Limburgse oerkaart

De Tranchotkaart, de nadagen van het Holoceen in Limburg in beeld, Natuurhistorisch Museum, Bosquetplein, Maastricht tot en met zondag 3 oktober. Ma t/m vr. van 10 uur tot 17.00 uur, za en zo van 13.00 uur tot 15.00 uur

Luitenant-kolonel Jean Joseph Tranchot was onder Napoleon een van de ingénieurs-géographes: dat wil zeggen in de kartografie gespecialiseerde militairen. Tussen 1802 en 1807 werd hij er met 34 anderen op uitgestuurd om het in 1794 op Pruisen vervoverde gebied van de Nederrijn, dat liep van Mainz in het Zuidoosten tot Mook in het Noorden, of wel tussen Rijn en Maas, in kaart te brengen. De kaarten dienden als wegwijzer bij veldtochten. Ze gaven onder meer de plekken aan waar een leger zich kon bedienen van begaanbare wegen, waar drassige of moerassige plekken waren, waar eventuele hinderlagen konden worden aangebracht en waar men dekking kon vinden, of een schootsveld.

Het Franse leger heeft evenwel nooit gebruik gemaakt van de kaart. Zeven jaar nadat ze gereed was gekomen (in 1814 bij de val en de verbanning van Napoleon naar Elba) moest Frankrijk het gebied weer teruggeven aan Pruisen. De Duitser Müffling kreeg later opdracht voor het Rijnland de Tranchot-kaart te voltooien. Daarom spreekt men ook wel over de Tranchot-Müffling-kaart.

De Tranchot-kaart is een zeer gedetailleerde topografische kaart, waarvan het deel dat nu het huidige Limburg omvat is tentoongesteld in het Natuurhistorisch Museum aan het Maastrichtse Bosquetplein. De inrichter van de tentoonstelling, de 37-jarige Maastrichtse bioloog Bart Graatsma, die als bijvak kartografie studeerde, is geheel gepassioneerd van de kaart van Tranchot. De kaart zal hem dienen voor het schrijven van zijn proefschrift over de flora en fauna in Zuid-Limburg in het begin van de negentiende eeuw. ""Het is fascinerend om op deze manier het landschap te kunnen aanschouwen. Het gaat als het ware om een landschapsschildering doordat de kartografen met kleuren werkten. Het is een Rembrandt onder de kaarten'', zegt hij.

Wie het museum bezoekt ziet op een plateau in een facsimileherdruk (het orgineel van de kaart bevindt zich in de Staatsbibliotheek van Berlijn) heel Limburg van Maastricht tot Nijmegen met de rivier de Maas als hoofdader. Men waant zich als het ware een wandelaar op kleine schaal. De kaart is 5,5 meter lang en 1,5 meter breed op een schaal van 1:25.000. Dat is de schaal van de fascimileherdruk; in werkelijkheid tekenden Tranchot c.s. de kaart op een schaal van 1:20.000. Op aparte panelen hebben Graatsma en zijn broer, een grafisch ontwerper, de onderscheiden delen van de kaart opgehangen met daaronder de kaarten van de huidige situatie. Zo kan men de veranderingen in het landschap en de uitbreiding van de steden en dorpen zien.

Denkersboom

Men kan er ook de vele afwijkingen zien in de benamingen die Tranchot c.s. (met de hand) op de kaart aanbrachten. De foute schrijfwijze (Denkersboom in plaats van Kersenboom voor een gebiedje bij Margraten, Op d'n weggard in plaats van Op d'n wijngaard voor een gebiedje bij Maastricht) kan door twee oorzaken zijn ontstaan. Of de Fransen die voor de benamingen te rade gingen bij boeren of burgers hebben ze niet goed verstaan of ze fonetisch opgeschreven òf de informanten gaven opzettelijk verkeerde inlichtingen, want de Fransen waren immers bezetters, die niet allerwege behulpzaam werden tegemoetgetreden.

Interessant aan de kaart is niet alleen het reliëf en de kleur waarin ze is uitgevoerd, maar ook het voorkomen van zogenoemde toponiemen of veldnamen. Aan de veldnamen kan men het vroegere gebruik van bepaalde gebieden aflezen: op de Schiepersberg werden naar alle waarschijnlijkheid schapen gehoed. Tranchot c.s. gaven met lettertjes of afkortingen aan waar bepaalde gebieden voor werden gebruikt: de "p' (van het franse pré) betekent: ten dele met fruitbomen, de afkorting "pat' staat voor pâturage, dus op die plaatsen vond beweiding plaats. Op de plekken waar geen letters of afkortingen voorkomen zijn gewone wei- en hooilanden aanwezig. In een vergelijking met de huidige situatie kan men goed zien hoe de Zuidlimburgse graften (bouwland op hellingen) en de heggen in het landschap zijn verdwenen.

De werkwijze van de Franse kartografen was ongeveer als volgt. Men verdeelde het in kaart te brengen gebied in driehoeken waarvan de (gemeten) lengte van een van de zijden bekend was: het was de afstand tussen bijvoorbeeld twee kerktorens of andere hoog uit het landschap stekende objecten. Bekend is dat de kartografen in de Eifel, die veel meer geaccidenteerd is dan Limburg, palen oprichtten als meet- en oriëntatiepunten. Bij Aken staat nog zo'n paal. Vervolgens ging men in de driehoek in 't veld aan het werk. Op een planchet (een meettafel) werden met behulp van een zogenoemde vizierlineaal, waarop een soort verrekijker was bevestigd, de details overgebracht op veldminuten, kleine vierkante stukken papier. Op minder overzichtelijk terrein, bijvoorbeeld in bosachtige gebieden, werd ook gebruik gemaakt van de meetketting èn van een in Frankrijk ontwikkeld instrument, de zogenoemde nivelleer-boussole. Dat meetinstrument werkt volgens het principe van een kompas. De eerste kaart die op basis van de driehoeksmeting werd gemaakt was de Carte géométrique de la France, beter bekend als de Carte de Cassini, zoals de maker heette. De werkelijke hoogte van het terrein werd niet aangegeven. De kartografen brachten het reliëf aan door minuscule krasjes. Zo ontstond er een kaart, die qua gedetailleerdheid ontzag inboezemt.

Vergelijking met de huidige kaarten wijst uit dat de Franse kartografen zeer nauwkeurig hebben gewerkt. Niets ontging aan hun spiedende ogen. Op de Tranchotkaart is bijvoorbeeld in Midden-Limburg door inkleuring te zien hoe de Maas daar vroeger anders heeft gelopen.

De kaart is te beschouwen als dè topografische basiskaart van Limburg.

Tranchot, die eigenlijk was opgedragen te werken op een schaal van 1:50.000 moet een eigenzinnig mens zijn geweest, want hij hield de schaal 1:20.000 aan en was daarmee den keizer ongehoorzaam. ""In feite vertoont de Franchotkaart'', zegt Graatsma, ""het laat-Middeleeuwse landschap, nog juist vastgelegd voordat rond 1820 de agrarische revolutie begon. De kaart bevat een schat aan informatie over het landschap, het grondgebruik, de plantengroei, de nederzettingen (een Peeldorp als IJsselsteyn komt er niet op voor omdat het pas later is ontstaan, MP), het wegen- en waternet aan het begin van de negentiende eeuw. De moderne kartografische kaart'', aldus Graatsma, ""mist de allure en bijzondere bekoring van de Tranchot-Müffling-kaart. Deze negentiende eeuwse topografische schatkamer straalt nog iets ambachtelijks uit''.