Een surrealistische flirt met de onzichtbaarheid

Belle de jour. Regie: Luis Buñuel. Met: Catherine Deneuve, Jean Sorel, Michel Piccoli, Pierre Clementi, Geneviève Page. In: Amsterdam, Rialto; Rotterdam, Lantaren/Venster; Utrecht, 't Hoogt.

Geen film van Luis Buñuel heeft groter commercieel succes gekend dan Belle de jour (1967). In zijn autobiografie Mon dernier soupir schrijft Buñuel dat, waarschijnlijk terecht, toe aan het thema van de prostitutie. Vrij naar een roman van Joseph Kessel uit 1929 schreef Buñuel samen met Jean-Claude Carrière een scenario, waarin de verveelde echtgenote (Catherine Deneuve) van een mooie, maar wezenloze chirurg (Jean Sorel) haar erotische fantasieën uitleeft door elke middag van twee tot vijf in een bordeel te werken.

De dagelijkse gang van zaken in zo'n privé-huis heeft later tot heel wat films geleid, die in toon varieerden van burleske (Paul Verhoevens Wat zien ik? bevat minstens één scène die letterlijk aan Belle de jour ontleend lijkt) tot feministische aanklacht (Marleen Gorris' Gebroken spiegels). Het lijkt Buñuel vooral te doen om het spanningsveld tussen fantasie en realiteit.

In de openingsscène rijden Deneuve en haar man in een open landauer over de laan van een landgoed. Een tegendraadse camerabeweging, een zoom tegen de rijrichting in, doet al vermoeden dat het romantische cliché niet al te letterlijk genomen moet worden. Plotseling gelast Sorel Deneuve uit te stappen en beveelt de koetsiers haar, vastgebonden aan een boom, met de zweep te slaan. Zij smeekt hem niet ook "de katten los te laten', die zich al op de geluidsband aandienen. Dan bevinden we ons plotseling in de goedburgerlijke slaapkamer van het stel, waar de masochistische erotiek zich uitsluitend in het hoofd van Deneuve blijkt af te spelen.

Die katten zullen nog twee keer buiten beeld terugkomen in de film. Ze staan waarschijnlijk voor het onzichtbare, ongrijpbare en intens beangstigende binnen in Deneuve, waar ze tegelijkertijd zo vreselijk nieuwsgierig naar is. Belle de jour, de hoerennaam van Deneuves personage, speelt voortdurend met de gedachte "de katten' los te laten. Door haar, zoals in sommige scènes gesuggereerd wordt, vermoedelijk uit haar kindertijd stammende onderbewuste verlangens werkelijkheid te laten worden, roept Deneuve rampen over zichzelf af. Maar misschien is de hele film ook niet meer dan een uit de hand gelopen dagdroom.

Voor zijn doen houdt Buñuel zich nog in. Minstens een sleutelscène, een dodenmis, waarbij Deneuve slechts gehuld in een zwarte sluier voor een klant in een lijkkist moet gaan liggen, werd zeer tegen de zin van de regisseur door de producent gekuist. Toch zijn Buñuels obsessies wel heel herkenbaar, met name de surrealistische flirt met een niet-waarneembare realiteit. De regisseur haatte het bij voorbeeld, wanneer hem, telkens opnieuw, gevraagd werd wat er toch in de doos zat die een Aziatische cliënt Deneuve vraagt te openen. Buñuel zei dan: “Aangezien ik er geen idee van heb, is het enig mogelijke antwoord: "Wat u maar wilt!'.”

Belle de jour is, in tegenstelling tot haar reputatie, zeker niet een van Buñuels beste films, maar altijd nog zeer bezienswaardig. Merkwaardig dat er zo weinig is geschreven over de twee nadrukkelijke citaten uit Godards A bout de souffle, zodat de film ook genterpreteerd zou kunnen worden als het antwoord van een oude surrealist op de "nouvelle vague'.