Na de vrijspraak door het Israelische Hooggerechtshof van John Demjanjuk; Hij is dus niet Ivan de Verschrikkelijke

Na de vrijspraak van John Demjanjuk, die ervan was beschuldigd dezelfde te zijn als Ivan de Verschrikkelijke, de beul van Treblinka, is het nuttig te bezien wat er uit deze onverkwikkelijke geschiedenis kan worden geleerd. Om te beginnen: de twijfel was te groot voor een veroordeling en dus moet worden aangenomen dat hij Ivan niet is. De vijf getuigen, die voor de rechtbank hebben verklaard hem met 100 procent zekerheid te hebben herkend, hebben zich vergist. Hoe kan dat gebeurd zijn? Er zijn daarvoor enkele belangrijke redenen aan te geven.

De eerste reden is dat geen van deze vijf getuigen Demjanjuk spontaan herkende. Ze moesten geholpen worden. Getuige Goldfarb, die voor het proces al was overleden, was de eerste die de foto van Demjanjuk aanwees; hij zei: “De man op foto nummer 16 komt me bekend voor.” Niets over Ivan, geen hevig emotionele reactie, zoals later werd beweerd. Anderhalf uur later werd Goldfarb opnieuw met de foto geconfronteerd, na door de onderzoekster genformeerd te zijn over wie hij had herkend: Ivan Demjanjuk. Nu herkende hij de man op foto nummer 16 als Ivan de Verschrikkelijke.

De tweede getuige, Turowski, was ook al overleden voor hij in het proces kon getuigen. Bij zijn eerste confrontatie herkende hij Demjanjuk niet. Pas een dag later, nadat Goldfarb zijn ontdekking had gedaan, werd Turowski opnieuw met de foto's geconfronteerd, zij het eveneens na genformeerd te zijn over de naam Ivan en de reden van het tweede verhoor. Nu herkende hij Demjanjuk onmiddellijk en met 100 procent zekerheid. De politie zou later beweren dat de processen-verbaal op een vergissing berustten: Turowski had Demjanjuk al de vorige dag herkend. Maar dat klopt weer niet met andere verklaringen van Turowski; we kunnen er zeker van zijn dat hij hem de eerste keer niet herkende.

Rosenberg, een van de vijf overlevenden die ook in Jeruzalem getuigde, is volgens de politie voor het eerst op 11 mei 1976 gehoord, en wel op het politiebureau. Maar volgens zijn eigen zeggen was hij daarvoor al in zijn eigen kantoor met de foto's geconfronteerd. Daarvan bestaat geen proces-verbaal en we moeten er maar naar raden wat zich toen heeft afgespeeld.

We moeten er trouwens ook naar raden waarom de politie van die bijeenkomst geen proces-verbaal maakte. Zouden ze dat hebben nagelaten als Rosenberg Demjanjuk positief had gedentificeerd? Maar zelfs bij die tweede confrontatie zei Rosenberg niet meer dan een gelijkenis te zien: hij kon Demjanjuk “niet met volle zekerheid identificeren”. Later vertelde hij dat hij Ivan onmiddellijk had herkend en dat hij diep geschokt was geweest.

De volgende twee getuigen die in Jeruzalem aan het woord waren, Czarny en Boraks, werden pas in september 1976 met de foto's geconfronteerd. In de vijf tussenliggende maanden hadden ze alle gelegenheid om met Goldfarb, Turowski en Rosenberg over de zaak te praten. Bijvoorbeeld op 2 augustus, de dag waarop overlevenden van Treblinka elkaar ieder jaar ontmoeten. Van die drie herkende Czarny Demjanjuk aanvankelijk niet (als we het proces-verbaal mogen geloven; de politie vertelde later dat het anders was gegaan dan in het proces-verbaal stond). Boraks herkende Demjanjuk direct.

De vierde getuige, Epstein, werd pas in 1978 gehoord, de vijfde, Rajchman, pas in 1980. Epstein herkende Demjanjuk, maar hij was een zeer goede vriend van Rosenberg, die nu al twee jaar rondliep met de wetenschap dat Ivan nog leefde. Kunnen we aannemen dat hij daarover nooit met Epstein had gesproken? Of Rajchman iemand herkende is niet zeker, aangezien de onderzoeker pas een proces-verbaal schreef in 1987; zeven jaar later en uit het hoofd. Dit proces-verbaal werd door Rajchman zelf zozeer tegengesproken, dat het eigenlijk geen waarde heeft. Maar één ding is wel duidelijk: Rajchman herkende Demjanjuk tenminste een keer niet. We kunnen dus rustig stellen dat niet vaststaat of een der getuigen Demjanjuk spontaan herkende; integendeel, het heeft er alle schijn van dat ze behoorlijk geholpen zijn.

