Het bizarre seksleven van de zweepstaart-hagedis

The Golem. What everyone should know about science, door Harry Collins en Trevor Pinch, 164 blz., Cambridge University Press 1993, ƒ 40,55. ISBN 0 521 35601 6.

In 1984 ontdekte een onderzoeksgroep van CERN de W- en Z-deeltjes, de zogeheten intermediaire vectorbosonen. Deze elementaire deeltjes waren voorspeld door het Standaardmodel (de theorie die de sterke, zwakke en elektromagnetische wisselwerkingen in de natuur unificeert), dat daarmee sterk aan prestige won. De vondst met behulp van de enorme Geneefse deeltjesversneller heeft snel zijn weg gevonden naar de leerboeken en de populair-wetenschappelijke lectuur, en in beide gevallen gelden teamleider Carlo Rubbia en zijn medewerkers als triomfators binnen een fysica die haar resultaten dankt aan gezond theoretiseren (voorspellen) en nauwgezet experimenteren (verifiëren of falsifiëren).

Maar wat wordt samengevat in het verraderlijk eenvoudige woordje "vondst' was in werkelijkheid een samenraapsel van wanordelijke apparatuur, valse starts, moeizame herinrichting, onzekerheden die de eerste resultaten parten speelden, statistische gegevensverwerking en de beslissing van Rubbia, ondanks twijfels bij sommige van zijn teamgenoten, naar buiten te treden. Alles uitmondend in de historische persconferentie waarin het grote nieuws wereldkundig werd gemaakt. Gezien deze gang van zaken was het heel wel mogelijk geweest dat Rubbia bij nadere analyse zijn ontdekking had moeten intrekken, zoals later bij de "vondst' van de top-quark (de enige die nog altijd niet is waargenomen) door een Amerikaanse groep ook daadwerkelijk is gebeurd.

Dit ontrafelen van het verschijnsel wetenschap, dit minitieus blootleggen van de manier waarop wetenschap in de praktijk van alle dag werkt, is het terrein van de wetenschapssociologie. De resultaten van deze discipline staan niet zelden op gespannen voet met de wetenschapsvisie zoals die spreekt uit filosofische analyses, mythen, theorieën, hagiografieën, heldendom, bijgeloof, angst en, niet te vergeten, de retrospectieve beschouwing. Aldus beweren de wetenschapssociologen Harry Collins en Trevor Pinch in hun boek The Golem. De titel van deze prikkelende bundel opstellen is ontleend aan de joodse mythologie en tevens een metafoor van moderne wetenschap: een golem is een mensachtig wezen, door mensenhanden uit water en klei vervaardigd, naar believen te betoveren en te onttoveren, machtig, hulpvaardig, maar tegelijk plomp en gevaarlijk en eenmaal aan de controle van de mens ontsnapt in staat deze te vernietigen.

Collins en Pinch stellen zich ten doel het maatschappelijk beeld van de politieke rol van wetenschap en technologie te corrigeren. Daartoe beschrijven ze, met een minimum aan reflectie, een zevental case-studies die de feitelijke gang van zaken binnen het wetenschappelijk bedrijf moeten onthullen. Naast bekende onderwerpen als koude kernfusie, de detectie van zonneneutrino's en het debat tussen Louis Pasteur en de aanhangers van de theorie van de "spontane generatie' passeren ook minder bekende controverses de revue: het langs chemische weg overbrengen van geheugen bij platwormen en het bizarre seksleven van de zweepstaart-hagedis. De lezer wordt daarbij geacht niet op de wetenschappelijke inhoud te letten, hoe interessant die op zichzelf ook mag zijn, maar op de vorm.

Zonsverduisteringsexpeditie

Bijzonder verhelderend in dit verband is het hoofdstuk over Einsteins relativiteitstheorie. Overal in de literatuur wordt het Michelson-Morley experiment uit 1887, dat een constante lichtsnelheid als uitkomst had, opgevoerd als een bevestiging van de speciale theorie. Tegelijk heet het dat de zonsverduisteringsexpeditie van Eddington uit 1919, die tot doel had de buiging van sterlicht te meten, de geldigheid van de algemene relativiteitstheorie onomstotelijk vaststelde. Collins en Pinch' presentatie van de "naakte feiten' ontzenuwt een en ander als mythevorming.

