"Zelfs als de oorlog nu ophoudt, is er van Mostar niets meer over'

MOSTAR, 29 JULI. “Ik vraag me af waarom er vandaag niet geschoten wordt”, zegt de oude vrouw die in één van Mostars gehavende straten op de stoep voor een flatgebouw zit, op zoek naar koelte in de warmste stad van heel ex-Joegoslavië. Ze is zelf vluchtelinge, vertelt ze, uit het naburige dorp Bijelo Polje, eerst gevlucht voor de Servisch-moslim/Kroatische strijd een jaar geleden. Maar de oorlog gaat in haar dorp, net als hier in Mostar zelf, thans door tussen Kroaten en moslims.

“Tuurlijk”, zegt de woordvoerder van het Kroatische leger in Bosnië-Herzegovina, de HVO, op de vraag of zijn organisatie er naar streeft de thans nog door de moslims beheerste linkeroever van de Neretva in Mostar te veroveren. “Maar op het moment zijn er geen offensieve acties, we wachten op de uitkomsten van de onderhandelingen in Genève”, aldus woordvoerder Vesa Vegar. De tweedeling van de stad, zegt hij, is een gevolg van een op 30 juni begonnen moslim-offensief.

Echt goed staat het er voor de HVO niet voor in Mostar, meent hij. De moslim-troepen zijn op twee plaatsen, ten noorden en ten zuiden van de stad, de Neretva overgestoken en blokkeren de toevoer van zowel water als elektriciteit. Een van de weinige lichtpuntjes is dat de HVO de moslim-verovering van het plaatsje Buna, ten zuiden van Mostar, eerder deze maand ongedaan heeft weten te maken. Maar dat de moslims zich een uitweg naar de zee willen bevechten is wel zeker, meent Vegar. “Er is laatst een Kroaat uit een van hun gevangenissen ontsnapt, die zei dat ze zelfs Split (op meer dan honderd kilometer afstand, red.) willen veroveren”.

Het straatbeeld in Mostar wordt, afgezien van de verwoestingen door voortdurende beschietingen in twee ronden oorlog, vooral beheerst door met gierende banden rondscheurende personenwagens met opschriften als "HVO', of "Herceg-Bosna', de door de Kroaten in het zuiden van Bosnië-Herzegovina uitgeroepen pseudo-staat, waarvan Mostar de hoofdstad moest worden. De bezoeker ontmoet nogal wat wantrouwen bij elke, meest gewapende voorbijganger. Zo moeten de vergunningen voor een rondwandeling worden getoond aan een patrouille van de militaire politie van de HVO, waarvan het zwarte Volkswagenbusje is getooid met een portret van Ante Pavelic, de leider van de fascistische Kroatische staat in de Tweede wereldoorlog.

De verhalen van moslim-vluchtelingen uit het door de Kroaten gecontroleerde deel van de stad, over grootscheepse etnische zuiveringen tegen moslims en anderen verwijst de HVO-woordvoerder naar het rijk der fabelen. Van massale arrestaties is nooit sprake geweest, zegt hij, en op het helikoptervliegveld ten zuiden van Mostar zijn nooit meer dan 1200 mensen opgesloten geweest, en dan nog alleen krijgsgevangen in internationaal-rechtelijke zin - nooit de tienduizenden mannen, vrouwen en kinderen die internationale organisaties als de UNHCR er vermoeden. Bij de vraag hoeveel moslims er nog in het door de HVO-gecontroleerde deel van de stad wonen aarzelt hij even en zegt: “Vijftienduizend misschien nog, het is moeilijk te zeggen want elke dag verkiezen er mensen te vertrekken”:

Inderdaad vinden we even later - een bezoek aan het helikoptervliegveld behoort helaas niet tot de door de HVO vastgestelde mogelijkheden - enkele oude vrouwen van moslim-herkomst die in de stad zijn achtergebleven. Zij beklagen zich gelaten over de slechte voedselvoorziening en vragen ons min of meer verwijtend waarom we eigenlijk niet aan de andere oever van de Neretva, in het door het (moslim-)"Leger van Bosnië-Herzegovina' gecontroleerde deel van de stad gaan kijken. Ook dat behoort echter niet tot de mogelijkheden, elke nadering van het front is te gevaarlijk, meent de HVO voor ons.