Die helpende hand had vooral succes in combinatie met de buitengewoon knullige testmethode. De getuigen werd gevraagd om Ivan te herkennen tussen een aantal foto's die gewoon niet aan het signalement voldeden. Demjanjuk was de enige man die een dikke kop had, een korte nek en een kalend voorhoofd. Dit was het signalement dat alle getuigen kenden. De gebruikte testmethode op zichzelf is al een voldoende verklaring voor de vergissing van zoveel getuigen.

Er waren ook heel wat overlevenden die naar Demjanjuks foto hebben gekeken en die hem niet herkenden, of sterker: die zeiden dat hij Ivan niet was. Over acht negatieve herkenningen was er tijdens het proces informatie beschikbaar, hoewel de rechtbank er geen kennis van nam. Vijftien andere negatieve herkenningen waren weggemoffeld door het Amerikaanse Office of Special Investigations, dat onder leiding stond van Allan Ryan. Dit is hetzelfde instituut dat vanaf het begin beschikte over papieren met de echte naam van Ivan de Verschrikkelijke (Martsjenko) en een foto van hem. Wijselijk had Ryan hiervan niets gezegd aan de aanklager in Jeruzalem, omdat die dan natuurlijk de zaak niet had doorgezet.

Er waren dus ten minste 23 getuigen die Demjanjuk niet hadden aangewezen. De score van "alle vijf verkeerd' is dus zeer vertekend en is alleen bereikt door opzettelijke verzwijging van relevante informatie. Een niet-geringe bijdrage is ook geleverd door een aspect van de Israelische wet, die zegt dat getuigenverklaringen alleen kunnen meetellen wanneer de getuigen die persoonlijk in de rechtszaal komen afleggen. Daardoor was het voor de rechtbank bijvoorbeeld moeilijk (maar niet onmogelijk) om kennis te nemen van de verklaring van Schlomo Helman. Helman was degene die het langste en het nauwste met Ivan had moeten werken: gedurende meer dan een jaar op een afstand van een meter. Hij was er 100 procent zeker van dat Demjanjuk de verkeerde man was.

Factoren die ik met opzet niet noem zijn de kwaliteit van het geheugen van de getuigen en de lange tijd die er sinds hun verblijf in Treblinka was verlopen. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat we te maken hebben met een situatie waarin de herinnering uitzonderlijk moeilijk was. Maar gewoon moeilijk is al erg genoeg: in al dat empirisch geheugenonderzoek, dat onder ogenschijnlijk gunstiger omstandigheden is uitgevoerd, blijkt steeds weer dat de genoemde praktijken - suggestie, slechte testprocedures en terzijdeschuiven van negatieve resultaten - het effect hebben dat we in de zaak-Demjanjuk hebben gezien. Het geheugen is nu eenmaal niet altijd een betrouwbaar instrument en die betrouwbaarheid wordt zeer gemakkelijk vernietigd.

De rechtbank in Jeruzalem wilde daar niet aan: zij sprak als haar mening uit dat de getuigen zich niet konden vergissen over de identiteit van Demjanjuk, ongeacht hoe ze werden geholpen, hoe de testprocedure was en hoe ze werden geselecteerd. Daarmee negeerde de rechtbank een omvangrijke literatuur, waarin zich ook dramatische vergissingen over de identiteit van vermeende oorlogsmisdadigers bevinden.

In ieder geval kunnen we zeggen dat er nu een nieuw geval aan deze literatuur is toegevoegd. De rechtbank hechtte zozeer aan dit geloof dat allerlei andere indicaties over het hoofd werden gezien. Zo wilde de rechtbank niet de getuigen geloven die zeiden te hebben gezien dat Ivan bij de opstand in Treblinka was vermoord. De rechtbank sloot een compromis toen bleek dat een andere getuige Demjanjuk in Sobibor plaatste: Ivan had kennelijk steeds heen en weer gereisd tussen Treblinka en Sobibor. Het identiteitsbewijs dat moest aantonen dat Demjanjuk in Treblinka was geweest, vermeldde de standplaats Sobibor; dat werd uitgelegd als een administratieve vergissing van de Duitsers die, zoals bekend, niet erg nauwkeurig waren. Op de personeelslijst van Treblinka kwam de naam Demjanjuk niet voor. Dat werd verklaard door aan te nemen dat hij onder de naam Martsjenko was opgetreden, de werkelijke naam dus van Ivan de Verschrikkelijke. Het persoonsbewijs noemde weliswaar de naam Demjanjuk, maar de rechtbank nam aan dat de schildwachten die hij iedere dag moest passeren, niet al te precies waren met namen.

