Appels eten

Slenterend langs de kooien van de mensapen, begin ik aan mijn zoveelste appel. Ik houd van appels en verslind ze met huid en haar. Ik eet de schil, het klokhuis, de pitjes, het kroontje en - wanneer ik geen zin heb ermee naar een asbak te lopen - ook de steel.

Zo niet de orang-oetang. Die raapt, zodra hij mij ziet kauwen, een moesappel uit het stro en begint hem eerst nauwkeurig te bekijken. Hij draait hem in zijn harige handen en houdt hem vlak voor zijn snoet. Zou hij eraan ruiken? Ik kan het niet horen: behalve tralies zit er ook glas tussen ons in.

Nadat hij de appel voldoende heeft genspecteerd, duwt hij hem tegen zijn ontblote tanden en schaaft, van steel tot kroontje, een modeldunne schil die hij vastpakt en - tussen de tralies door - buiten de kooi laat vallen. Opgeruimd staat netjes.

Terwijl ik klokhuis en pitten tussen mijn kiezen vermaal, draait de aap zijn appel een schilbreedte rond en zet opnieuw zijn tanden van steel tot kroontje in het vruchtvlees. Peinzend kijkt hij de vallende schillen na.

Wanneer hij de appel met zijn dunschiller rond is, controleert hij het werk met zijn ogen en gaat eten.

Hij vreet niet, hij eet. Na iedere beet bekijkt hij het resultaat. Vooral bij het klokhuis heeft hij lang werk. Tastend gaan de grote lippen rond het hart van de appel. Soms zuigt hij alsof het vruchtvlees moes was.

Als hij uitgegeten is, heeft hij een meesterwerk tussen zijn vingers: een steel die, aan draaddunne vezels, een volkomen schoongegeten, vijfhokkig huis van vliezen draagt. Je kunt de pitjes er doorheen zien schemeren en onder dat klokhuis, aan precies zulke dunne vezels, het vrijgegeten kroontje.

De aap steekt zijn arm door de tralies en dumpt met een superieur gebaar het appelrestant buiten de kooi.