Deze onmogelijkheid hebben de bezoekende journalisten overigens gemeen met internationale hulporganisaties en zelfs de VN-macht UNPROFOR, zodat over de stand van zaken op de andere oever maar heel weinig bekend is, behalve dan dat ettelijke tienduizenden mensen, gedeeltelijk vluchtelingen uit dit deel van de stad, er vermoedelijk van veel verstoken zijn. Een blik vanaf de heuvels rond Mostar brengt veel schade aan gebouwen bij de Neretva aan het licht, maar die was er ook al na de eerste ronde vechten met de Serviërs vorig jaar. Hogerop op de heuvels lijken de huizen nog intact.

Het enige zichtbare teken van de aanwezigheid van moslims daar is een hoog in de bergen uitgehouwen tekst. Vroeger stond er "Tito we houden van je' (Tito volimote), nu is daar met enig kunst- en vliegwerk "Bosnië-Herzegovina we houden van je' van gemaakt.

De Kroatische soldaten in de stad verdienen 200 à 300 Duitse marken per maand, zegt Veso Vegar, “meer dan Servische generaals want die krijgen maar 25 mark per maand”. Op basis van volstrekte vrijwilligheid werkt de dienst overigens niet. Op een deur hangt een mobilisatieoproep van 5 juli, waarin tot de strijd tegen "fundamentalistische' moslim-troepen aan de andere zijde van de stad wordt opgeroepen. Wie daaraan geen gehoor geeft, kan het recht op wonen in Mostar wel vergeten, dreigt de tekst, "zowel vandaag als morgen'. Van Kroaten uit Mostar die niet kunnen meevechten, bijvoorbeeld omdat zij in Duitsland werken, wordt een bijdrage van 300 mark per maand in de kosten van de oorlog gevraagd, vertelt Vegar, en dan zijn er natuurlijk nog de douanerechten voor Herceg-Bosna. “Wij financieren deze oorlog geheel zelf”.

Toch maakt de HVO-woordvoerder, mede in het licht van het voortgaande terreinverlies van de HVO aan moslim-troepen in Centraal-Bosnië, zeker geen vrolijke indruk. “Zelfs als de oorlog morgen ophoudt”, zegt hij somber, “is er van Mostar eigenlijk niets meer over”. De Kroatische burgerbevolking heeft, afgezien van de gewapende mannen, allang de benen genomen naar omringende plaatsjes als Sjiroki Brijeg, Grude en Ljubuski, waar een schijnbare welvaart en een bruisend caféleven in het oog springen.

De somberheid over de toekomst van de stad lijkt gedeeld te worden door de weinige bewoners met wie een praatje te maken valt. Onder hen is een voormalige werknemer van het vroegere Joegoslavische leger, die verklaart een Serviër te zijn. Bij de strijd vorig jaar liep hij een vreselijke, inmiddels weer dichtgegroeide wond aan zijn hand op. Tot voor kort wilde hij in Mostar blijven wonen, vertelt hij, hij was een voorstander van wat in Joegoslavisch oorlogsjargon "de burgeroplossing' heet, de beschaafde samenleving van burgers in een stad, ongeacht hun nationale herkomst. “Waar zou ik anders heen moeten? Ik heb geen familie in Servië, ik ben van Mostar”.

Maar inmiddels is hij tot andere gedachten gekomen en zou, bij gebrek aan enig toekomstperspectief, graag weggaan. “Een eind aan deze zinloze oorlog is niet in zicht”, meent hij. “Niet de mensen maken hem, maar de leiders, Alija (Izetbegovc, red.), Karadzic en Boban”. Aan het bestaan van Mostar, eens een stad die - ofschoon bewoond door een multinationale gemeenschap - bekend was als een exotisch centrum van oriëntaalse architectuur, lijkt in feite al een einde gekomen. Er is alleen nog de voorshands onbeantwoorde vraag wie de oorlog tussen de oevers en in de straten gaat winnen.

Dan valt, na enig verspreid geweervuur, aan het einde van de middag de eerste granaat van de dag - zo te horen vanaf de moslimzijde van de stad afgevuurd op het HVO-deel. “Ja”, zegt de woordvoerder, “de strijd speelt zich vooral 's nachts af”. De vluchtelingen verlaten hun stoepje en begeven zich naar binnen.