Rechtbanken worden vaak geconfronteerd met tegenstrijdige feiten, waaruit ze dan een eigen lezing moeten vervaardigen. Maar in dit geval moesten wel heel veel onwaarschijnlijke veronderstellingen worden gemaakt. Die veronderstellingen blijken achteraf dus fout geweest te zijn en het vertrouwen in herkenning door ooggetuigen ongerechtvaardigd. Zouden volgende rechtbanken daarvan leren? Zouden we daarvan in Nederland leren?

De vergissing van vijf getuigen en de acceptatie daarvan door de rechtbank te Jeruzalem hoeft geen verbazing te wekken. Wanneer men eenmaal gelooft in de onfeilbaarheid van het geheugen volgen alle gemaakte fouten daar regelrecht uit. Er is zelfs geen sprake van uitzonderlijke slordigheid of domheid: de autoriteiten in Nederland hebben hetzelfde onwankelbare vertrouwen in herkenningen en tolereren dezelfde fouten. Men helpt de getuigen en negeert het feit dat ze aanvankelijk de verdachte niet herkenden. Men gebruikt soms absurde testmethoden, die indruisen tegen de richtlijnen die daarvoor in ons land zijn opgesteld.

De Hoge Raad, het enige orgaan dat hieraan een halt kan toeroepen, laat de rechter een grote vrijheid zelf uit te maken waardoor hij zich laat overtuigen. Men laat de negatieve herkenningen soms weg en redeneert dan alle feiten die verder in tegenspraak met de herkenning zijn, gewoon weg.

Een fraaie illustratie van die mechanismen deed zich voor in de zaak-Harte, de Ier die ervan werd beschuldigd deelgenomen te hebben aan de IRA-moorden in Roermond. Twee gemaskerde mannen hadden 's nachts twee Australische toeristen op de Markt in Roermond neergeschoten. De mannen ontkwamen in een vluchtauto die door een derde persoon werd bestuurd. De bijrijder van de vluchtauto was in het gezicht gezien door drie getuigen.

Mevrouw V., die hem het beste heeft gezien, gaf een beschrijving die niet bij Harte paste. Over die getuige hoorden we nooit meer iets. Het echtpaar H. had de bijrijder gedurende één à twee seconden in het donker zien langsrijden. Zij zagen een gedeelte van zijn gezicht, terwijl hij zich afwendde. Niet zulke gunstige omstandigheden dus. Zodra er een verdachte was gevonden werd diens foto op de tv en in de landelijke pers vertoond, inclusief de mededeling dat deze man verdacht werd van de IRA-aanslag. Het echtpaar H. heeft deze foto toen gezien, maar meldde zich, ondanks het uitdrukkelijke verzoek, niet bij de politie. En dat terwijl ze zich erop beroemden in het verleden heel goede tips aan de politie te hebben gegeven, omdat dit hun speciale belangstelling had! Er was dus, net als in de zaak-Demjanjuk, geen enkele garantie dat ze hem bij de eerste confrontatie spontaan hadden herkend.

Maar de politie wist dat het echtpaar H. iemand had gezien en dus kwam ze een tijdje later met foto's langs. De politie liet toen precies dezelfde foto van Harte zien die eerder was uitgezonden en gepubliceerd. Eerst aan de heer H., 's ochtends om 11 uuur. Daarna aan mevrouw H., laat in de middag. Daartussen heeft het echtpaar gezamenlijk de lunch gebruikt en alle gelegenheid gehad om informatie uit te wisselen. Net als de getuigen in de zaak-Demjanjuk. Het was voor beiden buitengewoon makkelijk om de foto aan te wijzen die ze eerder op televisie en in de krant hadden gezien.

De rechtbank veroordeelde Harte tot achttien jaar, uitsluitend op grond van deze twee herkenningen. Waarbij zij er geen rekening mee hield dat de getuigen geholpen waren en dat de procedure niet deugde. De negatieve herkenningen (die ook in ruime mate aanwezig waren) werden door de rechtbank op eigen initiatief genegeerd. Allemaal net als in de zaak-Demjanjuk.

Er was een groot aantal getuigen dat had gezien dat er twee schutters waren: een grote en een kleine. De grote was een kop groter dan de kleine; zijn lengte werd geschat op 1.85 tot 1.90 meter. Deze langste schutter had op de passagiersplaats in de vluchtauto plaatsgenomen en Harte werd ervan beschuldigd deze man te zijn geweest. Maar Harte mat slechts 1.72 meter! De rechtbank nam daarom maar aan dat al die getuigen zich vergisten en dat het echtpaar H. gelijk had. In de motivering van het vonnis bleek dit overigens niet meer, aangezien alle informatie over de lengte van de schutters daaruit was weggelaten.

