Documenten uit KGB-archieven redden Demjanjuk van doodstraf

TEL AVIV, 29 JULI. De val van het Sovjet-imperium in 1990 heeft het in november 1986 in Jeruzalem begonnen proces tegen John (Ivan) Demjanjuk een dramatische wending gegeven. In de daarvóór ontoegankelijke archieven van de KGB werden documenten gevonden waaruit zou kunnen blijken dat deze sterke nu 73-jarige man niet "Ivan de verschrikkelijke' uit Treblinka was. Op grond van de veronderstelling dat hij dit wèl was werd hij in april 1988 door de districtsrechtbank in Jeruzalem, ruim twee jaar na zijn uitwijzing door de VS naar Israel, ter dood veroordeeld.

Dat nieuwe materiaal - 37 getuigenissen van Wachmänner (bewakers in concentratiekampen) die door de Russen kort na de Tweede wereldoorlog werden vervolgd - wijst uit dat niet Ivan Demjanjuk maar Ivan Martsjenko de gaskamers in Treblinka bediende en de daarin samengeperste joden vaak nog op een afschuwelijke manier mishandelde voordat de gaskraan openging.

In hoger beroep hebben de vijf opperrechters dit nieuwe bewijsmateriaal ter ontlasting van Demjanjuk moeten afwegen tegen getuigenissen van overlevenden van Treblinka die John (Ivan) Demjanjuk zonder de geringste aarzeling, vaak op zeer emotionele wijze, in de rechtszaal als "de beul van Treblinka' aanwezen. Het hoger beroep was eigenlijk al afgesloten toen de openbare aanklager en de verdediging de nieuwe feiten uit de KGB-archieven aan het Hooggerechtshof voorlegden.

Wegens het historisch belang van de rechtszaak tegen Demjanjuk rustte als gevolg van de volledig tegengestelde bewijsvoeringen op de vijf opperrechters de uitermate zware last vandaag "recht in Jeruzalem te spreken'. De tijdrekkende zorgvuldigheid waarmee de districtsrechtbank en daarna het hooggerechtshof te werk zijn gegaan schiep voor Demjanjuk nieuwe kansen en gaven niet alleen jurdisch maar ook emotioneel gewicht aan de felheid waarmee de Israelische advocaat Yoram Sheftel (zoon van ouders die de holocaust overleefden) voor de onschuld van Demjanjuk heeft gevochten.

Sheftel baseerde zijn verdediging op het argument dat het zogeheten Trawniki-document, dat de SS verstrekte aan in Trawniki getrainde Wachmänner die werden gerecruteerd uit de honderdduizenden Russische krijgsgevangenen, een KGB-vervalsing zou zijn. Het Trawniki-document - serienummer 1393, met de foto van Demjanjuk - plaatst John (Ivan) Demjanjuk als Wachmann in het concentratiekamp Sobibor en het naburige werkkamp Okzow. Vanaf het begin van dit slopende proces heeft de verdediger het er op gehouden dat John (Ivan) Demjanjuk de oorlog als krijgsgevangene heeft doorgebracht en nooit door de SS als Wachmann is gerecruteerd en dus onmogelijk de beruchte beul van Treblinka zou kunnen zijn.

Met enorme verontwaardiging die tot woede opliep - de president van de rechtbank Dov Levin dreigde Sheftel zelfs een keer wegens zijn gedrag uit de rechtbank te gooien - oefende de verdediger kritiek uit op de manier waarop getuigen op basis van naast elkaar gelegde foto's Demjanjuk hadden gedentificeerd. De Nederlandse deskundige op dat gebied professor W.A. Wagenaar werd als getuige décharge opgevoerd en sprak een vernietigend oordeel over de gehanteerde identificeringsmethode uit.

Dat de overlevenden van Treblinka zonder enige aarzeling John (Ivan) Demjanjuk als "Ivan de verschrikkelijke' van Treblinka aanwezen was volgens de verdediger wel begrijpelijk omdat een later boven water gekomen foto van Ivan Martsjenko grote gelijkenis met Demjanjuk vertoont. Ook de getuigenis van een Poolse prostituee versterkte de zaak van de verdediging. Zij verklaarde Ivan Martsjenko uit Treblinka als klant te hebben gehad en niet Demjanjuk.

