Regering op weg naar zware nederlaag in Christchurch; Omaatjes in opstand tegen "slappeling' John Major

CHRISTCHURCH,28 JULI. In Christchurch, een braaf oord dat ligt ingeklemd tussen het hoogveen van het New Forest en de zee, heten de omaatjes met hun plastic regenkapjes en hun wiebelende boodschappenwagentjes sinds vorige maand de killer grannies. Dat is de naam die de Britse pers voor ze bedacht heeft. Want de merendeels hoogbejaarde Misses Marple en Colonels Bumble, tot op de laatste man en vrouw traditionele steunpilaren van de Conservatieve Partij, zijn in opstand. Als de voorspellingen juist zijn, gaan ze de Tories morgen daarom een verkiezingsnederlaag toebrengen die die van Newbury, in mei jongstleden, nog overtreft. En daarmee metselen ze een nieuwe laag op de politieke graftombe van John Major.

Tussen de geschoren heggen en de onberispelijke bloemperkjes wordt méér dan gemurmureerd: over de recessie, over het gebrek aan orde en gezag, over de aanstaande belastingverhoging (met 17,5 procent) op verwarming en elektriciteit en over de manier waarop Major en zijn partij van crisis naar crisis lijken te hollen. Het ergste is dat de premier daarbij geen blijk geeft van die cruciale kwaliteit van zijn voorgangster: het vermogen tot leiding geven.

“Volgens mij is hij een slappeling en heeft hij niet de juiste persoonlijkheid om het land te besturen”, zei de man in de newsagent-winkel gisteren. “Hij heeft ons vorig jaar beloofd dat de recessie over zou zijn, als we maar voor hem zouden kiezen,” zei de man van de taxifirma. “Nou dupeert hij al die oude mensen hier door straks de verwarmingskosten met 8.50 pond per week duurder te maken en ikzelf moet bijna droog brood eten om deze zaak overeind te houden. Nee, Major is een zwak leider, die maar eens moet leren luisteren naar wat de kiezers vinden.” Een oude mevrouw, die toeluisterde: “Geef mij mevrouw Thatcher maar.”

De tussentijdse verkiezing in Christchurch is nodig geworden door het overlijden van het vorige parlementslid, Robert Adley. Die verzamelde in mei 1992 nog 36.627 stemmen op zich (63,5 procent), een voorsprong van ruim 23.000 stemmen op de Liberaal-Democraten en van ruim 30.000 stemmen op Labour. Maar de onvrede van het ooit gedweeë Tory-stemvee heeft nu dusdanige proporties aangenomen, dat het massaal lijkt over te lopen naar de Liberaal-Democraten. Die heten hier de “Ik-stemde-altijd-Tory-maar”-partij , omdat ze bij traditie het voertuig zijn voor protesterende Torystemmers. De overstap naar Labour staat voor een Tory gelijk aan een culturele aardbeving. Die partij, hoewel in Christchurch vertegenwoordigd door een onberispelijke advocaat in een krijtstreep, blijft daarom in de hopeloze positie van derde achter.

Zelfs op het hoofdkwartier van de Conservatieve Partij, in Londen, wordt onder vier ogen al toegegeven dat de Liberalen waarschijnlijk terecht de champagne koud hebben gezet. De hoop daar was dat Christchurch, na het roemloze afronden van het Maastricht-debat vorige week, het laatste slechte nieuws in een jaar vol rampen zou worden. Voor het parlement is het zomerreces inmiddels begonnen en de Tories hoopten dat het effect van een met één gereduceerde regeringsmeerderheid (van 18 naar 17) op het moreel van de achterban niet meer zo groot zou zijn na een maand zomerzon in Toscane of Zuid-Frankrijk. Die hoop lijkt de bodem ingeslagen, nu de publikatie van onbedachtzaam commentaar van de premier op enkelen van zijn ultra-rechtse collega's (“the bastards”) in het kabinet opnieuw de aandacht hebben geconcentreerd op Major's kwaliteit als leider. Wat te zeggen van een premier die tolereert dat zijn kabinet gespleten is en die danst naar de pijpen van dan weer de ene, dan weer de andere vleugel van zijn partij?