Gelukkig is de Nederlandse rechtspraak tamelijk robuust: in hoger beroep is Harte vrijgesproken omdat het gerechtshof door dit bewijs niet was overtuigd. Maar daar gaat het niet om: de fouten uit de zaak-Demjanjuk worden in ons land ook gemaakt.

Men zou hopen dat degenen die met het belangrijke en verantwoordelijke werk van de opsporing en de berechting van oorlogsmisdadigers zijn belast van deze affaire iets hebben geleerd. Het is echter de vraag of dat het geval is. Zo heeft Michael Sjaked, de aanklager in Jeruzalem, ruim vóór de uitspraak van het Hooggerechtshof van vandaag al verklaard Demjanjuk te willen vervolgen voor oorlogsmisdaden bedreven in Sobibor. Het probleem zou dan natuurlijk zijn dat de kwaliteit van de bewijzen voor oorlogsmisdaden die Demjanjuk in Sobibor zou hebben bedreven van hetzelfde kaliber is. Gedeeltelijk zijn het zelfs dezelfde bewijzen, die eerst moesten aantonen dat Demjanjuk in Treblinka was geweest. Het bewijs dat Demjanjuk een kampbeul in Sobibor was, is alweer niet zonder getuigen rond te krijgen.

Een verbluffend gebrek aan inzicht wordt gedemonstreerd door Gitta Sereny in de zaterdagse bijlage van het Haarlems Dagblad van 14 december 1991 (overgenomen uit The Independent). Zij is de auteur van een gruwelijk maar zeer lezenswaard boek over Treblinka en vooral over de kampcommandant Franz Stangl. Wellicht door haar grote betrokkenheid vindt ze het moeilijk om in te zien dat er in het geval van Demjanjuk een vergissing is gemaakt. Ze blijft volhouden dat hij een oorlogsmisdadiger is die zich in 1942 aansloot bij de SS. Maar daarover weten we niets, nu moet worden aangenomen dat Demjanjuk niet Ivan de Verschrikkelijke is. Volgens haar heeft Demjanjuk voortdurend gelogen, tijdens de processen, tegen zijn advocaten en veertig jaar lang tegen alle autoriteiten en zijn familie. Maar daarover staat nu juist niets meer vast.

In genoemde bijlage werd - de schrijver blijft anoniem - nog een beschouwing aan Sereny's artikel toegevoegd. Hierin wordt ons verzekerd dat Demjanjuk toch echt een kampbeul is. Verder wordt uitgelegd hoe de getuigen zich zo konden vergissen: “Het antwoord is eenvoudig. Ze zijn vermoeid, met een zielepijn die geen van ons zich kan voorstellen. Er waren veel sterke, onbekende Oekraënse en Baltische bewakers in zwarte uniformen op die verschrikkelijke plekken. Voor de slachtoffers, die nauwelijks hun ogen naar hen durfden opslaan, zagen ze er allemaal hetzelfde uit.”

Dit nu is precies het argument waarvan je niets leert, omdat het de fout bij de getuigen legt. De auteur vergeet te zeggen dat de rechtbank, die toch waarachtig wel wist onder welke omstandigheden de getuigen hadden geleefd, ervan overtuigd was dat de getuigen zich niet konden vergissen. Het was dus niet zo eenvoudig. De auteur vergeet ook te vermelden dat de autoriteiten, die bij voorbaat konden weten dat er geheugenproblemen zouden zijn, nalieten adequate testprocedures te gebruiken. Dat was niet zo'n heksentoer geweest: we weten al sinds ongeveer 1900 hoe je zo'n test moet inrichten.

Er is geen enkele reden te geloven dat de getuigen slecht hadden waargenomen, of dat ze door hun onbeschrijfelijke ervaringen geheugenproblemen hadden. Ze bleken op een groot aantal punten buitengewoon scherpe waarnemers geweest te zijn, en buitengewoon betrouwbare rapporteurs. De getuigen hebben het kunnen opbrengen zich alle gruwelen opnieuw te herinneren en in het openbaar te beschrijven. Ze waren zelfs bereid zich in een kritisch rechtsgeding gedetailleerd te laten verhoren.

Maar de verantwoordelijken, de politie, justitie in diverse landen, de rechterlijke macht, hadden niet voldoende eerbied voor de getuigen om ze te beschermen tegen suggestie en verwerpelijke herkenningsprocedures. Er was niets mis met de getuigen, er was alles mis met het onderzoek. Wanneer men die les niet wil leren, wordt er weer een belangrijke kans gemist.