Bekkie

Hij wordt Boqui genoemd, wat zoiets betekent als Bekkie. Die bijnaam heeft hij sinds hij een jongen van negen was. Nu is hij vierennegentig. Van zijn kaak loopt een diepe plooi tot bij zijn oog, die zijn mond scheef naar boven trekt. Aan de linkerkant hangt zijn mond open. Daardoor lijkt het of hij altijd een beetje lacht. Maar Bekkie lacht niet veel.

We zien hem hier vaak voorbij komen. Want met zijn vierennegentig jaar loopt Bekkie nog heel wat af. Altijd met een zwarte damestas in zijn hand. Daar neemt hij zijn bijbel in mee. Zonder bijbel gaat hij de deur niet uit.

Bekkie woont in een huis beneden bij de rivier. Daar heeft hij wat fruitbomen en druiven. Vroeger was hij doodkistenmaker, maar dat werk doet hij al lang niet meer. En zelf heeft hij geen doodkist nodig, want Bekkie gaat niet dood. Daar is hij vast van overtuigd. Op de hele wereld zijn het er vierhonderd, die zijn uitverkoren om nooit te sterven. God heeft het zo bepaald. En hij is daar een van. Zo loopt hij met een stevige dribbelpas langs de weg, met de bijbel in een damestasje onder zijn arm. Voor alle zekerheid.

Laatst zag ik zijn dochter met haar zoontje. Ze kwamen van de tandarts; er moest bij het jongetje een kies worden getrokken. "Gelukkig was het niet zo erg als toen bij mijn vader,' zei ze. Ze lachte even, en legde haar hand tegen de wang van de jongen. Die lachte ook en liet me het gat zien.

Wat ze daarmee bedoelde weet iedereen hier in de buurt. Toen Bekkie negen jaar was, woonde hij een dorpje. Hij kreeg vreselijke kiespijn, maar een tandarts was er niet. En voor zo iets ging je niet naar de dokter, vond zijn vader. Dat kon de hoefsmid wel opknappen. Bekkie (die tot op die dag Franciscus had geheten) werd op de grond gelegd en vastgebonden. De smid stond over hem heen gebogen met zijn tang.

Misschien was de wortel van de zere kies achter andere wortels door gegroeid. In elk geval, de smid had er een hele klus aan. Bekkie viel van pijn in katzwijm. Toen hij weer bijkwam, was er van de linkerkant van zijn gezicht niet veel meer over.

Ik had Bekkie een tijd niet gezien. Hij was bij zijn andere dochter in Barcelona, zeiden ze. Die woont daar in een flat met centrale verwarming. Want Bekkie was de laatste tijd aan het sukkelen geraakt. Alles deed hem pijn en vooral zijn gezicht. Daar kwamen vreemde bulten in. En dat huis van hem is ook zo koud, beneden bij de rivier. En vochtig. In de winter komt er nooit zon.

"Hoe zou het toch met Bekkie zijn?' zeiden we tegen elkaar. "Is hij soms dood? Misschien mogen wij dat niet weten.' Maar nee. Op een ochtend heel vroeg heb ik hem gezien. Daar liep hij weer, met zijn bijbel in zijn damestas, op een drafje langs de weg.