AOW bij vertrek naar het buitenland

De hoofdregel van de AOW luidt dat de verzekering alleen bestaat als men in Nederland woont. Het AOW-pensioen bouwt men alleen op als men verzekerd is. Wat zijn dan de gevolgen voor de AOW-rechten van een vertrek naar het buitenland?

Voor de uitbetaling van het opgebouwde AOW-pensioen heeft emigratie geen consequenties. Betaling van de AOW is overal in de wereld mogelijk. Het AOW-pensioen is gewoon exporteerbaar.

Bij vertrek naar het buitenland vóór de leeftijd van 65 jaar eindigt echter de opbouw van het AOW-pensioen, tenzij de verzekering voortduurt krachtens het speciaal daarvoor tot stand gebrachte besluit (Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden). Bij voorbeeld personen met een WAO-uitkering van meer dan 35 procent van het minimumloon blijven op grond van dat besluit verzekerd voor de AOW als zij buiten Nederland gaan wonen.

Indien de AOW-opbouw eindigt, zal er vanaf de 65-jarige leeftijd slechts recht bestaan op een onvolledig pensioen. Normaal duurt de AOW-verzekering van 15 tot 65 jaar en in deze 50 verzekeringsjaren vindt de opbouw plaats van het AOW-pensioen, waarop men vanaf de 65-jarige leeftijd recht heeft. Voor elk onverzekerd jaar wegens het wonen in het buitenland wordt het AOW-pensioen met 2 procent gekort. Deze korting kan men voorkomen door bij vertrek uit Nederland de premiebetaling voor de AOW vrijwillig voort te zetten. Voor deze vrijwillige voortzetting van de AOW-verzekering moet men zich wel binnen één jaar na het vertrek uit Nederland aanmelden. Indien ook in het buitenland een met de AOW vergelijkbare verzekering bestaat, zal de vrijwillige premiebetaling voor de AOW vaak niet zo zinvol zijn. Om in aanmerking te komen voor de zogenaamde overgangsvoordelen van de AOW is de vrijwillige voortzetting van de premiebetaling daarentegen heel belangrijk.

De overgangsvoordelen houden verband met de 50-jarige opbouwperiode voor het volledige AOW-pensioen. De AOW is op 1 januari 1957 in werking getreden. Zolang de wet nog geen 50 jaar bestaat, zou iedereen die op de datum van 1 januari 1957 ouder was dan 15 jaar een onvolledige AOW krijgen. Om dit tegen te gaan is een speciale overgangsregeling in de AOW opgenomen, die inhoudt dat de jaren vóór 1 janauri 1957 ook als verzekeringsjaren voor de AOW worden beschouwd, mits aan drie eisen is voldaan. Deze eisen zijn dat men vanaf het 59ste jaar al dan niet onafgebroken zes jaar in Nederland heeft gewoond (zes-jaar-eis), dat men de Nederlandse nationaliteit heeft (nationaliteitseis) en dat men in Nederland woont (actuele wooneis). Zowel op de nationaliteitseis als de actuele wooneis geldt een groot aantal uitzonderingen op grond van bepalingen in de AOW zelf en op grond van internationale verdragen, zoals bij voorbeeld ingevolge het EG-recht voor EG-onderdanen. Om aan de zes-jaar-eis te kunnen voldoen, tellen verder de jaren van vrijwillige premiebetaling, hoewel men in het buitenland woont, mee. Een voorwaarde hierbij is wel dat er een onafgebroken periode van verplichte en vrijwillige verzekering voor de AOW aanwezig is. Emigratie betekent dus niet automatisch en in alle gevallen dat het recht op de overgangsvoordelen van de AOW verloren gaat.

Pas in het jaar 2007 bestaat de AOW 50 jaar en tot dat moment blijft de problematiek van de overgangsvoordelen spelen. Iedereen die nu 51 jaar of ouder is kan daar dus mee te maken krijgen. Bij vertrek naar het buitenland zijn deze personen niet geheel vrij in hun keuze voor vrijwillige premiebetaling. Zonder die vrijwillige premiebetaling ligt het risico van terugkeer na het 59ste jaar naar Nederland op de loer, wil men voor de AOW-overgangsvoordelen in aanmerking komen.