Oplossing

Hoe sterk en snel en slim hij was - vergeet het maar. Tot op de draad versleten was hij nu.

Soms, als je hem uitliet, moest hij al na honderd meter gaan liggen om op adem te komen. Net mijn opoe als ze de trap op kwam. En daar lag hij dan. En daar stond je dan. En dan was er altijd wel iemand die een oplossing wist. “U moet dat dier een spuitje laten geven, meneer.”

Natuurlijk moest ik hem een spuitje laten geven. Maar wanneer? En door wie? Hij was bang bij de dierenarts. Ik wou hem niet laten sterven op een plaats waar hij bang was. Ik wou hem niet achterlaten op een plaats waar we altijd vandaan waren gekomen met de woorden: zie je nou, dat viel wel mee.

Ik zei: “Zolang hij blij is als ik 's morgens buiten kom, breng ik hem niet weg.” Dat moet hij hebben gehoord. Hij wàs blij als ik 's morgens buiten kwam. Met een prachtige wolvegrijns kwam hij me steeds weer tegemoet.

Wat niet wegnam dat ik ook mijzelf geweldig oud begon te voelen. Voetje voor voetje, volledig uitgeblust, sjokten we saampjes door de wijk. En ik ben toch al geneigd om krom te lopen.

Ik zei: “Ik wil weer eens wat plezier met een hond. Laten we er een bijnemen.”

In het asiel in Gouda: Rekel! Ik vond er niet veel aan. Iris vond hem wel leuk. Jan was weg van hem.

Vooruit, doe die dan maar.