De Conservatieve kandidaat in Christchurch is Rob Hayward, een ex-Lagerhuislid die bij de verkiezingen van 1992 zijn zetel verloor en het in Christchurch opnieuw mag proberen. Deze voormalige personeelschef bij Esso heeft met zijn zwarte snor en zijn grote brilleglazen een voorkomen dat precies past bij zijn ongelukkige positie: dat van ridder-van-de-droevige-figuur. “Kan hij die snorpunten niet omhóóg knippen?” klaagde een ontevreden kiezer hardop gedurende de campagne.

Maar afgezien van zijn uiterlijk: Hayward is het tegendeel van de vaderlijke, lichtelijk excentrieke (treinfanaat), sigaren rokende Robert Adley, een Tory die meer van het Macmillan- dan van het Thatcher-stempel was. Het Conservatieve hoofdkantoor in Londen heeft in de afgelopen weken een serie zwaargewichten uit het ministeriëel bestand naar Christchurch afgevaardigd om Hayward terzijde te staan in het handen schudden en kinderen knuffelen. En dan is er het te woord staan van de pers, die elke morgen van Liberalen, naar Tories naar Labour uitzwermt om op de persconferenties van de kandidaten de ene partij tegen de andere uit te spelen.

Gisteren was het de beurt aan William Waldegrave, de minister belast met het concretiseren van John Majors enige grote idee tot nu toe, dat van het Burgerhandvest, om Hayward bij te staan. En hoe meer de vragen aanhielden, hoe gerriteerder de minister zich betoonde, want wat zich op deze voorlaatste persconferentie van de campagne manifesteerde was de vaste overtuiging dat niet alleen winst of verlies van de parlementszetel voor Christchurch in het geding is, maar het leiderschap van John Major zelf.

“Minister, getuigt het van zwak leiderschap of van sterk leiderschap om Rupert Allason (het enige Tory Lagerhuislid dat vrijdag jongstleden verzuimde aanwezig te zijn bij het stemmen over de motie van vertrouwen in de regering) voorlopig uit de partij te gooien? Iedereen weet toch dat dat alleen maar voor de duur van de vacantie is?”

“Minister, vindt u ook (net als Major in zijn gelekte uitspraken - red.) dat de gouden jaren onder mevrouw Thatcher nooit echt hebben bestaan? ”

“Minister, kunt u uitleggen wat John Major in een tijdsbestek van vijftien maanden tot een molensteen om de nek van de partij heeft gemaakt?”

Robert Hayward had even tevoren toegegeven, dat Major “aan de voordeur” als object van zorg was genoemd, “maar niet zoveel als jullie denken”.

Bij de Liberalen gloriëerde partijleider Paddy Ashdown al voorzichtig over watde grootste stemverschuiving van na de oorlog lijkt te gaan worden. En hij richtte zijn aanval op de persoon van Major (“mogelijk de fatsoenlijkste kerel die we in vijftig jaar in Downing Street hebben gehad”) zelf.

“Dit is de man die het ten koste van alles te vriend houden van anderen tot een kunst heeft verheven. Hij beledigt zijn ministers achter hun rug en gaat vervolgens voor allen zichtbaar door de bocht voor de rebellen in zijn partij. Hij klaagt over zijn collega's in het kabinet wanneer hij denkt dat niemand het kan horen. Dit is geen manier om een partij te leiden en geen manier om een land te leiden. Ik geloof niet dat het goed is voor een land om geregeerd te worden door een premier wiens leidinggevende kwaliteiten te kort schieten en wiens kabinet onderling verdeeld is.”

Bij de Labourkandidaat deed Margaret Beckett, de plaatsvervangend partijleider, er nog een schepje bovenop: “Het mag dan in het belang van de Labour Party zijn om John Major als een zwak leider van de regererende partij niet te zien vertrekken. Maar hoe eerder hij gaat, hoe beter het is voor het land. En daarom zeggen wij: het landsbelang gaat voor. Hij moet gaan.”