definitie' is het onmogelijk dat de ene vervoermaatschappij dezelfde stoelen zou aanschaffen als de andere. Bovendien, in Frankrijk heb je nu eenmaal kleine mensen, en dus kleine stoelen. Duitsers hebben daarentegen forse bumpers”, zegt hij wijzend op zijn buik.

Even later wordt hij aan de telefoon geroepen, maar is snel weer terug. “Een bekend bedrijvenjager”, zegt hij “die bellen wel vaker de laatste tijd. Maar voorlopig wil ik hier nog een jaar of 27 vooruit.”