Deze getuigenis bevestigde in de ogen van de verdediging het belangrijke materiaal dat in de archieven van de KGB was gevonden. Om al deze redenen stond Sheftel voor de rechters op Demjanjuks onschuld. Hij beschuldigde de staat Israel er zelfs van een show-proces op te voeren en insinueerde dat de rechters de gevangenen waren geworden van de opgehitste Israelische publieke opinie die niets anders dan bloed wilde zien.

Demjanjuks lange gevecht, eerst met de Amerikaanse en daarna met de Israelische justitie is in 1975 begonnen. Amerikaanse senatoren kregen toen een lijst in handen van nazi-oorlogsmisdadigers die in de VS leefden en werkten. Demjanjuk, die in 1952 tot de Verenigde Staten werd toegelaten en vervolgens in Cleveland (Ohio) bij de Ford-fabrieken ging werken, stond op deze lijst.

Een diepgaand Amerikaans onderzoek van enkele jaren wees uit dat Demjanjuk onder valse voorwendselen de Amerikaanse nationaliteit had gekregen, hetgeen de weg opende voor een rechtszaak om hem het Amerikaanse burgerschap te ontnemen. Het onderzoek bracht aan het licht dat Demjanjuk tijdens de ondervraging in Duitsland door Amerikaanse immigratie-autoriteiten een document had ondertekend waarin hij zegt in de oorlogsjaren “boer in Polen in een plaats genaamd Sobibor te zijn geweest”.

Tijdens deze procedure wezen Israelische getuigen die Treblinka hadden overleefd eenstemmig en zonder aarzeling Demjanjuk als de "beul van Treblinka' aan. Dat was aanleiding om Demjanjuk voor de rechtbank in Ohio te dagen. In juni 1981 werd hij "gedenaturaliseerd'. Demjanjuk werd ervan beschuldigd bij zijn aanvraag voor het Amerikaanse staatsburgerschap te hebben verzwegen als Wachmann in Treblinka de gaskamers te hebben bediend en ook in Sobibor te zijn geweest.

Van 1981 tot zijn uitwijzing naar Israel in 1986 heeft Demjanjuk zijn onschuld voor verschillende juridische Amerikaanse instanties verdedigd, met dezelfde koppigheid waarmee hij dat in Jeruzalem heeft gedaan. Demjanjuk sneed zich zonder zich daarvan bewust te kunnen zijn in de vingers toen hij op het Amerikaanse immigratie-formulier de naam Martsjenko als die van zijn moeder opgaf. Zijn Demjanjuk en Martsjenko dan volgens de getuigenissen van de door de Russen kort na de oorlog ondervraagde Wachmänner inderdaad één en dezelfde persoon?

De Israelische verdediger Yoram Sheftel houdt het erop dat zijn cliënt in de VS het slachtoffer is geworden van een samenzwering. Amerikaanse rechtsinstanties zouden al in de jaren zeventig aan de hand van inlichtingen uit de Sovjet-Unie hebben geweten dat niet John Demjanjuk maar Ivan Martsjenko de beul van Treblinka was. Demjanjuks alibi's worden onder andere ondergraven doordat onder zijn linker oksel een litteken is gevonden op de plaats waar de SS Wachmänner als identiteitsteken plachten te tatoeëren. Volgens de openbare aanklager zou Demjanjuk na de oorlog deze tatoeage hebben laten weghalen.

John (Ivan) Demjanjuk heeft thans zeven jaar in een Israelische gevangenis doorgebracht, onder strenge bewaking met altijd het licht aan. “Ik ben onschuldig, onschuldig, onschuldig”, verklaarde hij met zijn diepe stem voor de rechtbank. De rechters hebben vanmorgen misschien wel de moeilijkste beslissing uit hun carrière moeten nemen. Het proces tegen Demjanjuk heeft de Israelische schatkist tegen de 20 miljoen gulden gekost en heeft geresulteerd in een protocol van meer dan 15.000 getikte pagina's.