Een belangrijk punt van discussie was de vraag of de ether, de drager van de lichtgolven, niet door materie werd afgeschermd, of de ether binnen de experimenteerruimte niet werd "meegesleurd', zodat het geen wonder was dat steeds dezelfde lichtsnelheid werd gemeten. In 1905, het jaar dat Einstein zijn speciale theorie publiceerde, vonden Morley en Miller in een glazen ruimte op een heuvel nog altijd geen verschil maar in 1924-25 deed Miller de metingen op Mount Wilson nog eens over en hij rapporteerde: ""Een duidelijk systematisch effect, geen twijfel mogelijk.' Een hoge wetenschappelijke onderscheiding was zijn deel. Andere experimenten, die geen effect vonden, wist Miller terecht te bekritiseren om hun mogelijke gevoeligheid voor afscherming. Zelfs in 1963 werd de proef nog eens overgedaan met een maser (een voorloper van de laser).

Een experiment uit 1887 dat een halve eeuw later nog discussie oproept, hoezo "onomstotelijke ondersteuning'?

Voor de zonsverduisteringsexpeditie van Eddington geldt eenzelfde verhaal. Het originele plaatmateriaal was allesbehalve eenduidig te interpreteren en om maar op het gewenste resultaat uit te komen - steun voor Einstein en niet voor Newton - negeerde Eddington een deel van de fotografische opnamen. Zogenaamd vanwege systematische fouten maar dat kon hij nauwelijks hard maken. Het was dan ook Eddingtons retoriek - en niet zijn waarnemingsmateriaal - die de "bevestiging' van Einsteins algemene relativiteitstheorie bewerkstelligde. Tot in de jaren vijftig zouden zonsverduisteringsexpedities de daartoe vereiste nauwkeurigheid niet halen.

Hiermee is natuurlijk niet gezegd dat er met Einstein iets mis was. Er waren andere effecten die de relativiteitstheorie bevestigden, waaronder de beweging van Venus om de zon en de roodverschuiving van sterlicht. Niettemin, het beeld van een logisch afgeleide wetenschappelijke voorspelling gevolgd door een recht-toe-recht-aan testexperiment is onjuist. Collins en Pinch: ""Eddington en Einstein droegen bij tot een culturele omslag, tot een verandering die enerzijds de oorzaak was van een nieuwe manier van waarnemen maar tegelijk het gevolg was van die waarnemingen.' Inderdaad zagen geleerden na Eddington opeens roodverschuivingen à la Einstein, waar ze eerder vooral vaagheid hadden opgemerkt.

The Golem is een nuttig boek. Het boeit van begin tot eind en is door zijn opzet aanzienlijk toegankelijker dan het veel theoretischer georiënteerde Science in Action van Bruno Latour. Collins en Pinch' demystificerende arbeid leidt tot een heel wat realistischer kijk op wetenschap dan in de populariserende literatuur is terug te vinden. In de wetenschap gaat het er dikwijls chaotisch aan toe, wetenschap is allesbehalve onfeilbaar, controverses worden lang niet altijd opgelost maar raken buiten beeld omdat andere problemen interessanter lijken of omdat men er genoeg van krijgt. De kermis rond de koude kernfusie, met zijn voorbarige claims en beschuldigingen van onwetenschappelijk handelen over en weer, is zo extreem nog niet. Het zou goed zijn als daar, bijvoorbeeld in het onderwijs, wat meer aandacht aan werd besteed.

TV-documentaire

Dat alles neemt niet weg dat men (naast vrees) oprechte bewondering kan hebben voor de resultaten die de wetenschap boekt. Collins en Pinch laken een TV-documentaire die de werkelijke gang van zaken rond de ontdekking van de W- en Z-bosonen in beeld bracht en toch eindigde met een woord van triomf over, zoals de commentator het uitdrukte, "een van de grootste ontdekkingen sinds de dagen van Faraday'. "The mess was not allowed to be the message,' luidt het afkeurende commentaar. Die kritiek is onterecht. Het is als met een schilderij van Rembrandt: onder de muts van de kantklosser heeft de meester wellicht eerst een kapje geschilderd, interessante informatie en beslist een studie waard, maar niet noodzakelijk om het eindresultaat op waarde te schatten. Zolang we maar niet denken dat de kunstenaar het hele tafereel in een keer op het doek zette.