Nog twee jaar van wedstrijdvoetbal genieten, op weg naar rust; Rijkaard mag van AC Milan voor 1,4 miljoen gulden naar Ajax

AMSTERDAM, 28 JULI. Hij gaat ze allemaal af. Geen bestuurder, geen journalist en geen toevallig aanwezige die hij niet een hand geeft en vriendelijk glimlachend in de ogen kijkt. Als hij in zijn luxueuze jeep het Ajax-terrein verlaat, zwaait hij. Ten afscheid na de eerste hereniging met zijn familie. Frank Rijkaard is na zes jaar weer thuis, in Amsterdam, bij Ajax.

In september wordt hij 31 jaar. Na een kort, maar heftig leven in de harde, boze wereld van het voetbalbedrijf AC Milan keert hij terug in de vertrouwde schoot van de voetbalvereniging die in haar streven het hoogste doel te bereiken zwalkt tussen de verwilderde voetbalwereld en de familiaire clubsfeer.

Nog twee jaar wil Rijkaard van wedstrijdvoetbal genieten. Dan wordt het tijd om aan het einde van zijn loopbaan te denken. Voetbal is zijn leven, maar zijn leven biedt nog meer. Hij zou de filosoof onder de profvoetballers kunnen zijn.

Zomaar opeens, op een dag in mei, voordat zijn club als Europa's beste werd onttroond, kondigde hij aan AC Milan te verlaten. Wie verlaat nu Milan uit eigen wil? Dat doe je niet. De club van il ragazzo d'oro, van il tulipo nero, van san Marco de rug toe te keren. Dat is heiligschennis, schennis van San Siro. Dat doet alleen "de vertegenwoordiger van het menselijke voetbal', Frank Rijkaard dus. Die keert terug naar de aarde, terug naar huis.

Typisch Rijkaard. De voetballer die de sluimerende Hollandse haat jegens Duitsers per ongeluk aanwakkerde door de provocaties van de Duitser Völler te beantwoorden met twee fluimen in diens haar. Dieper lag de oorzaak van zijn frustraties, de verrotte sfeer rondom het Nederlands elftal tijdens het wereldkampioenschap in 1990. Typisch Rijkaard om dan meteen te besluiten nooit meer voor het Nederlands elftal uit te komen. En daar later op terug te komen.

Typisch Rijkaard om tegen de regels van het Ajax-bestuur het bedrag te willen noemen dat Milan voor hem van zijn nieuwe club verlangt. 1,4 miljoen gulden. Typisch Rijkaard om daar heel lang bij Milan over gezeurd te hebben. Typisch Rijkaard om zich voor zo'n luttel bedrag te laten verkopen, terwijl een paar dagen eerder Ajax zeven miljoen neer mocht tellen voor ene Peter van Vossen.

Ach, Frank Rijkaard wist het eigenlijk al lang dat hij bij Ajax zou terugkeren. Nadat hij bij Nederland-Noorwegen, op 9 juni, kort werd benaderd door Ajax-trainer Van Gaal en penningmeester Van Os met de vraag of hij dacht iets voor Ajax te kunnen betekenen, scheepte hij de hijgerige pers af met de verklaring dat de kans dat hij naar Nederland terug zou keren “heel klein” was. Een leugentje om bestwil, wilde hij gisteren wel bekennen. En dat neem je Rijkaard niet kwalijk.

Omdat hij rust had gewild. Rust. Rust tijdens zijn vakantie. Er waren wel zo'n vijf clubs - het konden er ook zes zijn geweest - die hem via zijn zaakwaarneemster hadden laten weten dat zij hem wilden kopen. Maar Ajax was de enige club die hij had teruggebeld. Wie die anderen waren, doet er nu niet meer toe.

Maandagavond liet Rijkaard via mr. Adriaanse Ajax weten dat hij de dag erop wilde onderhandelen. Gisteren kreeg hij van Milan de bevestiging dat de club akkoord ging met zijn nadrukkelijke wens voor dat luttele bedrag verkocht te worden. Dat was weliswaar tegen de regels van de Europese voetbalfederatie, op grond waarvan Milan ten minste het viervoudige had kunnen vragen. Maar Rijkaard wilde Ajax per se tegemoet komen. Bij een bedrag van zo'n vijf miljoen zou Ajax afhaken, had hij inmiddels begrepen. Noem het een geste van Milan, zei Rijkaard. Als tegemoetkoming aan zijn wens bij Ajax terug te keren en daar zijn loopbaan “af te bouwen”. En hij dankte er Milan in het openbaar hartelijk voor.

Voorzitter Van Praag glunderde, penningmeester Van Os lachte opgelucht, het hele bestuur dronk champagne. En wie wilde drinken, dronk mee met de Ajax-familie. Rijkaard, de grote Rijkaard, de beminnelijkste, had besloten terug te keren in de warmte van het nest. Zoveel streling van ego maak je zelden mee in de commerciële voetbalwereld.

