De waarde van een huisvrouw

Wanneer in de kroeg over de ideale vrouw wordt gesproken, wordt meestal geroepen dat zij aantrekkelijk moet zijn, goed in bed en in de keuken en dat het meegenomen is als ze wat bijdraagt aan de welvaart van het huishouden.

Die eerste factoren blijven een kwestie van smaak. Daarover valt dus te twisten. Niet iedereen vindt tenslotte hetzelfde mooi en op het terrein van lekker is ook een grote variatie mogelijk. De economische kant van de vrouw kan echter op nuchtere wetenschappelijke wijze besproken worden. Door volgelingen van Nobelprijswinnaar voor economie G.S. Becker zijn daarvoor zelfs fraaie wiskundige formules ontwikkeld, waarvan de volgende de meest gebruikte is.

Voordat de wetenschap zover gevorderd was dat ze de waarde van de huisvrouw hard kon maken in zo'n formule, was er uiteraard uitgebreid over dit waardeprobleem nagedacht. En dat nadenken gebeurde vooral in Amerika, omdat daar nu eenmaal eerder en meer aan geld werd gedacht dan in Europa. Het was er eigenlijk mee begonnen dat iemands vrouw werd doodgereden en de diep bedroefde echtgenoot van de schuldige een financiële compensatie eiste. Wat is, zo vroeg de Amerikaanse rechter, de “monetary value of a housewife”? Of naar het belang van de benadeelde weduwnaar: wat kost het om haar te vervangen? In juridische kringen was men ervan uitgegaan dat men hier te doen had met voor ieder geval verschillende subjectieve waarden. De ene vrouw is de andere niet, en de meningen van mannen zijn ook niet gelijk. Niets daarvan, zeiden economen, het nut van een huisvrouw is objectief te meten. En zo maakte ene Pyun een afweging van nutsfuncties, samengebracht in een indifferentie-curve.

Dat werd het begin van een waardendiscussie waaruit inmiddels een tiental berekeningsmethoden zijn voortgekomen. De opmerkelijkste is die van Colin Clark die de waarde van huishoudelijke arbeid berekende door na te gaan wat de verzorging kostte van mensen in gevangenissen. In feministische kring werd dit als een belediging en tevens als een onderschatting gezien. De diensten die een vrouw binnen haar gezin verleende waren van hoge kwaliteit en moesten naar rato worden gewaardeerd. Zo werden in Nederland bijvoorbeeld berekeningen gemaakt waarin de verschillende taken, zoals koken, huishoudelijke administratie en verzorging van kinderen gewaardeerd werden naar de tarieven van de betere restaurantkok, de officiële accountant, de gediplomeerde peuterzaaljuf en de verpleegster. Wanneer nu berekend werd wat huisvrouwen op deze manier in feite bijdroegen aan het bruto nationaal produkt, dan kwamen we al gauw dicht in de buurt van een verdubbeling daarvan. Een volstrekt onzinnige benadering, want wanneer de wetenschapsters die dit poneren, het besproken soort werk uitbesteden aan een "hulp', betalen ze een fractie van de boven geschatte waarde.

Bij de nutsoverwegingen waarover hierboven wordt gesproken, gaat het om de vraag, of men meer waarden schept door thuis in het huishouden te werken, of door het huis te verlaten en zich op de arbeidsmarkt te begeven. Daarbij vindt een afweging plaats van "endogene economische' en "endogene niet-economische' redenen. Uitgaande van de eerste kan het bijvoorbeeld niet de moeite lonen om elders voor loon aan de slag te gaan, omdat men te weinig verdient en te veel belasting moet betalen.

Uitgaande van het tweede kan men toch tot een betaalde baan besluiten, omdat men anders bijkans zou versimpelen in een sleurbestaan in een met poepluierende kinderen gevulde doorzonwoning.

Dat vaak voor dat loon op de markt wordt gekozen, was al bekend uit het toenemende percentage tweeverdieners, dat in even toenemende mate kiest voor een comfortabel, kinderloos samenleven. Uit onderzoek was gebleken, dat de echtgenote uit middenklasse-inkomens vaker voor geld het huis verlaat, dan die uit andere inkomensgroepen. Tenminste wanneer uitgegaan wordt van officiële gegevens, want de talloze vrouwen uit de lagere inkomensgroepen die "helpen' in het huishouden van de vrouwen uit de hogere groepen, doen dat doorgaans zwart. Uit een nieuw onderzoek dat onlangs in een sociologisch tijdschrift werd gepubliceerd, blijkt nu dat in Europa in toenemende mate sprake is van huwen van mensen van dezelfde beroepsgroep.

"Homogamie' wordt dat genoemd en het komt het meest voor in milieus van boeren en van middengroepen. “Wat betreft de huwelijken tussen verschillende beroepsgroepen kan worden gezegd dat de kans op een huwelijkscombinatie kleiner wordt naarmate beroepsgroepen van huwelijkspartners meer verschillen.” Homogamie maakt de schatting van de waarde van een huisvrouw een stuk gemakkelijker: wanneer je weet wat je zelf waard bent, ken je ook haar waarde. En de waarde van het huishoudelijk werk dat moet worden uitbesteed, wordt bepaald op de zwarte markt en in de diepvrieskasten van de supermarkt.

Overigens, trouwt een man - economisch gezien onverstandig - met iemand van buiten zijn beroepsgroep en betracht hij echtelijke trouw, dan zou hij kunnen worden aangeduid als een heterogame, monogame heteroseksueel. Een HeMH, waarachter dan Yup, Dink, Lat, etcetera kan worden toegevoegd, zoals dat ook kan met een HoMH. Stof voor de nieuwe Van Dale.