“Zo kent Ajax zijn mensen”, gaf Van Os toe. Afspraak is afspraak, afspraken zijn niet geschonden, geduld is beloond. Dat is wel eens anders in de samenleving van handjeklap, besefte Van Os. “Voor het voetbal is het een uitstekende zaak als een voetballer nog sentimenten laat meetellen.” En wie zou Van Os willen tegenspreken. “Ajax wordt een club die de naam krijgt zich aan afspraken te houden.”

Volgens de officiële UEFA-regels zou Rijkaard op grond van de bescheiden transfersom een modaal voetbalsalaris verdienen. Maar dat zou een belediging aan Rijkaard zijn. Dus: “Een uitzonderlijke speler, uitzonderlijke wetten.” En: “Noem de lage transfersom een prettige bijkomstigheid.” Het zou anders liggen, legde Van Os vervolgens uit, wanneer Ajax zoiets als vijf miljoen voor een speler die na twee jaar stopt had moeten neerleggen. Dan zou het salaris dat Ajax had moeten betalen niet verantwoord zijn geweest. Want zo rijk is Ajax echt niet, benadrukte de penningmeester.

Zoals Rijkaard van zijn rijke leven geniet, dat is toch waar iedere voetballer van droomt. “Ik ben heus geen gelukzoeker, ik loop niet mijn eigen schaduw achterna. Ik kies de dingen die ik fijn vind om te doen. En dat is voetballen”, zei hij op zaterdagmiddag 23 maart 1991. Buiten, over het trainingskamp Milanello, scheen de voorjaarszon als enige bron van inspiratie. In het trainingdorp heerste droefenis. Milan was een paar dagen eerder door Olympique Marseille uitgeschakeld voor de Europa Cup.

“Ik ben geen doemdenker, niet bang om iets te verliezen”, ging hij verder met die trage, ruisende stem. “Zondag in het veld is het belangrijkste. Dan voel ik me los gelaten. Weg van die stresserige training. Altijd die taktiek, onze speelstijl oefenen. In de wedstrijd kan ik een stukje van mezelf zijn. Dat gekonkel er omheen wordt wel opgelost.”

Die woorden gaan tellen als je ergens - in je hoofd, uit ervaring met andere transfers - meent te horen dat niet Rijkaard maar zijn vriendin de beslissing voor hem heeft genomen naar het vertrouwde Amsterdam terug te keren. Een vreemd hersenspinsel. Omdat "voetballersvrouwen' toch per definitie de voorkeur geven aan leven in het mondaine Milaan met al zijn gedurfde, modieuze mensen?

Rijkaard weet wat hij doet. Ajax verlevendigt zijn leven. Het kan iets toevoegen aan je bewustwording wanneer je je ervaringen meet met je wortels. Terugkeren kan niettemin teleurstelling betekenen. We begrijpen dat Rijkaard er voor kiest niet meer te leven in een neurotisch hunkerende samenleving, tussen moneymakers en marketingboys, tussen de hijgende vertegenwoordigers van de media. Hij laat zijn gevoel de koers bepalen, op weg naar rust, de rust van ontspanning. Toen, in 1991, zei hij: “Spijt helpt niet. Alleen als spijt zou helpen is het zinnig.”

Flegma is zijn kracht, voor zover zijn uiterlijk overeenkomt met zijn innerlijk. Dat hij vandaag - maar het kan ook morgen zijn - pas met de training begint; nou ja, het zal een inhaalrace worden, zegt hij. En dat bij een trainer die er op staat dat al zijn spelers vanaf de eerste dag - 5 juli deze zomer - aanwezig zijn.

Op welke positie hij zal spelen? Dat is aan de trainer, verkiest hij diplomatiek. Rijkaard kent zijn kracht. En hij weet dat Ajax in het centrum van de verdediging kwetsbaar is. Lekker rustig toch. Ach, ze kennen zijn kwaliteiten.

Nou ja, hij ziet wel. Alles is beter dan onder Cruijff spelen. Onder wiens technische leiding hij na zijn laatste wedstrijd voor Ajax op 20 september 1987 tegen FC Den Haag niet langer wenste te werken. Op 23 augustus 1980 debuteerde hij in het eerste tegen Go Ahead. Zeven jaar later vertrok hij zomaar, van de ene op de andere dag. Hij trainde bij Sporting Lissabon, werd uitgeleend aan Zaragoza. En uiteindelijk kocht AC Milan hem na het Europees kampioenschap van 1988.

Zoveel geduld als Rijkaard toen had, dat moet verwantschap hebben met het geduld dat Ajax met hem heeft gehad. Soms moet je in een haastige stad zijn geweest om te begrijpen dat in een dorp nog geduld en echtheid heerst.

Aan Hugo Camps zei hij in december 1990 in Elsevier: “Dat van mezelf houden wilde ik vroeger het liefst wegstoppen. Het leek me te pedant, te arrogant zelfs. Nu weet ik dat je eerst van jezelf moet houden, wil je goed met anderen om kunnen gaan. Twijfels zijn er natuurlijk, maar in grote lijnen zie ik mezelf nu wel zitten en dat bevalt me prima. Het blijkt toch de beste manier te zijn om iets leuks van het leven te maken.”